Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Kritische beschouwing over de ambulante GGZ

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl

© 
protected 
by
pictoright


Dr. Saar Roelofs  
NIET STOREN
EEN KRITISCHE BESCHOUWING 
OVER DE RIAGG IN WOORD EN BEELD

BelvťdŤre (1997)

Nog steeds actueel

_________________________________________________


"Treffend en geestig."
EenVandaag

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items. Pakkende cartoons." 
Tijdschrift voor Psychiatrie

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk dat belangrijke vragen stelt." 
Amsterdamse PatiŽnten Krant

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend, is zeer verontrustend. 
Niet storen  beschrijft die processen haarfijn." 

Jos H. Dijkhuis, oud hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie

 


BelvťdŤre,  maart 1997
A4 formaat, 163 pag.


In Wie is er nu gek? (2008) 
gaat Saar Roelofs dieper in op 
de
therapeutische relatie

   

INTRO

Niet Storen is een nog steeds actuele kritische beschouwing over de ambulante (poliklinische) geestelijke gezondheidszorg (Riagg's) rond 1997. Al kort na publicatie deed het boek veel stof opwaaien.


Lessen uit het verleden

In
Niet storen heeft ook de geschiedenis een plaats. Die geschiedenis maakt inzichtelijk waarom GGZ-instellingen anno 2019 nog vaak tekortschieten. H
et boek geeft dan ook aanleiding tot het trekken van lessen uit het verleden.


T
hema's in
Niet storen die na ruim 20 jaar nog steeds actueel zijn:

- De starre diagnostiek op basis van het psychiatrisch handboek DSM
 
Zie: De DSM is niet geschikt is voor het stellen van een psychiatrische diagnose

- De ontoereikende behandeling van trauma's en PTSS'en. 
 
Zie:
Traumabehandeling in 2019

- De ver doorgevoerde bureaucratie
 
Zie:
Analyse van de bureaucratie: Profijt gaat boven moraal

- De achterstelling van preventie van psychische problemen.
  
Zie:
De huidige verwaarlozing van preventie

- Hoe een cliŽnt verstrikt raakt in de hulpverlening (een topic van alle tijden).
  
Zie: Verstrikt in de hulpverlening


Zie ook:

FinanciŽle prikkels voor een betere kwaliteit van de GGZ:
focus op de veerkracht van de cliŽnt 


Over de inhoud van Niet storen

Niet storen biedt op toegankelijke wijze inzicht de ambulante geestelijke gezondheidszorg met informatie over uiteenlopende behandelingsmethoden, achtergronden en analyses.

Het boek is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaronder de kritische vakliteratuur over de Riagg's (1987-1996), publicaties van Riagg's uit alle windstreken (1991-1996), onderzoek naar cliŽntendossiers en eigen observaties als afdelingshoofd/ gedragstherapeut in de Riagg Amsterdam Zuidoost (1991-1993), inmiddels opgegaan in Arkin GGZ Amsterdam. Zie bronnen.

Niet storen is gelardeerd met praktijkvoorbeelden, citaten uit de vakpers en kopstukken uit het veld, en de wereldliteratuur, en is verluchtigd met pastiches en 80 cartoons van eigen hand.
Het bestaat uit drie delen: 
1) De organisatie, 2) De hulpverlening en 3) Vernieuwingen

Het boek sluit af met een beschrijving van de hulpverlening in
de Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp.


Zie ook: Waarom de Riagg-hulp na de Bijlmerramp tekortschoot


                             Over het ontstaan van Niet storen
Een organisatieadviseur in de Riagg Zuidoost was na drie rondes niet staat veranderingen in de zieke organisatie teweeg te brengen. Onder het motto "als praatjes niet meer helpen dan maar plaatjes" verzocht hij Saar Roelofs in 1991 als "cultuurinterventie" cartoons over de organisatie te maken. Na een eerste serie ontstonden in de daarop volgende jaren verschillende versies over de Riagg's in het algemeen. In 1996 werden 80 cartoons in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam tentoongesteld. Een uitgever die de expositie bezocht, vroeg Saar Roelofs er een tekst bij te schrijven. Dat resulteerde in 1997 in Niet storen. In samenspraak met de uitgever is gekozen voor een collagevorm teneinde een toegankelijk boek te maken en geen zware kost.



SAMENVATTING

DEEL I: DE ORGANISATIE

Inleiding 
Het boek opent met een bloemlezing van artikelen door
de landelijke dagbladen waarin onder meer verslag wordt gedaan van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut over het ondermaatse functioneren van de Riagg's in de jaren 1992-1996.

Over de Riagg's
Van 1981 tot 2000 is de ambulante geestelijke gezondheidszorg ondergebracht in 59 Riagg's (afkorting van Regionale Instellingen voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) - met uitzondering van een paar instellingen die nog tot 2015 die naam droegen.  

Na de publicatie van Niet storen zijn de meeste Riagg's gefuseerd met de overige instellingen voor GGZ in hun regio. 

Het ontstaan van de Riagg's: mislukte fusie
In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werden per regio alle reeds bestaande instellingen voor ambulante GGZ, te weten het Medisch-Opvoedkundig Bureau (MOB), de Sociaal-Psychiatrische Dienst (SPD), het Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie (IMP) en het Bureau voor Levens- en Gezinsvraagstukken (LGV), samengevoegd. Er ontstonden drie behandelafdelingen: Psychotherapie (gericht op groei en inzicht), Sociale Psychiatrie (gericht op concrete sociaal-maatschappelijk problemen) en Jeugdzorg. Aan dit conglomeraat van gevestigde instituten werden nieuwe afdelingen toegevoegd die zich gingen bezighouden met de preventie van psychische problematiek en de integratie van vernieuwingen in de traditionele hulpverlening. Zo ontstonden negenenvijftig regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg, de Riagg's. Het doel van de fusie was om de efficiŽntie te bevorderen en de samenwerking tussen de diverse disciplines te verbeteren. 

De fusie is echter nooit goed gelukt. In plaats van samen te werken, legden de hulpverleners de nadruk op het eigen specialisme dat zij meebrachten uit de gespecialiseerde instituten waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Het hulpaanbod sloot vaker aan bij de bestaande methoden en technieken dan bij de hulpvragen van de cliŽnt.

Regels, voorschriften, procedures, protocollen
In Deel I wordt de vergadercultuur, het omslachtige taalgebruik, de frequente schermutselingen tussen collega's en de groepsdruk die het uitdragen van een eigen visie belet, besproken. Het deel beschrijft hoe steeds meer en steeds strakkere regels, voorschriften, procedures, protocollen en gedragscodes worden opgesteld teneinde de conflicten en grensschermutselingen tussen de collega's in toom te houden en hoe dit alles ten koste van de hulpverlening gaat. 

Ook komt de Riagg-taal aan de orde: die is omslachtig, ondoorzichtig, onpersoonlijk en ver verwijderd van concrete onderwerpen die er in de hulpverlening toe doen. De taal camoufleert het gebrek aan communicatie en visie in de Riaggís. Verder wordt ingegaan op het feit dat werknemers vaak tegelijkertijd meerdere functies met tegengestelde belangen vervullen en de onrust die dat in de organisatie teweegbrengt. 

Lees verder: passage uit Is dit geestelijk gezond (Saar Roelofs, 1998)
De bureaucratie in de GGZ: Profijt gaat boven moraal

Hulpverleners psychisch ziek van de slechte sfeer
Ten slotte komt aan de orde dat de manco's in de Riagg-organisatie consequenties hebben voor de gezondheid van het personeel. Uit het onderzoek van het Trimbos-instituut Aan het werk blijkt dat veel Riagg-werknemers ziek worden van de slechte sfeer op het werk, de slechte arbeidsverhoudingen, de slechte onderlinge communicatie, het slechte management en onverenigbare functies of opdrachten. De auteur vraagt zich af hoe hoe hulpverleners in een zieke organisatie zorg kunnen dragen voor de gezondheid van hun cliŽnten. Zij geeft de Riagg Zuidoost als voorbeeld van een zieke organisatie.

Niet storen
De enige plek waar de hulpverleners ongestoord hun gang kunnen gaan, is tussen de vier muren van de behandelkamer achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen. Daar zijn ze eigen baas. Over wat er in de behandelkamer gebeurt, vragen collega's elkaar geen verantwoording.

naar boven

 



DEEL II: DE HULPVERLENING

Het psychiatrisch handboek DSM
In Deel II wordt de hulpverlening in de ambulante GGZ onder de loep genomen.
Een belangrijk punt van kritiek is het gebruik van het Diagnostisch en Statistisch Handboek voor Geestesstoornissen (DSM) bij het stellen van een diagnose. De DSM is namelijk niet geschikt als diagnostisch instrument: DSM-diagnoses bieden geen theorie over het ontstaan van de psychische problemen en evenmin aanknopingspunten voor de behandeling. Op ťťn uitzondering na, en dat is de diagnose Posttraumatische Stressstoornis ofwel PTSS. In de PTSS ligt de oorzaak al in de naam besloten: de stoornis ontstaat post, dat is na, een trauma. Bovendien bestaan voor een PTSS effectieve behandelingsmethoden die aansluiten op de problematiek van de getraumatiseerde mensen.

Schijnzekerheid
De DSM geniet een groot aanzien in de GGZ.
Hoe valt de populariteit van dat handboek te verklaren? Die populariteit hangt niet samen met de wensen en noden van de cliŽnt en al evenmin met een hulpverleningsfilosofie. De beweegreden om dit handboek te gebruiken moet gezocht worden in de organisatiestructuur van de GGZ: in de grote nadruk op beheersing en controle, op regels, procedures en voorschriften, in de angst voor onvoorspelbaarheid en vernieuwing. De organisatie is overgestructureerd. Alles ligt vast, tot in de meest onbenullige details. De DSM past in het heersende waardensysteem. Het geeft de hulpverlener datgene waaraan hij of zij gewend is: een technisch protocol, een atheoretisch systeem van regels en richtlijnen waaraan hij/zij zich dient te onderwerpen en waarin weinig ruimte is voor persoonlijke betrokkenheid.  Met een DSM-'diagnoseí reduceert de hulpverlener de belevingswereld van de cliŽnt tot een codenummer en een paar technische termen. De DSM biedt, kortom, schijnzekerheid.

Lees verder: ingekorte passage uit Niet storen 
De DSM is niet geschikt voor het stellen van een psychiatrische diagnose

"Riagnose"
Hoewel de DSM als diagnostisch instrumentveel aanzien geniet, nemen de hulpverleners het doorgaans  niet zo nauw met een zorgvuldige classificatie volgens de richtlijnen van de DSM. Zij gebruiken het handboek als een soort catalogus van etiketten. Omdat er in de GGZ geen sprake is van een diagnose in de zin van een 'doorwetení of een 'doorschouwení van wat er met een cliŽnt aan de hand is, introduceert de auteur het begrip riagnose ter aanduiding van een pseudo-diagnose in de Riagg. 

Onsamenhangende dossiers
Riagg-dossiers worden in het algemeen slecht tot zeer slecht worden bijgehouden. De dossiers zijn onvindbaar, onleesbaar en onbegrijpelijk. Intakeverslagen zijn vaak rommelige documenten waarin de informatie over de cliŽnt onsamenhangend en fragmentarisch wordt verstrekt. De wel goed verzorgde intakeverslagen, die twee tot twaalf getypte kantjes beslaan, bevatten naast een beschrijving van de klachten een uitvoerige levensbeschrijving. De intakeverslagen bieden geen aanknopingspunt voor de behandeling. Er worden geen aantekeningen over het verloop van de behandelingen gemaakt en de behandeling wordt noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd. Zie het onderzoek Riagg-dossiers nader bekeken.

Vanaf 1 januari 2008 dient aan een DSM-diagnose een standaardbehandeling te worden gekoppeld. Men spreekt over een zogeheten Diagnose Behandeling Combinatie (DBC).
In haar boek
Wie is er nu gek? uit 2008 legt Saar Roelofs
uit welke bedenkingen ze bij de DBC heeft.


GEEN AANDACHT VOOR DE BUITENWERELD
ALS BRON VAN PSYCHISCHE PROBLEMEN

De wereld in de cliŽnt i.p.v. de wereld waarin de cliŽnt leeft
Na het stellen van de 'diagnose' volgt een meestal ongerichte behandeling, dat wil zeggen een behandeling zonder een duidelijk behandelplan, evaluaties en een zorgvuldige dossiervoering. Daarbij staat niet de hulpvraag van de cliŽnt centraal maar de voorkeur van de hulpverleners voor een puur verbale hulpverlening aan relatief jonge, goed opgeleide, witte cliŽnten met vage klachten. De auteur spreekt over een voorkeur voor 'puzzelen': in het verleden of de kindertijd van de cliŽnt zoeken naar puzzelstukjes die de huidige problematiek van de cliŽnt zouden kunnen verhelderen. Het 'puzzelen' geniet een hoge status in de GGZ. Voor de behandeling van migranten of oudere en minder goed opgeleide cliŽnten bestaat weinig animo; evenmin voor het behandelen van concrete, in de buitenwereld opgelopen psychische problemen met praktijkgerichte oefeningen. 

Voorgeschiedenis
Hoe kon een uitsluitend op het innerlijk van de cliŽnt gerichte hulpverlening in de Riagg's zo'n stevige voet aan de grond krijgen? Om dat te begrijpen, is het nodig om terug te gaan in de tijd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ten behoeve van de hulp aan oorlogsslachtoffers Instituten voor Medische Psychotherapie (IMP's), opgericht. In een publicatie uit 1990 in het Maandblad Geestelijk volksgezondheid met de titel Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip, betoogt de (inmiddels emeritus) hoogleraar psychiatrie in het AMC, Berthold Gersons, dat psychotherapeuten destijds maar weinig aandacht voor de oorlogstrauma's van hun cliŽnten hadden:

"In de beslotenheid van een instituut of praktijk waar de samenleving verder geen deel meer aan had en ook geen berichten meer over ontving, vond een psychotherapeutische interventie plaats, veelal ontkoppeld van een traumatisch oorlogsverleden." 

Het trauma van de oorlog werd - in termen van Gersons - ingeruild voor een "vroegkinderlijke emotionele oorlog" met psychoanalytische theorieŽn als uitgangspunt. 

Status
Wanneer de IMPís als afdelingen Psychotherapie in de Riaggís terechtkomen, schenken ze nog steeds weinig aandacht aan in de buitenwereld opgelopen psychische pijn en trauma's (zie onderzoek van het Trimbos-instituut: Beroep Psychotherapeut). In het kielzog van de psychotherapeuten richten de meeste Riagg-hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie, die tot taak heeft zich bezig te houden met concrete sociaal-maatschappelijke problemen, zich ongeacht hun discipline Ė maatschappelijk werk, sociaal-psychiatrische verpleegkunde, psychologie of psychiatrie Ė bij voorkeur op de binnenwereld van de cliŽnt en negeren zij  pijnlijke ervaringen of traumatische gebeurtenissen (zie de onderzoeken van het Trimbos-instituut: Vraag en aanbod in de Riagg en Riagg en werk). Specialistische, landelijke instellingen als het Instituut voor Psychotrauma, Stichting Centrum í45 en het SinaÔ Centrum zijn de leemten die de Riagg's het gebied van traumabehandeling achterlieten, gaan opvullen. 

Waarom is de benadering van de psychotherapeuten zo populair? Verschillen in behandelingsfilosofie blijken gepaard te gaan met een verschillen in status. Als ongeschreven regel geldt dat een hulpverlener (m/v) veel aanzien geniet wanneer zijn/haar werkwijze gericht is op innerlijke psychische conflicten en het verleden van de cliŽnt; wanneer zijn/haar rol als deskundige zwaar weegt; en wanneer zijn/haar cliŽnt wit, jong en hoog opgeleid is en vage problemen heeft, dus zonder opvallende sociaal-maatschappelijke problemen en actuele noden. In de Amerikaanse vakliteratuur spreekt men van YAVIS-cliŽnten. YAVIS staat voor Young, Attractive, Verbal, Intelligent en Succesful. Van alle medewerkers in de Riaggís genieten de psychotherapeuten met hun traditionele, diepgravende verbale therapieŽn voor jonge, goed opgeleide witte cliŽnten met vage klachten dan ook het meeste aanzien. 

"Puzzelen" is leuk en klachtgerichte hulp is saai
De hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie willen niet alleen de doeners zijn die bij concrete problemen, wanneer de psychotherapeuten het laten afweten, de handen uit de mouwen moeten steken. Zij willen ook afdalen in het onderbewustzijn van hun cliŽnt. Ze willen net als de psychotherapeuten "puzzelen". Daarvoor hebben de hulpverleners een dermate grote voorkeur dat ze dat het liefst bij iedere cliŽnt doen.

In het verlengde van deze voorkeur wordt in de hulpverlening zelden systematisch gewerkt. Er worden doorgaans geen checklists gebruikt die aanwijzingen zouden kunnen geven voor traumatische ervaringen of andere stressvolle levensgebeurtenissen. Ook is er in de hulpverlening zelden of nooit sprake van concrete, klachtgerichte behandelingen die cliŽnten relatief snel op de been zouden kunnen helpen. Want daarvoor is geduld nodig, een methodische aanpak waarbij de hulpverlener de cliŽnt systematisch, stapje voor stapje begeleidt om zijn of haar psychische problematiek om te buigen in gezonder gedrag. Bij de behandeling van een PTSS, bijvoorbeeld, dient de hulpverlener de cliŽnt eerst te trainen in ademhalings- en ontspanningsoefeningen om hem of haar vervolgens geleidelijk met de traumatische herinneringen te confronteren. Dat vindt het merendeel van de hulpverleners saai. Op zo'n pragmatische aanpak kijken zij neer. De hulpverleners sluiten dus niet aan bij de noden van cliŽnt maar voelen de behoefte om zich met wat doorgaat voor ďdieptepsychologie" te onderscheiden. 

Zout in de wonde
Wanneer bij een cliŽnt sprake is van problemen die te wijten zijn aan een expliciete, in heden of verleden opgelopen trauma, wordt dan ook zelden de DSM-diagnose PTSS gesteld. Meestal is dat de DSM-diagnose Persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidstoornis is in termen van de DSM een duurzaam, star gedragspatroon dat nauwelijks voor verandering vatbaar is en de 'persoonlijkheid' of het 'karakter' van de cliŽnt vertegenwoordigt. Zo kan het gebeuren dat misbruikte of verkrachte mensen als diagnose een van de Persoonlijkheidsstoornissen uit de DSM krijgen. In deze visie is niet het misbruik of de verkrachting abnormaal maar de persoon die een dergelijke gebeurtenis ondergaat. En dat is voor de cliŽnt zout in de wonde.

Als puntje bij paaltje komt
Overigens, als puntje bij paaltje komt, heeft de "dieptepsychologische" benadering van hulpverleners uit de behandelafdelingen niet veel om het lijf: die benadering blijft meestal steken in een vrijblijvend gepeuter in het verleden van de cliŽnt. 

Waartoe heeft de behoefte van hulpverleners aan "puzzelen" geleid?
zie hieronder:
Traumabehandeling in 2019

De hulpverlener waant zich onmisbaar. 
De hulpverleners zijn geneigd zichzelf een centrale rol in het leven van de cliŽnt toe te schrijven. Ze zien hun cliŽnten niet zelden als hulpeloos en onmondig, en vinden het soms moeilijk om zich voor te stellen dat de cliŽnt een eigen leven heeft - los van de hulpverlening; dat hij/zij zelf beslissingen neemt.

De hulpverlener waant zich onfeilbaar
De hulpverleners menen in de regel dat ze geen fouten kunnen maken. Wanneer een cliŽnt ontevreden over een behandeling is, wordt zijn/haar klacht in de regel niet serieus genomen maar psychiatrisch geduid. Dan vindt de hulpverlener dat er sprake is van bijvoorbeeld 'overdracht', 'ageren', 'een dominante persoonlijkheid', 'onverwerkte agressie' of 'een aanklagende houding'. Volgens de hulpverlener is de onvrede van de cliŽnt een onderdeel van de problemen waarvoor hij/zij in therapie kwam. De hulpverlener kan ook menen dat er Ė in plaats van ontevredenheid over de behandeling Ė sprake is van 'weerstand'. 'Weerstandí is een blokkade in de therapie die voortkomt uit de angst van de cliŽnt dat er pijnlijke gevoelens worden losgemaakt. Een ontevreden cliŽnt die het hulpverleningsjargon niet kende, staat machteloos tegenover dergelijke interpretaties van zijn of haar klachten: of een bepaald gedrag voortspruit uit onbewuste motieven, is noch te bewijzen noch te weerleggen. De cliŽnt kan er niets tegen inbrengen. Zo heeft de hulpverlener altijd gelijk. De klachten over de hulpverlening keren bij de cliŽnt terug als een boemerang.

Boemerang

Angst voor de trauma's van de cliŽnt 
Ondanks het feit dat in de Riaggís een
uitsluitend op het innerlijk van de cliŽnt gerichte hulp de meest favoriete aanpak is, overheerst bij de behandeling van traumaís - of een vermoeden daarvan - het 'toedekken'. Met 'toedekken' proberen hulpverleners pijnlijke of schokkende ervaringen van de cliŽnt onder de oppervlakte te houden of uit het bewustzijn te weren omdat de psychische draagkracht van de cliŽnt om de traumatische gebeurtenis te verwerken te gering zou zijn; omdat de cliŽnt de herinneringen niet aan zou kunnen en depressief, suÔcidaal of psychotisch zou worden. In sommige gevallen kan 'toedekken' een goede aanpak zijn, bijvoorbeeld bij cliŽnten die in een onstabiele, onveilige situatie verkeren. Vaak echter druist de 'toedekmethode' regelrecht in tegen de noden van de cliŽnt. 
Eigen observaties van de auteur hebben geleerd dat het 'toedekken' van trauma's vaak niet gericht is op het welzijn van de cliŽnt maar op het toedekken van de angst van de hulpverlener voor de traumatische ervaringen van de cliŽnt. Ook weren hulpverleners klachten van hun cliŽnt af wanneer deze raken aan hun eigen onverwerkte emotionele problemen.

In haar boek Wie is er nu gek? uit 2008 wijdt Saar Roelofs uit over emotionele blokkades van de hulpverlener en hoe die een goede hulp in de weg kunnen staan. Zie in het kort: tegenoverdracht.

                   Hulpverlener (r), bang voor het trauma van de cliŽnt.

Beschrijving van diverse soorten trauma's en effectieve behandelprogramma's
In Niet storen  beschrijft de auteur diverse vormen van trauma's, van eenmalige schokkende gebeurtenissen zoals een natuurramp, een verkrachting of een verkeersongeluk, tot complexe trauma's zoals in de kindertijd terugkerende mishandelingen of seksueel misbruik. Verder presenteert zij effectieve methodes om trauma's op te sporen en te verwerken.

Teleurgestelde cliŽnten
In Deel II komt ook het onvermogen van veel hulpverleners en organisaties om met feedback van progressieve collega's, cliŽnten, cliŽntenorganisaties en de kritische vakliteratuur om te gaan aan bod.
Kritische rapporten van cliŽntenorganisaties laten zien dat veel cliŽnten teleurgesteld zijn in de hulpverlening. Niet iedere teleurgestelde cliŽnt weet echter de weg naar de cliŽntenorganisaties te vinden. Zij raken verstrikt in de hulpverlening. 

Lees verder: passage uit Niet storen Verstrikt in de hulpverlening

naar boven


DEEL III: VERNIEUWINGEN 

Preventie, Innovatie & Onderzoek
In Deel III wordt aandacht besteed aan vernieuwingen door vooruitstrevende afdelingen in de Riagg's, de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek. Die afdelingen benadrukken dat behalve aan innerlijke psychische processen ůůk aandacht moet worden besteed aan de sociaal-maatschappelijke factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan en de instandhouding van de psychische problemen; dat er niet alleen aandacht moet worden besteed aan de wereld die in de cliŽnt leeft, maar ook aan de wereld waarin hij of zij leeft. Tot hun taken behoren:  

1) De opzet van nieuwe hulpverleningsprogramma's die gericht zijn op concrete, sociaal-maatschappelijke problemen van cliŽnten. Zo ontwerpen zij programma's voor mensen met arbeidsgerelateerde problemen, vluchtelingen en getraumatiseerde vrouwen en meisjes. Daarvoor is samenwerking met de behandelafdelingen nodig.

2) De vroegsignalering en preventie van psychische problemen bij kwetsbare groepen in de samenleving zoals mensen met een migratieachtergrond, vluchtelingen, ouderen, arbeidsongeschikten en chronisch psychiatrische patiŽnten. Preventie en vroegsignalering zijn erop gericht de zelfredzaamheid te vergroten zodat cliŽnten het niet op een behandeling hoeven laten aankomen. D
eze projecten worden door de Preventieafdelingen zelfstandig uitgevoerd.

In Deel III worden diverse preventie- en innovatieprojecten beschreven. (Zie ook de conclusie van het onderzoek van het Trimbos-instituut: Vraag en aanbod in de Riagg.)

Vernieuwingen van de hulp en preventie van psychische problemen worden niet serieus genomen
Wegens weerstand daartegen komen de innovatieprojecten niet van de grond. De hulpverleners hebben immers een voorkeur voor een diepgravende therapie bij witte, goed opgeleide en maatschappelijk succesvolle cliŽnten met vage klachten. De medewerkers van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek kunnen bij de integratie van nieuwe hulpverleningsprogramma's dan ook meestal niet op de steun van de behandelafdelingen rekenen. Sterker, op hun werk wordt neergekeken. Om dezelfde redenen worden ook de zelfstandig uitgevoerde projecten ter preventie van psychische problemen doorgaans niet serieus genomen. Er dreigt dan ook een exodus van medewerkers uit de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek. Zie: GGZ-preventie. Een verslag van een conferentie.

Waartoe heeft de achterstelling van preventie geleid? 
zie hieronder: De huidige verwaarlozing van preventie van psychische problemen


De Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp: een kortstondige metamorfose

In het laatste hoofdstuk van Deel III wordt aandacht besteed aan de tijdelijke, positieve ontwikkelingen in de Riagg Zuidoost Amsterdam na de Bijlmerramp.
Hieronder volgt een ingekorte versie (zie bronnen).

De organisatie: van binnen naar buiten
Op 4 oktober 1992 boort zich op een steenworp afstand van de Riagg in Amsterdam Zuidoost een vrachtvliegtuig van El Al in de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg in het hartje van de Bijlmermeer. Er komen 43 mensen om het leven. Alle Riagg-medewerkers zijn geschokt en aangedaan. In de eerste periode na de ramp is de Riagg in rep en roer. Hulpverleners, managers, secretariaatsmedewerkers, iedereen draaft door de gangen op zoek naar elkaar, naar houvast, naar orde in de chaos. De tientallen behandelkamertjes in hoofdbouw, aanbouw en noodbarakken worden in de geheel gelijkvloerse Riagg door een wirwar van gangen met elkaar verbonden. In het centrum van dit conglomeraat van bouwsels vormen twee hoofdgangen een kruispunt. Hier worden de belangrijkste beslissingen genomen, hier overlegt iedereen met iedereen, hier vraagt men elkaar om raad zonder onderscheid naar afdeling, discipline of behandelteam.

De cliŽnten lopen af en aan. Zij vragen om hulp bij de verwerking van de schokkende gebeurtenis en om advies bij tal van praktische problemen. De directe beschikbaarheid voor de cliŽnten wordt nu belangrijker geacht dan bureaucratische regelgeving. In de eerste week na de ramp is de Riagg tot elf uur 's avonds en ook in het weekend open. Op nieuwe inschrijfformulieren vult men alleen de allernoodzakelijkste gegevens in. Vertegenwoordigers van uiteenlopende disciplines en methoden werken intensief samen om zo snel mogelijk een passend hulpaanbod te creŽren. 

84% van de rampslachtoffers heeft een migratieachtergrond. Kort na de ramp neemt het management een door de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek opgesteld migrantenbeleid aan dat een betere hulp voor migranten mogelijk maakt. Er worden extra hulpverleners met een migratieachtergrond aangetrokken.

De houding naar buiten is ongekend open. De omvang van de ramp dwingt alle instellingen voor GGZ in de regio tot een intensieve en flexibele samenwerking. Binnen twee weken na de ramp ligt een gezamenlijk beleidsplan op tafel. De Riagg trekt de regio in om voorlichting te geven. Er wordt een voorlichtingsfolder in zeven talen verspreid. De Riagg Zuidoost, wegens haar geslotenheid en abominabele huisvesting in de regio ook wel De Bunker genoemd, breekt open.

De wanorde in de Riagg leidt tot vele creatieve aanpassingen die zowel de cliŽnten als de medewerkers ten goede komen. De vliegramp ontwricht de organisatie maar daagt tevens uit tot het zoeken naar nieuwe vormen. De ramp laat zien dat er in de organisatie een potentieel aan creativiteit, flexibiliteit en bezieling schuilt dat dwars op het gangbare systeem staat. De kwaliteiten van de individuele medewerkers komen nu maximaal aan bod. Tegelijkertijd wordt er een collectief doel nagestreefd. Individuele verantwoordelijkheid, eigen initiatief en een persoonlijke visie staan nu niet meer haaks op de organisatiestructuur. Integendeel, deze kwaliteiten staan nu in dienst van een hoger doel. De vliegramp creŽert een paradoxale situatie: de desintegratie van het gangbare hulpverlenings- en organisatiemodel heeft tot gevolg dat de Riagg-medewerkers als geÔntegreerde personen kunnen functioneren. Het is niet voor niets dat de uitdrukking die de Chinezen voor 'crisis' gebruiken -wei-ji - is samengesteld uit de karakters voor 'gevaar' en 'gunstige gelegenheid'.

De hulpverlening: van diagnose naar verhaal

De cliŽnten. Op de avond van de vliegramp wordt het leven van talrijke mensen in de Bijlmermeer in ťťn klap totaal ontwricht. Mensen hebben hun buurtgenoten van balkons zien springen, zijn in paniek hun kinderen kwijtgeraakt, hebben tussen de wrakstukken naar familie, dierbaren of vrienden gezocht. Weer anderen hebben vanuit hun flat het vliegtuig regelrecht op hun overburen zien invliegen. Zij slapen nauwelijks, eten slecht. Voelen niets meer. Of juist te veel: "Zelfs mijn haren en nagels doen pijn". Zij verkeren in doodsangst bij ieder overvliegend vliegtuig. Hebben nachtmerries. Komen het huis niet meer uit en overleven met restjes uit hun ijskast. Zwerven verdwaasd rond de plaats van de ramp. Mensen komen geheel ontredderd naar de Riagg. Zo staat er 's avonds ineens een oudere vrouw bedremmeld in de hal: zij heeft twee van haar dochters zien verbranden en kan de beelden niet van zich afzetten. Er melden zich weinig nabestaanden. Het zijn vooral ooggetuigen en omwonenden die bij de Riagg aankloppen.

Het hulpaanbod. Ten overstaan van het immense leed waarmee zij nu op directe wijze worden geconfronteerd, laten de hulpverleners hun houding van autoriteit los. De directeur van het Instituut voor Psychotrauma, Carlo Mittendorff, wordt aangetrokken om bijscholing te geven. Hij geeft informatie over van de preventie en de behandeling van een PTSS. Hij wijst op noodzaak van een gebeurtenisgerichte benadering waarin het verhaal van de cliŽnt centraal staat en waarin geen plaats is voor rigide psychiatrische DSM-classificaties of Ďriaggnoses'. Binnen vier weken na de ramp is een hulpaanbod voor ooggetuigen en omwonenden gereed. Dat aanbod is gericht op de preventie van een PTSS. De voorlichtingsfolder  over de psychische en fysieke gevolgen van schokkende gebeurtenissen vormt het uitgangspunt van de behandelingen. De hulp geschiedt in groepen die steeds worden geleid door ťťn hulpverlener met een migratie- en ťťn met een Nederlands achtergrond Ė in het Nederlands, Engels of Papiamento. De belangrijkste kenmerken van dit hulpaanbod zijn als volgt:

De belangrijkste kenmerken van dit hulpaanbod zijn als volgt:

De hulpvraag van de cliŽnt staat centraal. Het vertellen van de schokkende ervaringen vormt het kernproces in de hulpverlening. 

Er is aandacht voor zowel de sociale en maatschappelijke situatie als voor de lichaamsbeleving van de cliŽnt. 

Voor de cliŽnt is de diagnose helder: zijn of haar klachten vormen normale reacties op abnormale gebeurtenissen; ze vormen adequate pogingen om aan de in de buitenwereld opgelopen stress het hoofd te bieden en zijn geen tekenen van een intrapsychisch conflict. 

De hulpverlener legt de nadruk op het gezonde en krachtige deel van de cliŽnt. 

In sommige gevallen komen nu voor het eerst ook vroegere pijnlijke of schokkende gebeurtenissen aan de orde die voorafgaande aan de ramp in de regel werden Ďtoegedekt'. 

Er vindt in de Ragg Zuidoost een ware metamorfose plaats. 

Terug naar af

De metamorfose is echter van korte duur. Niet lang na de ramp wordt het vonkje collectieve empathie gedoofd. Wegens verzet van de hulpverleners tegen de vernieuwingen schakelt het management over op een autoritaire handelswijze die zich vertaalt in het terugdraaien van het migrantenbeleid en in censuur. De hulpverleners trekken zich weer terug tussen de vier muren van hun behandelkamers achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen. Opnieuw worden er 'riagnoses' gesteld. De organisatie sluit zich.

Hoopvol

Met het boven beschreven kortstondige hulpaanbod liep de Riagg Zuidoost anno 1992 spontaan vooruit op de alom aanbevolen ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg, waarin de behoefte van de cliŽnt centraal staat en niet die van de hulpverlener of organisatie. Er was sprake van een collectieve inzet van het Riagg-personeel, waaraan geen reglement, strategie of kwaliteitsbewakend systeem te pas kwam. Hiermee vervulde de Riagg Zuidoost tijdelijk een voorbeeldfunctie voor andere Riaggís. Ook al werden de vernieuwingen in de kiem gesmoord, toch stemt het feit dat die ontwikkelingen daadwerkelijk van de grond kwamen hoopvol. Liefde voor het vak, bezieling, creativiteit en respect voor de belevingswereld van de cliŽnt zijn in de organisatie kennelijk wel aanwezig, zij het dat ze slechts onder extreme omstandigheden worden aangeboord.

Niet storen eindigt met de vraag of het mogelijk is die positieve krachten opnieuw te mobiliseren.  

Lees verder: Waarom de Riagg-hulp na de ramp - ondanks de bijscholing - tekortschoot 


naar boven

 

                     In haar boek WIE IS ER NU GEK? (Scriptum, 2008) 
                      gaat Saar Roelofs dieper in op de therapeutische relatie.

                                                        © Copyright tekst en cartoons: Partner Productions

REACTIES

RECENSIES

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items." "Pakkende cartoons."
"Het boek gaat in feite over zelfin- genomenheid en opportunisme van hulpverleners." Tijdschrift voor Psychiatrie, 40, 1998, D.P. Ravelli. 

"Roelofs' bezwaren sluiten aan bij de kritiek die de laatste tijd vaak klinkt." 
"Een boek met een ontegenzeglijke kracht."Zorg en Welzijn, 2 mei 1997, Lucie Th. Vermij. 

"Een boek dat er niet om liegt. Een levendige beschrijving van hoe het er in de RIAGGs aan toegaat. De moeite van het lezen waard."  Opzij, juni 1997, Margot Minjon.

"Herkenbaar. Roelofs beschrijft niet alleen wat er mis is, maar ook hoe het beter kan." Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, november 1997, J.H. Hoogeveen.

"Niet storen laat op indringende wijze  zien hoe de hulpverleners vastlopen in de fuik van het overleg, Orwelliaanse taal spreken en de patiŽnt in de kou laten staan. Maar geen loodzwaar boek omdat de kritiek met een knipoog en een kwinkslag is verwoord. Een eye-opener voor iedereen die werkzaam is in de GGZ." Modern Medicine, augustus 1997.

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk.dat belangrijke vragen stelt." "Een opbouwend boek, verplichte kost voor alle GGZ-hulpverleners, klanten, financiers en -controleurs." "Hopelijk gaan cliŽnten aan hun hulpverlener nu lastige vragen stellen over hun diagnose." Amsterdamse PatiŽnten Krant, oktober 1997.

"Saar Roelofs legt trefzeker de vinger op de zere plek." "Tachtig pakkende prenten." "Nuttig voor wie in behandeling gaat." Bulletin CliŽntenbond in de GGZ, maart 1997.

"Ook wanneer je nog nooit een voet in een Riagg hebt gezet, is het een heerlijk leesbaar boek dat wederom kanttekeningen zet bij de Riagg's die sinds hun oprichting in 1982 veel kritiek oogsten." Caleidokrant, december 1997.

 INTERVIEWS 

De tv-actualiteitenrubriek EenVandaag wijdt een 10 minuten special aan Niet storen en noemt het "een treffend en geestig boek". Marc Schrikkema, 12 juli 1997.

De Groene Amsterdammer interviewt de auteur en benadert vervolgens professionals in het veld die Niet storen onderschrijven. Eveline Brandt, 14 mei 1997.

"Lekker peuteren in het verleden."  Maurits Schmidt, Het Parool, 27 maart 1997.

"De Riaggs': zijn ze wel zo gezond voor de geest?" Sandra van der Werd & Lucia Kooiman, CliŽntenbond in de GGZ, maart 1999.

OVERIGE REACTIES

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend is zeer verontrustend. Niet storen beschrijft die processen haarfijn." 
"Uitstekende beschrijvingen van de doodlopende wegen die hulpverleners met elkaar menen te moeten kiezen."
Uit een brief van 
Jos H. Dijkhuis, oud hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie, aan de auteur.

"Zoals u schrijft, zo is het!  De cartoons zetten scherpe puntjes op de i." 
"Verplichte kost voor voor besturen van Riagg's, de Inspectie, het ministerie van VWS."
"De ziekte der ontkenning is de belangrijkste oorzaak van het slechte functioneren van de GGZ."
Uit een brief van Dr. E. Dekker (Beleidsmedewerker ministerie VWS) aan de auteur.

"Ik heb Niet storen met een stroom van momenten van herkenning gelezen. De GGZ heeft mensen zoals u nodig die de moed hebben om open en zonder omwegen processen van schijnhulpverlening bloot te leggen."
Uit een brief van Peter van Overmeir (afdelingshoofd Volwassenzorg Riagg Gooi en Vechtstreek) aan de auteur.

"Een prachtig boek."
Uit en brief van dr. Ad Beenackers. (wetenschappelijk onderzoeker naar Riagg-dossires, medewerker Riagg Gooi- en Vechtstraak)

"Ik heb genoten van het boek."
Berthold Gersons, hoogleraar Psychiatrie AMC, mondelinge mededeling, 1997.

Het Ambulatorium (centrum ambulante geestelijke gezondheidszorg) van de Universiteit van Utrecht koopt tien cartoons aan.

Niet storen wordt opgenomen in het curriculum van de Postdoctorale opleiding Psychotherapie voor Centraal Nederland.

UIT BRIEVEN VAN LEZERS

De auteur ontvangt nog minsten tien jaar na publicatie van Niet storen brieven en e-mails van (ex)cliŽnten in de GGZ die zich door het boek gesteund voelen.Hieronder een selectie.

"Nadat ik een interview met u op t.v. had gezien, heb ik uw boek Niet storen aangeschaft en in ťťn ruk uitgelezen. Voor mij betekent dit boek veel, want ik ben als cliŽnt in de geestelijke gezondheidszorg precies die dingen tegengekomen die u beschrijft (en niet alleen bij de Riagg!). Iedere keer als ik mijn kritiek op de gang van zaken uitte, werd dat (zoals u ook beschrijft) door de hulpverleners gebombardeerd tot deel van mijn probleem. Ńlle problemen werden teruggevoerd tot de relatie met mijn ouders (tunnelvisie). Ik stootte keer op keer mijn neus tegen een muur van dogmatisme, onwetendheid en tactloze uitspraken. Op een gegeven moment was ik het strijden moe. Ik ben opgestapt. Inmiddels was ik bijna echt gaan geloven dat wat ik van de dingen vond, deel van mijn probleem was (de druk die uitgeoefend werd was heel groot). Na het lezen van uw boek wist ik zeker dat ik wel kan vertrouwen op mijn eigen waarnemingen, visie en beoordelingsvermogen. Bedankt voor het boek. Ik heb ondanks de woede die weer bovenkwam erg gelachen bij het lezen. Ik heb zo een aantal ervaringen beter kunnen verwerken en heb het idee vast kunnen houden dat ik echt niet gek was dat ik bepaalde dingen die in de behandeling gebeurden belachelijk vond."  

"Ik heb vele wanhopige momenten gekend onder de "vleugels" van hulpverleners die mij echt onmenselijk behandelden. Uw boek heeft me zo goed gedaan! Eindelijk iemand die het zegt!"

"Ik heb hele slechte ervaringen met de Riagg. Ik werd er alleen maar beroerder van. Toen ik een interview met u las, dacht ik: kon ik maar met haar praten."

 

NEGATIEVE REACTIES

"Een dom boek." Psy, uitgave van GGZ Nederland, 27 april 1997, Maria van Rooijen.

"Een sluwe ontmaskering van een stalinistisch systeem", "doordrenkt van giftig zuur". Riagg-medewerker Jaap van der Stel in Tijdschrift voor de Sociale Sector, juni 1997.

"Borrelpraat dat een droge mond en een kater achterlaat." Sociale Psychiatrie, oktober 1997.

In Dagblad Trouw misleidt Aldert Schipper de lezers door een paar cartoons uit Niet storen te beschrijven alsof het passages uit de lopende tekst betreft, vervolgt dat er ook cartoons in het boek staan en besluit dat de auteur "een bedroefde therapeute" is die niet kan tekenen. Trouw, 11 april 1997.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Traumabehandeling in 2019

 

                    
                  De huidige zorgen over hulp aan mensen met een PTSS

Zorginstituut Nederland is een instelling die de kwaliteit van de gezondheidszorg bevordert en over de inhoud van de verplichte zorgverzekeringen adviseert. In het kader van het programma Zinnige Zorg brengt het instituut op 3 juli 2018 het rapport Screeningsfase, Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ) uit waarin het instituut een systematische doorlichting van de GGZ presenteert. Het instituut spreekt hierin zijn zorg uit over patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS, als volgt:

Aantallen. Ruim tachtig procent van de Nederlanders maakt in hun leven ten minste ťťn traumatische ervaring mee. Gemiddeld ruim zeven procent  ontwikkelt op enig moment in het leven een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). Dit percentage ligt bij de mensen die in behandeling zijn bij de GGZ nog hoger.

Onbehandelde PTSS. Bij patiŽnten die zich met psychische problemen voor hulp melden, worden de gevolgen van traumatische ervaringen niet altijd herkend en behandeld. Op basis van de systematische analyse lijkt de zorg voor mensen met PTSS beter te kunnen: de behandeling geschiedt vaak niet volgens de richtlijnen. Ook de zorg van mensen met PTSS die daarnaast andere psychische stoornissen hebben, kan beter. Er zijn effectieve behandelingen voor PTSS beschikbaar.
Uit Europees bevolkingsonderzoek blijkt dat PTSS tot de vijf psychische aandoeningen behoort die het zowel het psychisch als het lichamelijk functioneren het meest ongunstig benvloed. Een niet ontdekte PTSS leidt tot een slechtere lange termijn prognose en tot hogere zorgkosten.

Herkenning PTSS. Bij een vermoeden van een PTSS is het van belang door te vragen. Wanneer het moeilijk blijkt om de kans op een PTSS in te schatten, kan er gebruik worden gemaakt van vragenlijsten waarvan er diverse soorten in omloop zijn.

Verdiepingsfase. Na de boven beschreven Screeningsfase gaat het Zorginstituut Nederland dit onderwerp verder onderzoeken in een verdiepingsfase. Het doel van die tweede fase is te komen tot concrete aanbevelingen voor verbeteringen op het gebied van patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS.

De resultaten van de verdiepingsfase worden eind 2019 verwacht.

Bronnen
- Screeningsfase. Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Zorginstituut Nederland, 3 juli 2018.
- Brief van Zorginstituut Nederland aan minister Bruins van VWS dd 5 juli 2018

Een voorbeeld

Onvoldoende beschermd. In juni 2019 publiceert de Commissie De Winter het rapport Onvoldoende beschermd, Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden. Hierin staat dat een op de tien personen die vanaf 1945 in jeugdzorg verbleef als kind te maken heeft gehad met fysiek, psychisch en seksueel geweld. 

Volgens de Commissie De Winter kunnen door geweld getraumatiseerde mensen moeilijk goede hulp vinden. De commissie beveelt dan ook aan de kennis van diagnose en behandeling van complexe traumagerelateerde problematiek te vergroten. 

Bronnen
- Onvoldoende beschermd. Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden. Commissie De Winter.
- Kinderen in jeugdzorg stelselmatig vernederd en mishandeld. De Volkskrant, Anneke Stoffelen, 13 juni 2019 

naar boven

 

Preventie-expertise verdwijnt

In 2013 deed het Trimbos-instituut onderzoek naar de plaats van preventie in de GGZ (GGZ- en verslavingspreventie in het nieuwe zorglandschap). Het instituut concludeerde dat er binnen GGZ-instellingen steeds minder plaats is voor aparte Preventieafdelingen en dat preventie-expertise in rap tempo verdwijnt.

Sinds de invoering van de Jeugdwet in 2014 zijn de gemeentes verantwoordelijkheid voor preventieactiviteiten voor jeugdigen. Met de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) uit 2015 zijn de gemeenten ook verantwoordelijk voor ondersteuning van mensen met chronische psychische of psychosociale problemen. Het gemeentebeleid komt echter niet altijd even goed van de grond.

In een brief uit december 2016 aan de Vaste commissie voor VWS in de Tweede Kamer trekt GGZ Nederland aan de bel om aandacht te vragen voor de preventie van psychische stoornissen. Enkele citaten uit deze brief:

"Preventie tussen wal en schip"

"Zoals al in eerdere brieven geschreven, zien wij, zowel op landelijk als op lokaal niveau, dat het belang van preventie van psychische aandoeningen onvoldoende onderkend wordt. Voor psychische aandoeningen en verslavingen zien we dat effectieve preventie-interventies helaas nog niet door het hele land worden ingezet en zijn vastgelegd in lokaal beleid. En dat is jammer, want er is voldoende bewijs dat preventie van psychische aandoeningen en verslaving loont. Niet alleen willen wij wijzen op het belang van preventie, ook brengen we de knelpunten in het systeem onder uw aandacht. Immers de investeringen en de baten van preventie en vroegsignalering liggen niet bij ťťn partij. Dit zorgt ervoor dat preventie in de praktijk vaak tussen wal en schip valt."

"Vroegsignalering en preventie bieden kansen om hulp tijdig in te zetten en problemen Ďkleiní te houden. (Ö) Wij constateren in de praktijk dat er meer inzet nodig is op selectieve en geÔndiceerde preventie*. Preventie en vroege interventies bij psychische problemen is een verwaarloosd onderwerp, terwijl het wel mogelijk ťn kostenefficiŽnt is."

*Selectieve preventie: preventieve activiteiten voor groepen met een verhoogd risico op een psychische stoornis. 
GeÔndiceerde preventie: preventieve activiteiten voor mensen individuen
met beginnende psychische klachten.

Bron: Brief van GGZ Nederland aan de Tweede Kamer (december 2016)


In mei 2018 houdt GGZ Nederland opnieuw een pleidooi voor preventie. In een brief aan vaste commissie voor VWS in de Tweede Kamer dd 3 mei 2018 roept ze op een preventieprogramma psychische stoornissen van kinderen tussen 0 en 25 jaar te stimuleren en te ondersteunen. Hieronder een paar citaten.

"De grote betekenis van preventie"

In de brief van mei 2018 aan de Tweede Kamer wijst GGZ Nederland op "de grote betekenis van preventieve interventies in het vergroten van de kwaliteit van leven en het voorkomen van ongezondheid en ziekte". Zo vindt ze het "niet te verantwoorden dat gemeenten en zorgverzekeraars nog steeds niet stelselmatig investeren in de preventie van psychische aandoeningen en verslaving bij kinderen en jeugdigen".

"Voorkomen en Ďer vroeg bij zijní (preventie en vroegsignalering) is ook: minder maatschappelijke kosten door minder zorgkosten, minder arbeidsverzuim en schooluitval, minder overlast en criminaliteit."

Bron: Brief van GGZ Nederland aan de Tweede Kamer (mei 2018)

naar boven

 

 
   

FINANCIňLE PRIKKELS VOOR 
EEN BETERE KWALITEIT VAN DE GGZ ANNO 2019:
FOCUS OP DE VEERKRACHT VAN DE CLIňNT

 

Rode cijfers

Anno 2019 staat de financiŽle houdbaarheid van de GGZ onder druk. Een groot probleem is het toenemend personeelstekort. Het aantal vacatures voor psychiaters, psychologen en verpleegkundigen was in augustus 2019 ca. 5000. Daardoor moet steeds meer extern personeel worden ingehuurd. 
     Het personeelstekort leidt tot lange wachttijden, veiligheidsrisico's en mogelijke sluitingen van GGZ-locaties. Bovendien loopt de werkdruk op, hetgeen resulteert in ziekteverzuim en daarmee nog hogere personeelskosten. V
anwege gemaakte afspraken leveren GGZ- organisaties bovendien meer zorg dan door de zorgverzekeraars wordt vergoed. Dit leidt ůf tot een verdere kostenstijging ůf het betekent dat de GGZ niet meer kan voldoen aan de zorgvraag. Maar liefst een kwart van de GGZ-organisaties sloot 2018 af met rode cijfers.
     Doorgaan op de huidige voet is onmogelijk.

Volgens het in augustus 2019 door de adviesorganisatie KPMG uitgebrachte rapport Healthcheck GGZ is een ware transformatie van de GGZ onontkoombaar, wil de GGZ financieel kunnen overleven. De oplossingen voor de toekomst moeten volgens de organisatie worden gezocht in andere en slimmere manieren van werken. De KPGM beveelt de volgende punten ter verbetering aan:

1) Het leveren van zorg op afstand ofwel e-health (zorg via internet, al dan niet gecombineerd met face-to-face contact met een hulpverlener) en het creŽren van digitale platformen voor lotgenotencontact.

2) Het leggen van de focus op gezondheid in plaats van op ziekte.

3) Preventie en vroegsignalering van psychische problematiek (het tijdig signaleren van problemen in de samenleving om zo in een vroeg stadium te kunnen ingrijpen).

Wanneer dergelijke maatregelen worden getroffen, zal het gewenste resultaat pas over twee tot vier jaar te zien zijn. aldus de KPMG.

Bronnen:
Ėhttps://home.kpmg/content/dam/kpmg/nl/pdf/2019/sector/healthcheck-ggz.pdf

Ėhttps://www.skipr.nl/actueel/id39552-kwart-ggz-organisaties-in-het-rood.html


Focus op de veerkracht van de cliŽnt

Indien de bovenstaande aanbevelingen van de KPMG worden overgenomen, komt dat niet alleen financiŽle gezondheid maar ook de kwaliteit van de GGZ ten goede. 

Zelfhulp
CliŽnten bezitten meer veerkracht dan door hulpverleners doorgaans wordt aangenomen. E-health en lotgenotencontacten sluiten aan op die veerkracht. Zie o.m. Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie (Saar Roelofs, 2008): deel 3 van dit boek laat aan de hand van uiteenlopende praktijkvoorbeelden zien hoe mensen in psychische nood - ook zonder tussenkomst van hulpverleners - in staat zijn onvermoede innerlijke krachten aan te boren. (Gedeeltelijke) zelfhulp sterkt cliŽnten in hun en zelfoplossend vermogen en autonomie.

Focus op gezondheid in plaats van ziekte
Er bestaan belangrijke bezwaren tegen het alom gebruikte handboek DSM als diagnostisch instrument. Een van die bezwaren is dat er volgens DSM scherpe grenzen bestaan tussen gezond en ziek, tussen normaal en abnormaal, een onderscheid dat in de praktijk onhoudbaar is. Verder kan de indeling in een psychiatrische categorie door een hulpverlener leiden tot een starre houding van de cliŽnt ten opzichte van zichzelf, zelfs tot een zelfveroordeling. Wanneer hulpverleners meer nadruk leggen op gezondheid in plaats van op ziekte zou dat de psychiatrische classificaties volgens de DSM misschien kunnen relativeren. 

Preventie en vroegsignalering van psychische problemen
De aanbevelingen van de KPMG sluiten aan bij de hierboven geciteerde, recente  brandbrieven aan de Tweede Kamer waarin aandacht wordt gevraagd voor preventie en vroegsignalering. Het voorkůmen en in een vroeg stadium signaleren van psychische problematiek komt kwetsbare mensen in de samenleving ten goede: met preventieve maatregelen worden mensen met nog milde psychische problemen geholpen om zelfredzaam te zijn waardoor een verergering van de problemen kan worden afgewend en een intensieve behandeling voorkůmen. Wellicht kan daartoe de vakkennis van de voormalige afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek opnieuw worden ingezet.

 


© Copyright tekst en cartoons: Partner Productions 

naar boven

 

 

BRONNEN BIJ NIET STOREN

 

KRITISCHE VAKLITERATUUR

In de jaren 1987 t/m 1996 verschijnt de ene na het ander kritische publicatie over de Riagg's waaronder vijf onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut. De publicaties behandelen onder meer de geringe animo van de hulpverleners om zich met de concrete problemen van de cliŽnt bezig te houden, de onwil om cliŽnten met een migratieachtergrond te behandelen, de ongerichte behandelingen, de ontevredenheid van de cliŽnten, de arrogantie van de hulpverleners, de verregaande bureaucratie en het wegwuiven van kritiek. 

Kritische onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut (1992-1995)

Sande, R. van der, F. Hoof en G. Hutschemaekers (1992). Vraag en aanbod in de Riagg. Een praktijkstudie van de Riagg-zorg voor volwassenen. Utrecht: Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (thans Trimbos-instituut)- De afstemming van het hulpaanbod door de Riaggís op de hulpvraag van de cliŽnt is te gering. Niet de hulpvraag van de cliŽnt staat centraal, maar de voorkeur van de hulpverlener voor 1) een bepaald type cliŽnt (jong, goed opgeleid, van Nederlandse afkomst), 2) een bepaald type probleem (vaag; liever geen concrete, alledaagse levensproblemen) en 3) een bepaald type behandeling (intensieve, op groei en inzicht gerichte psychotherapie; liever geen steunende, praktijkgerichte gesprekken en/of oefeningen).
Als concrete sociaal-maatschappelijke problemen op de voorgrond staan, menen de hulpverleners dat er onvoldoende aanknopingspunten voor een behandeling zijn. Dan verloopt de behandeling ongericht en haken de cliŽnten in een vroeg stadium af. Volgens de hulpverleners zelf is het mislukken van de behandeling vooral terug te voeren op de geringe therapeutische mogelijkheden van de afgehaakte cliŽnten; dat wil zeggen op het onvermogen om problemen, gedachten en gevoelens onder woorden te brengen en angstwekkende themaís aan te snijden. Daartoe zou een derde van de cliŽnten niet in staat zijn. Met andere woorden, die cliŽnten die hun problemen niet op een voor de hulpverlener heldere wijze kunnen formuleren, vallen buiten de boot. De meeste cliŽnten hebben geen behoefte aan een diepgravende behandeling. Ze hebben steun nodig bij concrete, actuele problemen. 
Conclusie. De onderzoekers concluderen dat de hulpvraag niet los kan worden gezien van de sociaal-maatschappelijke context en de leefsituatie van de cliŽnt. Zij zien het als een uitdrukkelijke taak van de Riagg om een hulpaanbod te ontwikkelen dat zich ook op die leefsituatie richt.

G. Hutschemaekers, W. Brunenberg en H. Spek (1993). Beroep psychotherapeut. Een verkennend onderzoek naar persoon, werk en werkplek van de psychotherapeut in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Zogenaamd Ďleukeí cliŽnten, dat zijn goed opgeleide cliŽnten met vage problemen, komen eerder in aanmerking voor psychotherapie dan minder goed opgeleide cliŽnten met concrete, actuele in de buitenwereld opgelopen psychische problemen. De psychotherapie moet beter worden afgestemd op de hulpvraag van bredere groepen cliŽnten.

Bijl, R. en F. Lemmens (1993). Aan het werk. Een verkennend onderzoek naar gezondheidsrisicoís, arbeidsongeschiktheid en reÔntegratie van werknemers in de geestelijke gezondheidszorg. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Juist in de geestelijke gezondheidszorg zijn veel werknemers wegens psychische problemen langdurig ziek of afgekeurd. Belangrijkste reden: slechte arbeidsverhoudingen. Zieke werknemers hebben vaak kritiek op de behandelvisie. Zij fungeren als zondebok voor de slechte werksfeer.

Bijl, R.V., C.G.L. van Deursen, A. van Gageldonk en R.W.M. GrŁndemann (1994). Riagg en werk. Omvang, aard en behandeling van arbeidsgebonden problemen bij Riagg-cliŽnten. Utrecht: Trimbos-instituut).  
- Bij 81% van de werkende cliŽnten is sprake van arbeidsgebonden problematiek. Die komen in de hulpverlening niet of onvoldoende aan de orde terwijl hieraan van de kant van de cliŽnten wel behoefte is. Riagg-hulpverleners hebben weinig belangstelling voor de arbeidsproblemen van hun cliŽnten. Zij hebben te eenzijdig aandacht voor puur intrapsychische processen en zijn niet in staat bij arbeidsgebonden problemen praktijkgerichte hulpverleningstechnieken toe te passen.

Wolf, J. (1995). Zorgvernieuwing in de GGZ. Evaluatie van achttien zorgvernieuwingsprojecten. Utrecht: Trimbos-instituut)
- De zogeheten zorgvernieuwingsprojecten, dat zijn de pogingen tot samenwerking en fusie van de verschillende instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, creŽren veel spanning en onrust, maar geen vernieuwing van de zorg.

Senhorst, M.M.J. (1992). Rendement en financiering GGZ-preventie. Een verslag van een conferentie. Utrecht: Landelijk centrum GVO.
-
Menig Riagg-directeur heeft geen aandacht voor preventie. Sterker, er vinden wel eens verschuivingen binnen de Riagg-budgetten plaats, waarbij het voor preventie bestemde geld voor heel andere zaken wordt gebruikt. GGZ-preventie is verworden tot een containerbegrip waaronder van alles valt wat niet tot de behandeling behoort. Om die redenen dreigt een exodus van preventiemedewerkers.

Selectie kritische publicaties in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (1987-1995)

Verhaaren, Frans. Riagg's onder druk: naar een nieuw kwaliteitsbesef?  Maandblad Geestelijk volksgezondheid 4, 1987 (19-34).
- De RIAGGS zijn bureaucratische bolwerken waarin te weinig vanuit de cliŽnt wordt gedacht. In de bejegening van de cliŽnt spelen de belangen van de hulpverlener een een doorslaggevende rol. De Riagg-directie heeft slechts een voorwaardenscheppende taak waardoor de inhoud van het werk weinig of niet aan de orde komt.

Beenackers, A.A.J.M. (1995). Riagg-dossiers nader bekeken. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 609-619.
- Onderzoek naar de dossiervoering in de Riaggís naar aanleiding van de constatering van de Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid dat Riagg-dossiers in het algemeen slecht tot zeer slecht worden bijgehouden. 
De dossiers zijn onvindbaar, onleesbaar en onbegrijpelijk. 
Intakeverslagen zijn vaak "rommelige documenten"  waarin de informatie over de cliŽnt  "onsamenhangend en fragmentarisch" wordt verstrekt zonder vooruitblik op de behandeling. De wel goed verzorgde intakeverslagen, die twee tot twaalf getypte kantjes beslaan, bevatten een uitvoerige levensbeschrijving waarin echter niets doorschemert van een richting waarin de oplossing voor de psychische klachten gezocht moet worden. Er wordt geen behandelplan op schrift gesteld en er worden geen aantekeningen over het verloop van de behandelingen gemaakt. De behandeling wordt noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd.

Osselaer Schouterden, H.C.D.E. van (1995). Afhaken als oplossing. Drop-out bij Riagg's onderzocht. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 3-14
- De helft van de Riagg-cliŽnten haakt al na een paar contacten af. De belangrijkste redenen zijn: gebrek aan vertrouwen in de hulpverlener en het gemis aan een steunende, menselijke relatie. Riagg-hulpverleners zijn geneigd ďlastigeĒ cliŽnten zodanig te behandelen dat deze in een vroeg stadium afhaken.

J. de Kroes. Opgenomen bij Korrelatie. Een overzicht van de vragen en klachten naar aanleiding van de Vara-serie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 10, 1995, pag. 1087-1094.

Selectie kritische publicaties van cliŽntenorganisaties

Maatwerk? Knelpunten in de geestelijke gezondheidszorg (1995). Amsterdam: Stichting Pandora
- Hulpverleners geven cliŽnten onvoldoende of geen informatie over hun rechten en over de aard, de duur en het doel van de behandeling, hebben weinig aandacht voor concrete, actuele levensproblemen, zijn slordig met de dossiers, weigeren cliŽnten vaak inzage in hun dossier en nemen klachten van cliŽnten over de behandeling niet serieus.

5R. Kragten. Bejegening in de GGZ. CliŽnten in de geestelijke gezondheidszorg aan het woord over bejegening. Utrecht: CliŽntenraad Willem Arntsz Huis, 1997.

M. de Jong. Ď60 ways to drop your clientí. Het anti-participatieboekje. Groningen: Netwerk CliŽntendeskundigen / Utrecht: Nederlandse PatiŽnten/Consumenten Federatie, 1997

R. Eelman. Psychotherapie, om dol van te worden? Een zoektocht naar argumenten en beleid. Amsterdam: Amsterdams PatiŽnten/Consumenten Platform, 1996.

De Riagg na de Bijlmerramp

CliŽntendossiers voor en na de Bijlmerramp (1990-1993). Riagg Zuidoost.  

Notulen & interne mailings Riagg Zuidoost (april 1990 - april 1993) van het managementteam en de afdelingen Psychotherapie, Sociale Psychiatrie en Preventie, Innovatie & Onderzoek.

Pre-advies en Notulen. Projectgroep Hulpverleningsaanbod Vliegramp Riagg Zuidoost (oktober 1992 - januari 1993).

Nazorgplan Vliegramp Bijlmermeer. Alle GGZ-instellingen in Amsterdam Zuidoost (16-10-1992).  

Saar Roelofs. Het allochtonenbeleid in een stroomversnelling. Afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek. Interne publicatie Riagg Zuidoost (1992).

Saar Roelofs, namens alle GGZ-instellingen in Amsterdam Zuidoost. Na de ramp: informatie en advies voor volwassenen. Informatiefolder voor cliŽnten en overige bewoners van Amsterdam Zuidoost. In zeven talen (20-10-1992).

Saar Roelofs. De Riagg na de ramp: een metamorfose. Riagg Zuidoost, interne publicatie (1993).

Video-opnames van een bijscholing over de preventie en behandeling van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) t.b.v. de hulpverleners in de Riagg Zuidoost n.a.v. de Bijlmerramp. Carlo Mittendorff, Instituut voor Psychotrauma. Riagg Zuidoost (1992-1993).

J.J. Van Uchelen en B.P.R. Gersons (1995b). De Bijlmermeer-vliegramp; een vervolgonderzoek naar de lange termijn psychische gevolgen en de nazorg bij getroffenen. AMC, Vakgroep Psychiatrie.
- Anderhalf jaar na de Bijlmerramp kampt nog 34% van de slachtoffers met een verwerkingsstoornis terwijl het merendeel van de betrokkenen behandeld is. De onderzoekers signaleerden dat de behandelexpertise met betrekking tot de Post Traumatische Stress-stoornis in de Riagg Zuidoost ontoereikend was. 

Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer EnquÍte. Sdu Uitgevers, Ďs-Gravenhage, 1999.
- In 1998 kampen nog zeker 100 mensen  met een Posttraumatisch Stress-stoornis ten gevolg van de Bijlmerramp, ondanks het feit dat ze in 1992 en 1993 zijn behandeld.  De psychische nazorg is op een aantal punten tekort geschoten.

Overig

Sterman, D. (1996). Een olijfboom op de ijsberg. Een transcultureel- psychiatrische visie op en behandeling van de problemen van jonge Noord-Afrikanen en hun families. Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders.
- Hierin kritiseert de auteur onder meer het feit dat aparte secties in de Riagg die veelal worden bezet door hulpverleners met een migratieachtergrond zich met de hulpverlening aan migranten bezighouden. Hij noemt deze secties Ďetno-lokettení en waarschuwt voor een nieuwe vorm van Ďapartheidí.

Gersons, B. (1990). Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip. Maandblad Geestelijk volksgezondheid 45, 891-907.

Manifest GGZ. Verontrustende Ontwikkelingen. Utrecht: Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, 1998.

Dr  E. Dekker. Het beleid beleefd. Vraaggerichtheid van de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Trimboslezing 1998.

Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), E. Borst-Eilers, aan de Tweede Kamer der Saten-Generaal: Geestelijke Gezondheidszorg  (25 424 nr. 1 & 2 ) dd 24 juni 1997.

AO Adviseurs voor organisatiewerk Driebergen. De toekomst kijkt achterom (1991). Organisatieadviesrapport over de Riagg Zuidoost.
Enkele citaten uit het rapport:

- "De Riagg Zuidoost heeft een januskop: er is een gezicht naar buiten en een gezicht naar binnen. Het gezicht naar buiten oogt redelijk normaal en verantwoord. Het gezicht naar binnen is de absolute schaduwzijde."
- "De dominante cultuur in de Riagg Zuidoost is er een van volstrekte individualisering, verregaande onaanspreekbaarheid op gedrag en kwaliteit, verbittering naar elkaar en naar het management, en ongeloof in enige mogelijkheid tot verbetering. Deze sfeer van ontevredenheid, cynisme en zelfbeklag blijkt al jaren te kunnen voortduren. Veel hulpverleners trekken zich op hun individuele vakuitoefening terug en zijn niet meer gemotiveerd voor kwaliteitsbewaking of innovatie. Het onderlinge klimaat binnen enkele afdelingen en op Riagg-niveau is onveilig, verbitterd of apathisch. Medewerkers en leidinggevenden houden elkaar gevangen in een patroon dat tot een verziekte onderlinge sfeer leidt."
De organisatieadviseur spreekt over "een hopeloze jungle".

 

 

DE PERS: COMMON KNOWLEDGE

In de jaren 1992 t/m 1996 besteden de landelijke dagbladen regelmatig aandacht aan de  Riagg's. Ze doen onder meer verslag van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut (zie linker kolom). Het ondermaatse functioneren van de Riagg's is dan ook common knowlegde. De onderstaande bloemlezing is als inleiding opgenomen in Niet storen (pag. 11-14).

de Volkskrant, 16 december 1992
Behandelduur valt veelal korter uit
Hulpaanbod Riagg's gaat vraag cliŽnten te boven. 
Door J
et Bruinsma  
UTRECHT - Riagg-hulpverleners streven bij de behandeling veel ambitieuzer doelen na dan hun cliŽnten. Zij mikken vaak op een intensieve, op inzicht en persoonlijke groei gerichte behandeling, terwijl de cliŽnten vooral behoefte hebben aan steun bij het verwerken van hun problemen. (...)    
Dit is een van de opvallendste bevindingen uit het gisteren verschenen onderzoek Vraag en aanbod in de Riagg. Het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) ondervroeg in opdracht van vijf
Riaggís (drie in Utrecht, een in Rotterdam, een in Hilversum) drieduizend volwassen cliŽnten. (...)  
De hulpverleners vinden, blijkt uit het rapport, dat een behandeling de cliŽnt inzicht moet geven in zijn problemen en hem in staat moet stellen tot persoonlijke groei. CliŽnten die daartoe niet in staat zijn of behoefte hebben aan het oplossen van praktische problemen (...) voldoen niet aan dat ideaal en krijgen het vaakst een weinig intensieve behandeling. (...) De onderzoekers adviseren de Riaggís om hun beleid beter aan te passen aan de wensen van de cliŽnt. Niet het ideaal van de hulpverleners moet centraal staan, maar de wens van de cliŽnt.  

de Volkskrant, 8 juli 1994  
Problemen op het werk miskend door Riagg  
DEN HAAG - De Riaggís hebben weinig oog voor de problemen die cliŽnten op hun werk hebben. Ze weten ook niet goed hoe ze hulp kunnen bieden bij deze problemen. Ruim de helft van de werkende Riagg-cliŽnten loopt in de Ziektewet. Bijna een kwart van de cliŽnten met een baan zegt dat zij op het werk slechter functioneren. Toch registreert driekwart van de Riaggs geen gegevens over de arbeidsproblemen van de hulpvragers, hoewel die wel mede de oorzaak zijn van het verzoek om hulp bij de Riagg. Dit blijkt uit een gisteren gepubliceerd onderzoek door het Nederlands centrum Geestelijke volks≠gezondheid (NcGv) en TNO Preventie en Gezondheid. (...). Er werden vijfhonderd cliŽnten van tien Riaggís ondervraagd, en behandelaars van tien andere Riaggís. De 59 Riagg-directeuren kregen allemaal een vragenformulier toegestuurd. Het is geen uitzondering dat een zieke Riagg-cliŽnt drie maanden moet wachten voor hij wordt geholpen. De onderzoekers vinden dan ook dat de Riaggís kortlopende therapieŽn moeten ontwikkelen, om te voorkomen dat de hulpvragers nog voor een langdurige therapie is voltooid, in de WAO belanden. De Riaggís zijn volgens de onderzoekers vanuit hun traditie meer gericht op problemen die in de persoonlijke levenssfeer of in het gezin van de hulpvrager liggen. Dat de problemen van hun cliŽnten vaak mede veroorzaakt worden door het werk, wordt miskend. De hulpverleners vragen niet systematisch naar problemen op het werk. Zij registreren ze ook meestal niet. De meest ge noem de arbeidsgebonden problemen zijn: te hoge werk druk, geestelijk te inspannend werk, conflicten met de leiding, slechte werksfeer, onzekerheid over het behoud van de functie.   

de Volkskrant, 25 mei 1996
Psychiater pleit tegen gemakzucht van behandelaars en voor improvisatievermogen. "Veel therapeuten ontlopen allochtone cliŽnten."
Door Bas Mesters
AMSTERDAM - Desinteresse ten opzichte van psychische problemen van migranten is bij therapeuten nog niet uitgeroeid. Allochtonen worden vaker geweigerd voor psychotherapie dan autochtonen. (...) Psychiater D. Sterman kan het niet laten om in zijn onlangs verschenen boek Een olijfboom op de ijsberg in deze zin af en toe een flinke tik uit te delen. Hij houdt een pleidooi tegen gemakzucht van veel therapeuten en voor improvisatievermogen. (...) Het is volgens Sterman de taak van de Inspectie voor de Volksgezondheid om erop te letten dat therapeuten niet met de hapklare brokken aan de haal gaan en moeilijke problemen vermijden die juist vaak bij migranten spelen. ĎHoewel de koudwatervrees wat afneemt, zie ik om me heen nog veel weerstand om cliŽnten van buitenlandse afkomst te behandelen. Veel therapeuten gebruiken allerlei smoesjes om ze te ontlopen.í (...) ĎAls hulpverlener kun je de plank behoorlijk misslaan als je de culturele codes niet kent.í (...) Daarom is een open geesteshouding van de therapeut onontbeerlijk voor een goede behandeling van een migrant. Behandelaars moeten niet blijven vastzitten in hun eigen ideologische scholen. ĎTherapeuten willen in methoden en dogmaís geloven. (...) We dienen in te zien dat sommige methodieken niet op iedereen van toepassing zijn, en behoren oog te hebben voor de persoonlijke levensgeschiedenis en de culturele codes waaraan de cliŽnt zich confor≠meert.í (...) Sterman voelt niets voor wat hij etno-loketten noemt: secties binnen de Riaggs, die zich specialiseren in cliŽnten van buitenlandse afkomst. ĎDat is moreel verwerpelijk. Het leidt tot discriminatie en is ook praktisch onhaalbaar. (...) En bovendien: wanneer is iemand nog een migrant? Ook als zijn oma van buitenlandse komaf was?í (...)  

de Volkskrant, 21 september 1994  
Slachtoffers incest oordelen negatief over hulpverlening
LEIDERDORP - Slachtoffers van incest hebben weinig waardering voor de hulpverlening na hun aangifte bij de politie. (...) De doorverwijzing van de politie naar een hulp verlenende instantie schiet (...) vaak tekort. Deels door een slechte onderlinge samenwerking, deels doordat de politie vaak aanloopt tegen onbereikbaarheid van instanties `s avonds, `s nachts en in het weekeinde. Soms gaan er weken voorbij voordat een slacht≠offer bij de aangewezen instantie terecht kan. Ook blijkt die instantie soms niet geschikt voor de behandeling van incestproblematiek. Twee instanties springen er in negatieve zin uit: het Bureau Slachtofferhulp en de Riagg.

Het Parool, 8 juni 1995
Riaggís: blanco dossier, eindeloze behandeling
AMSTERDAM - Bij de Riaggís in de Gooi- en Vecht streek en in Flevoland worden dossiers niet bijgehouden en ontbreken behandelplannen. Het is niet duidelijk of behandelingen enig resultaat hebben. Dit blijkt uit een onderzoek van de psycholoog dr. A. Beenackers in opdracht van de twee Riaggís dat is gepubliceerd in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid. De algemene indruk van Beenackers is dat de Riaggís vrijwel niets doen, en dat wat ze wel doen tot niets leidt. In de meeste dossiers ontbraken aantekeningen over de behandeling. Vaak was niet duidelijk Úf er wel werd behandeld, omdat de dossiers, afgezien van een verslag van het intakegesprek, blanco waren. De hulpverleners gaven bijna nooit aan wat zij dachten te bereiken en op welke termijn. Behandelingen werden niet afgesloten omdat de klacht was verholpen, maar omdat de cliŽnt er genoeg van had.

de Volkskrant, 21 oktober 1996
Ontevreden cliŽnten zadelen Riagg's op met slecht imago  

AMSTERDAM. Riaggís hebben een slecht imago. Mensen met psychische problemen vragen steeds vaker hulp buiten de Riagg om. Dat zegt P. Anzion van Stichting Pandora, die de belangen van psychiatrische (ex-)patiŽnten behartigt, tijdens de presentatie van het jaarverslag van de Riagg. ĎWij krijgen vaak te horen dat buren, familie, kennissen of vrienden hebben gezegd dat je vooral nŪet naar de Riagg moet gaan. Dat is gebaseerd op een vooroordeel, maar wij signaleren wel dat de Riagg fouten maaktí, stelt Anzion.Telefonische klachten over Riagg- hulpverleners en hun behandelmethoden zijn bij de stichting toegenomen ten opzichte van vorig jaar. CliŽnten klagen voornamelijk over de gebrekkige informatievoorziening. Zij worden slecht op de hoogte gesteld van het behandelplan, de voortgang en het zicht op een afronding. Bovendien worden zij vaak niet geÔnformeerd over mogelijkheden voor vervolgbehandelingen of alternatieven.
Riagg-cliŽnten die ontevreden zijn over hun hulpverlener willen vaak de sporen van de 
behandeling uitwissen. Maar als zij inzage vragen in hun dossier, of hun medische gegevens willen kopiŽren of vernietigen, worden zij volgens Anzion Ďmeestal met smoesjes afgescheeptí. Daarmee komen hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg de informatieplicht in de Wet op de Geneeskundig Behandelingsovereenkomst (WGBO) slechts mondjesmaat na, is de conclusie van Stichting Pandora in het zojuist verschenen jaarverslag.
Wanneer het niet klikt met de hulpverlener, is het niet gemakkelijk om een andere toegewezen te krijgen. Daar komt nog bij dat Riaggís vaak een lange wachtlijst hebben, zowel voor een intake-gesprek, als tussen dit gesprek en de behandeling. Ook vinden patiŽnten het vervelend dat zij verplicht naar de Riagg in hun regio moeten. ĎZij kunnen nergens anders heení, zegt Anzion. ĎAls je niet gelukkig bent met de Riagg bij jou in de buurt, houdt het op. Tenzij je heel veel geld hebt, dan ga je naar een particuliere psycholoog. Maar dan ben je al gauw honderdtwintig tot honderdvijftig gulden per gesprek kwijt.í(...)

de Volkskrant, 26 oktober 1996
CliŽnten zijn ontevreden over behandeling en gebrekkige informatie
AMSTERDAM - ĎIk voel me net een nummerí, zegt Mark. íDe behandeling is heel onpersoonlijk. Echt lopendebandwerk. Volgens mij komen alle randgroeppsychiaters die geen werk kunnen vinden, bij de Riagg terecht.í Mark is in therapie in de Riagg in Groningen. Hij is niet tevreden over de instelling die hem over zijn depressiviteit heen moet helpen. Ook Annet die bij de Riagg in Utrecht wordt behandeld, heeft klachten. ĎHet nut van de behandelmethode is me nog steeds niet duidelijk. Alles wordt in een team buiten mij om besproken. Ondanks beloftes krijg ik daar dan niks van te horen.í Uit het jaarverslag van Stichting Pandora, die de belangen van (ex-)psychiatrische patiŽnten behartigt, blijkt dat een toenemend aantal cliŽnten klaagt over de gebrekkige informatievoorziening bij de Riagg. Zij zijn vaak slecht op de hoogte van het behandelplan, de voortgang die is geboekt, het zicht op een eindresultaat en mogelijkheden voor een vervolgbehandeling of alternatieven. Daar naast komen veel klachten binnen over de lange wachttijden en het ontbreken van een afsluitend gesprek of nazorg. Niet alleen bij Pandora wordt hierover geklaagd, maar ook bij de CliŽntenbond, de Stichting Korrelatie en bij de Informatie- en Klachtenbureaus voor de Gezondheidszorg.
ĎUit een onderzoek van het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) naar de tevredenheid van Riagg-patiŽnten blijkt dat eenderde van alle cliŽnten Ďtenminste kanttekeningen bij de hulpverlening plaatstí of Ďnegatief tot zeer negatiefí over de instelling is. Ruim een kwart vindt dat de behandeling niet of nauwelijks heeft geholpen, en een op de vijf cliŽnten beŽindigt uit onvrede voortijdig het contact met de Riagg. Ď
Een van die mensen is Marian. Zij zegt dat zij geen ruimte kreeg om kritiek te leveren op haar behandeling, nadat zij zich al maanden had afgevraagd of die wel nut had. 'Ik durfde er bijna niet over te beginnen, maar ik heb toch gevraagd waarom mijn therapeut op die manier te werk ging. Hij werd kwaad en zei geÔrriteerd: ďIk ben hier degene die weet wat het beste voor jou isĒ, en verder niks.í (...)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven

     

 

 

Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Kritische beschouwing over de ambulante GGZ

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl

© 
protected 
by
pictoright