Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Verleden en heden van de GGZ 

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl 

© 
protected 
by
pictoright


Dr. Saar Roelofs  
NIET STOREN
EEN KRITISCHE BESCHOUWING 
OVER DE RIAGG IN WOORD EN BEELD

BelvťdŤre (1997)

Samenvatting, met een link naar 2019

_________________________________________________

"Treffend en geestig."
EenVandaag

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items. Pakkende cartoons." 
Tijdschrift voor Psychiatrie

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk dat belangrijke vragen stelt." 
Amsterdamse PatiŽnten Krant

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend, is zeer verontrustend. 
Niet storen  beschrijft die processen haarfijn." 

Jos H. Dijkhuis, oud hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie

 


BelvťdŤre,  maart 1997
A4 formaat, 163 pag.


In Wie is er nu gek? (2008) 
gaat Saar Roelofs dieper in op 
de
therapeutische relatie


Niet Storen is een kritische beschouwing over de ambulante 
geestelijke gezondheidszorg rond 1997 (destijds de Riagg's)
aan volwassenen waarin ook de geschiedenis een plaats heeft. Die geschiedenis kan duidelijk maken waarom de GGZ-instellingen in een aantal opzichten nog steeds tekort schieten. Hieronder - achter de samenvatting van Niet storen - zijn dan ook links naar het heden opgenomen.

Thema's in Niet storen die na ruim 20 jaar nog steeds actueel zijn:

- De starre diagnostiek op basis van het psychiatrisch handboek DSM.

- De ontoereikende behandeling van trauma's en PTSS'en. 
   Lees verder onder Traumabehandeling in 2019.

- De ver doorgevoerde bureaucratie.

- De achterstelling van preventie van psychische problemen.

Voorts biedt het boek op toegankelijke wijze achtergrondinformatie 
over diagnostiek en diverse effecieve behandelingsmethoden waaronder traumabehandeling ('exposure therapy'), en laat het zien op welke manieren een cliŽnt - ook nu nog - verstrikt kan raken in de hulpverlening.

Niet storen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaronder de kritische vakliteratuur over de Riagg's (1987-1996), publicaties van Riagg's uit alle windstreken (1991-1996), onderzoek naar cliŽntendossiers en eigen observaties als afdelingshoofd/ gedragstherapeut in de Riagg Amsterdam Zuidoost (1991-1993) die inmiddels is opgegaan in Arkin GGZ Amsterdam.

Het boek is gelardeerd met praktijkvoorbeelden, citaten uit de vakpers en kopstukken uit het veld, en de wereldliteratuur, en is verluchtigd met pastiches en 80 cartoons van eigen hand.
Het bestaat uit drie delen: 
1) De organisatie, 2) De hulpverlening en 3) Vernieuwingen

Het boek sluit af met een beschrijving van de hulpverlening in
de Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp

 


SAMENVATTING

DEEL I: DE ORGANISATIE

Inleiding 
Het boek opent met een bloemlezing van artikelen door
de landelijke dagbladen waarin onder meer verslag wordt gedaan van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut over het ondermaatse functioneren van de Riagg's in de jaren 1992-1996.

Over de Riagg's
Van 1981 tot 2000 is de ambulante geestelijke gezondheidszorg ondergebracht in 59 Riagg's (afkorting van Regionale Instellingen voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) - met uitzondering van een paar instellingen die nog tot 2015 die naam droegen. Na 2000 zijn de meeste Riagg's gefuseerd met de overige instellingen voor GGZ in hun regio. 

Het ontstaan van de Riagg's: mislukte fusie
In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werden per regio alle reeds bestaande instellingen voor ambulante GGZ, te weten het Medisch-Opvoedkundig Bureau (MOB), de Sociaal-Psychiatrische Dienst (SPD), het Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie (IMP) en het Bureau voor Levens- en Gezinsvraagstukken (LGV), samengevoegd. Er ontstondn drie behandelafdelingen: Psychoherapie, Sociale Psychiatrie en Jeugdzorg Aan dit conglomeraat van gevestigde instituten werden nieuwe afdelingen toegevoegd die zich gingen bezighouden met de preventie van psychische problematiek en de integratie van vernieuwingen in de traditionele hulpverlening. Zo ontstonden negenenvijftig regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg, de Riagg's. Het doel van de fusie was om de efficiŽntie te bevorderen en de samenwerking tussen de diverse disciplines te verbeteren. 

De fusie is echter nooit goed gelukt. In plaats van samen te werken legden de hulpverleners de nadruk op het eigen specialisme dat zij meebrachten uit de gespecialiseerde instituten waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Het hulpaanbod sloot vaker aan bij de bestaande methoden en technieken dan bij de hulpvragen van de cliŽnt.

Regels, voorschriften, procedures, protocollen
In Deel I wordt de vergadercultuur, het omslachtige taalgebruik, de frequente schermutselingen tussen collega's en de groepsdruk die het uitdragen van een eigen visie belet, besproken. Het deel beschrijft hoe steeds meer en steeds strakkere regels, voorschriften, procedures, protocollen en gedragscodes worden opgesteld teneinde de conflicten en schermutselingen tussen de collega's in toom te houden en hoe dit alles ten koste van de hulpverlening gaat. 

Collega's

Verder wordt ingegaan op het feit dat werknemers vaak tegelijkertijd meerdere functies met tegengestelde belangen vervullen en de onrust die dat in de organisatie teweegbrengt. 

Hulpverleners psychisch ziek van de slechte sfeer
Ten slotte komt aan de orde dat de manco's in de Riagg-organisatie consequenties hebben voor de gezondheid van het personeel. Uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat veel Riagg-werknemers ziek worden van de slechte sfeer op het werk, de slechte arbeidsverhoudingen, de slechte onderlinge communicatie, het slechte management en onverenigbare functies of opdrachten. De auteur geeft de Riagg Zuidoost als voorbeeld van een zieke organisatie.

Niet storen
De enige plek waar de hulpverleners ongestoord hun gang kunnen gaan, is tussen de vier muren van de behandelkamer achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen. Daar zijn ze eigen baas. Over wat er in de behandelkamer gebeurt, vragen collega's elkaar geen verantwoording.

naar boven

 



DEEL II: DE HULPVERLENING

Het psychiatrisch handboek DSM
In Deel II wordt de hulpverlening in de Riagg's onder de loep genomen.
Een belangrijk punt van kritiek is het gebruik van het Diagnostisch en Statistisch Handboek voor Geestesstoornissen (DSM) bij het stellen van een diagnose. De DSM is namelijk niet geschikt als diagnostisch instrument: DSM-diagnoses bieden geen theorie over het ontstaan van de psychische problemen en evenmin aanknopingspunten voor de behandeling. Op ťťn uitzondering na, en dat is de diagnose Post-traumatische Stresstoornis ofwel PTSS. In de PTSS ligt de oorzaak al in de naam besloten: de stoornis ontstaat post, dat is na, een trauma. Bovendien bestaan voor een PTSS effectieve behandelingsmethoden die aansluiten op de problematiek van de getraumatiseerde mensen.

"Riagnose"
De DSM geniet veel aanzien in de Riagg's als diagnostisch instrument. Toch nemen de hulpverleners het doorgaans  niet zo nauw met een zorgvuldige classificatie volgens de richtlijnen van de DSM. Zij gebruiken het handboek als een soort catalogus van etiketten. Omdat er in de Riaggís geen sprake is van een diagnose in de zin van een 'doorwetení of een 'doorschouwení van wat er met een cliŽnt aan de hand is, introduceert de auteur het begrip riagnose ter aanduiding van een pseudo-diagnose in de Riagg. 

Vanaf 1 januari 2008 dient aan een DSM-diagnose een standaardbehandeling te worden gekoppeld. Men spreekt over een zogeheten Diagnose Behandeling Combinatie (DBC).
In haar boek
Wie is er nu gek? uit 2008 legt Saar Roelofs
uit welke bedenkingen ze bij de DBC heeft.

 

GEEN AANDACHT VOOR DE BUITENWERELD
ALS BRON VAN PSYCHISCHE PROBLEMEN

De wereld in de cliŽnt i.p.v. de wereld waarin de cliŽnt leeft
Na het stellen van de 'diagnose' volgt een meestal ongerichte behandeling, dat wil zeggen een behandeling zonder een duidelijk behandelplan, evaluaties en een zorgvuldige dossiervoering. Daarbij staat niet de hulpvraag van de cliŽnt centraal maar de voorkeur van de hulpverleners voor een puur verbale hulpverlening aan relatief jonge, goed opgeleide en witte cliŽnten met vage klachten. De auteur spreekt over een voorkeur voor 'puzzelen': in het verleden of de kindertijd van de cliŽnt zoeken naar puzzelstukjes die de huidige problematiek van de cliŽnt zouden kunnen verhelderen. Het 'puzzelen' geniet een hoge status in de Riagg's. Voor de behandeling van migranten of oudere en minder goed opgeleide cliŽnten bestaat weinig animo; evenmin voor het behandelen van concrete, in de buitenwereld opgelopen aandoeningen met praktijkgerichte oefeningen. 

Voorgeschiedenis
Hoe kon een uitsluitend op het innerlijk van de cliŽnt gerichte hulpverlening in de Riagg's zo'n stevige voet aan de grond krijgen? Om dat te begrijpen, is het nodig om terug te gaan in de tijd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ten behoeve van de hulp aan oorlogsslachtoffers Instituten voor Medische Psychotherapie (IMP's), opgericht. In een publicatie uit 1990 in het Maandblad Geestelijk volksgezondheid met de titel Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip, betoogt de (inmiddels emeritus) hoogleraar psychiatrie in het AMC, Berthold Gersons, dat psychotherapeuten destijds maar weinig aandacht voor de oorlogstrauma's van hun cliŽnten hadden:

"In de beslotenheid van een instituut of praktijk waar de samenleving verder geen deel meer aan had en ook geen berichten meer over ontving, vond een psychotherapeutische interventie plaats, veelal ontkoppeld van een traumatisch oorlogsverleden." 

Het trauma van de oorlog werd - in termen van Gersons - ingeruild voor een "vroegkinderlijke emotionele oorlog" met psychoanalytische theorieŽn als uitgangspunt. Toen de IMPís vervolgens als afdelingen Psychotherapie in de Riaggís terechtkwamen, schonken ze dan ook weinig aandacht aan schokkende gebeurtenissen en trauma's.

Status
In het kielzog van de psychotherapeuten richten de meeste Riagg-hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie, die tot taak heeft zich bezig te houden met concrete sociaal-maatschappelijke problemen, zich ongeacht hun discipline Ė maatschappelijk werk, sociaal-psychiatrische verpleegkunde, psychologie of psychiatrie Ė bij voorkeur op de binnenwereld van de cliŽnt en negeren zij schokkende ervaringen of trauma's die cliŽnten in de buitenwereld hebben opgelopen. Specialistische, landelijke instellingen als het Instituut voor Psychotrauma, Stichting Centrum í45 en het SinaÔ Centrum gingen de leemten die de Riagg's het gebied van traumabehandeling achterlieten, opvullen.

Waarom is de benadering van de psychotherapeuten zo populair? Verschillen in behandelingsfilosofie blijken gepaard te gaan met een verschillen in status. Als ongeschreven regel geldt dat een hulpverlener (m/v) veel aanzien geniet wanneer zijn of haar werkwijze gericht is op innerlijke psychische conflicten en het verleden van de cliŽnt; wanneer zijn of haar rol als deskundige zwaar weegt; en wanneer zijn/haar cliŽnt wit, jong en hoog opgeleid is en vage problemen heeft, dus zonder opvallende sociaal-maatschappelijke problemen en actuele noden. In de Amerikaanse vakliteratuur spreekt men van YAVIS-cliŽnten. YAVIS staat voor Young, Attractive, Verbal, Intelligent en Succesful. Van alle medewerkers in de Riaggís genoten de psychotherapeuten met hun traditionele, diepgravende verbale therapieŽn voor jonge, goed opgeleide witte cliŽnten met vage klachten dan ook het meeste aanzien. 
Zie ook het onderzoek van het Trimbos-instituut: Vraag en aanbod in de Riagg. 

"Puzzelen" is leuk en klachtgerichte hulp is saai
De hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie willen niet alleen de doeners zijn die bij concrete problemen, wanneer de psychotherapeuten het laten afweten, de handen uit de mouwen moeten steken. Zij willen ook afdalen in het onderbewustzijn van hun cliŽnt. Ze willen net als de psychotherapeuten "puzzelen". Daarvoor hebben de hulpverleners een dermate grote voorkeur dat ze dat het liefst bij iedere cliŽnt doen.

In het verlengde van deze voorkeur werd in de hulpverlening zelden systematisch gewerkt. Er werden doorgaans geen checklists gebruikt om die aanwijzingen zouden kunnen geven voor traumatische ervaringen of andere stressvolle levensgebeurtenissen. Ook was er in de hulpverlening zelden of nooit sprake van concrete, klachtgerichte behandelingen die cliŽnten relatief snel op de been zouden kunnen helpen. Want daarvoor is geduld nodig, een methodische aanpak waarbij de hulpverlener de cliŽnt systematisch, stapje voor stapje begeleidt om zijn of haar psychische problematiek om te buigen in gezonder gedrag. Bij de behandeling van een PTSS met een zogeheten exposure therapy, bijvoorbeeld, dient de hulpverlener de cliŽnt eerst te trainen in ademhalings- en ontspanningsoefeningen om hem of haar vervolgens geleidelijk met de traumatische herinneringen te confronteren. Dat vond het merendeel van de hulpverleners saai. Op zo'n pragmatische aanpak keken zij neer. Ze hadden de behoefte om zich met wat doorging voor ďdieptepsychologie" te onderscheiden.

Zout in de wonde
Wanneer bij een cliŽnt sprake is van problemen die te wijten zijn aan een expliciete, in heden of verleden opgelopen trauma, wordt dan ook zelden de DSM-diagnose PTSS gesteld. Meestal is dat de DSM-diagnose Persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidstoornis is in termen van de DSM een duurzaam, star gedragspatroon dat nauwelijks voor verandering vatbaar is en de 'persoonlijkheid' of het 'karakter' van de cliŽnt vertegenwoordigt. Zo kan het gebeuren dat misbruikte of verkrachte vrouwen als diagnose een van de Persoonlijkheidsstoornissen uit de DSM krijgen. In deze visie is niet het misbruik of de verkrachting abnormaal maar de persoon die een dergelijke gebeurtenis ondergaat. En dat is voor de cliŽnt zout in de wonde.

Als puntje bij paaltje komt
Overigens, als puntje bij paaltje komt, heeft de "dieptepsychologische" benadering van hulpverleners uit de behandelafdelingen niet veel om het lijf: die benadering blijft meestal steken in een vrijblijvend gepeuter in het verleden van de cliŽnt.
Zie ook bet onderzoek: Riagg-dossiers nader bekeken.

Angst voor de trauma's van de cliŽnt 
Een veel gebruikte hulpverleningsstrategie bij traumatische ervaringen - of een vermoeden daarvan - is "toedekken". Daarmee
proberen hulpverleners pijnlijke of schokkende ervaringen van de cliŽnt onder de oppervlakte te houden of uit het bewustzijn te weren omdat de psychische draagkracht van de cliŽnt om de traumatische gebeurtenis te verwerken te gering zou zijn; omdat de cliŽnt de herinneringen niet aan zou kunnen en depressief, suÔcidaal of psychotisch zou worden. In sommige gevallen kan 'toedekken' een goede aanpak zijn, bijvoorbeeld bij cliŽnten die in een onstabiele, onveilige situatie verkeren. Vaak echter druist de 'toedekmethode' regelrecht in tegen de noden van de cliŽnt. 

Eigen observaties van de auteur hebben geleerd dat het 'toedekken' van trauma's vaak niet gericht is op het welzijn van de cliŽnt maar op het toedekken van de angst van de hulpverlener voor de traumatische ervaringen van de cliŽnt. 

In haar boek Wie is er nu gek? uit 2008 wijdt Saar Roelofs uit over emotionele blokkades van de hulpverlener en hoe die een goede hulp in de weg kunnen staan. Zie in het kort:
tegenoverdracht.

             Hulpverlener (r), bang voor het trauma van de cliŽnt.

Beschrijving effectieve behandelprogramma's
In Niet storen  beschrijft de auteur diverse vormen van trauma's en presenteert zij een effectieve methode om trauma's op te sporen en te verwerken (exposure therapy).

naar boven


DEEL III: VERNIEUWINGEN 

Preventie, Innovatie & Onderzoek
In Deel III wordt aandacht besteed aan vernieuwingen door progressieve afdelingen in de Riagg's, de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek. Die afdelingen benadrukken dat behalve aan innerlijke psychische processen ůůk aandacht moet worden besteed aan de sociaal-maatschappelijke factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan en de instandhouding van de psychische problemen; dat er niet alleen aandacht moet worden besteed aan de wereld die in de cliŽnt leeft, maar ook aan de wereld waarin hij of zij leeft.Tot hun taken behoren: 1) de opzet van nieuwe hulpverleningsprogramma's die gericht zijn op concrete, sociaal-maatschappelijke problemen van cliŽnten en 2) de preventie van psychische problemen bij risicogroepen in de samenleving. In Deel III worden diverse preventie- en innovatieprojecten beschreven.

Zie ook de conclusie van het onderzoek van het Trimbos-instituut:
Vraag en aanbod in de Riagg.

Weerstand
Wegens weerstand daartegen komen de innovatieprojecten niet van de grond. De hulpverleners hebben immers een voorkeur voor een diepgravende therapie bij witte, goed opgeleide en maatschappelijk succesvolle cliŽnten met vage klachten. De medewerkers van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek kunnen dan ook meestal niet op de steun van de behandelafdelingen rekenen. Sterker, op hun werk wordt doorgaans neergekeken. Hun innovatieprojecten bloeden meestal dood en blijven alleen op papier bestaan.

Ook in hun zelfstandig uitgevoerde projecten worden de Preventieafdelingen doorgaans geboycot. Dat gebeurt omdat het centrale Riagg-management de preventieve cursussen of trainingen vaak overbodig vindt en/of onvoldoende middelen beschikbaar stelt. 

Teleurgestelde cliŽnten
In Deel III komt ook het onvermogen van veel hulpverleners en organisaties om met feedback van progressieve collega's, cliŽnten, cliŽntenorganisaties en de kritische vakliteratuur om te gaan aan bod.
Verder dat hulpverleners zich onfeilbaar voelen. Zo spelen zij klachten over de behandeling naar de cliŽnten terug alsof die klachten onderdeel zijn van de psychische problemen waarmee de cliŽnten zich hadden aangemeld. 
Kritische rapporten van cliŽntenorganisaties laten zien dat veel cliŽnten teleurgesteld zijn in de hulpverlening. Niet iedere teleurgestelde cliŽnt weet echter de weg naar de cliŽntenorganisaties te vinden. Zij raken verstrikt in de hulpverlening. 

Lees de complete passage uit Niet storen: Verstrikt in de hulpverlening

De Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp: een tijdelijke metamorfose
Aan het einde van Deel III wordt aandacht besteed aan de positieve ontwikkelingen in de Riagg Zuidoost
Amsterdam na de Bijlmerramp waar de auteur in de jaren 1991-1993 als afdelingshoofd werkzaam is, als volgt. 

Na de Bijlmervliegramp van 4 oktober 1992, toen zich op een steenworp afstand van de Riagg Zuidoost een vrachtvliegtuig van El Al in een flatgebouw boorde, verandert deze Riagg van een verstarde organisatie in een flexibele en cliŽntvriendelijke hulpverleningsinstantie. Het verhaal van de cliŽnt staat nu centraal. Er is geen plaats is voor rigide psychiatrische DSM-classificaties. Voor bijscholing worden traumaspecialisten aangetrokken die wijzen op de noodzaak van de preventie van een PTSS. De overgrote meerderheid (84%) van de rampslachtoffers heeft een migratieachtergrond. Kort na de ramp wordt een aangepast migrantenbeleid aangenomen dat meer hulp voor en door migranten mogelijk maakt. Er vindt een ware metamorfose plaats. 

Discriminatie en censuur. De metamorfose is echter van korte duur. Niet lang n
a de ramp wordt het vonkje collectieve empathie in de kiem gesmoord. Sterker, er is dan sprake van een autoritair beleid dat zich vertaalt in censuur en in discriminatie van cliŽnten met een migratieachtergrond. De hulpverleners vallen weer terug op hun oude vertrouwde werkwijze. 

Hoopvol. Desondanks eindigt Niet storen met de volgende conclusie. De metamorfose na de Bijlmerramp laat zien dat er in de organisatie een potentieel aan creativiteit, flexibiliteit en bezieling schuilt dat dwars op het gangbare systeem staat. Ook al werden de vernieuwingen in de kiem gesmoord, toch stemt het feit dat de ontwikkelingen daadwerkelijk van de grond kwamen hoopvol. Het boek eindigt  met de vraag of het mogelijk is de positieve krachten opnieuw te mobiliseren.  

Lees het complete hoofdstuk uit Niet storen: De Riagg na de Bijlmerramp

 

© Copyright tekst en cartoons: Partner Productions 

naar boven

 


REACTIES

RECENSIES

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items.""Pakkende cartoons."
"Het boek gaat in feite over zelfin- genomenheid en opportunisme van hulpverleners." Tijdschrift voor Psychiatrie, 40, 1998, D.P. Ravelli. 

"Roelofs' bezwaren sluiten aan bij de kritiek die de laatste tijd vaak klinkt."
"Een boek met een ontegenzeglijke kracht."Zorg en Welzijn, 2 mei 1997, Lucie Th. Vermij. 

"Een boek dat er niet om liegt. Een levendige beschrijving van hoe het er in de RIAGGs aan toegaat. De moeite van het lezen waard."  Opzij, juni 1997, Margot Minjon.

"Herkenbaar. Roelofs beschrijft niet alleen wat er mis is, maar ook hoe het beter kan." Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, november 1997, J.H. Hoogeveen.

"Niet storen laat op indringende wijze  zien hoe de hulpverleners vastlopen in de fuik van het overleg, Orwelliaanse taal spreken en de patiŽnt in de kou laten staan. Maar geen loodzwaar boek omdat de kritiek met een knipoog en een kwinkslag is verwoord. Een eye-opener voor iedereen die werkzaam is in de GGZ." Modern Medicine, Specialistenblad voor de huisarts, augustus 1997.

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk.dat belangrijke vragen stelt." "Een opbouwend boek, verplichte kost voor alle GGZ-hulpverleners, klanten, financiers en -controleurs." "Hopelijk gaan cliŽnten aan hun hulpverlener nu lastige vragen stellen over hun diagnose."  Amsterdamse PatiŽnten Krant, oktober 1997.

"Saar Roelofs legt trefzeker de vinger op de zere plek." "Tachtig pakkende prenten." "Nuttig voor wie in behandeling gaat." Bulletin CliŽntenbond in de GGZ, maart 1997.

"Ook wanneer je nog nooit een voet in een Riagg hebt gezet, is het een heerlijk leesbaar boek dat wederom kanttekeningen zet bij de Riagg's die sinds hun oprichting in 1982 veel kritiek oogsten."  Caleidokrant, december 1997.

 INTERVIEWS 

De tv-actualiteitenrubriek EenVandaag wijdt een 10 minuten special aan Niet storen en noemt het "een treffend en geestig boek". Marc Schrikkema, 12 juli 1997.

De Groene Amsterdammer interviewt de auteur en benadert vervolgens professionals in het veld die Niet storen onderschrijven. Eveline Brandt, 14 mei 1997.

"Lekker peuteren in het verleden."  Maurits Schmidt, Het Parool, 27 maart 1997.

"De Riaggs': zijn ze wel zo gezond voor de geest?" Sandra van der Werd & Lucia Kooiman, CliŽntenbond in de GGZ, maart 1999.

OVERIGE REACTIES

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend is zeer verontrustend. Niet storen beschrijft die processen haarfijn." 
"Uitstekende beschrijvingen van de doodlopende wegen die hulpverleners met elkaar menen te moeten kiezen."
Uit een brief van 
Jos H. Dijkhuis, oud hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie, aan de auteur.

"Zoals u schrijft, zo is het!  De cartoons zetten scherpe puntjes op de i." 
"Verplichte kost voor voor besturen van Riagg's, de Inspectie, het ministerie van VWS."
"De ziekte der ontkenning is de belangrijkste oorzaak van het slechte functioneren van de GGZ."
Uit een brief van Dr. E. Dekker (Beleidsmedewerker ministerie VWS) aan de auteur.

"Ik heb Niet storen met een stroom van momenten van herkenning gelezen. De GGZ heeft mensen zoals u nodig die de moed hebben om open en zonder omwegen processen van schijnhulpverlening bloot te leggen."
Uit een brief van Peter van Overmeir (afdelingshoofd Volwassenzorg Riagg Gooi en Vechtstreek) aan de auteur.

"Ik heb genoten van het boek."
Berthold Gersons, hoogleraar Psychiatrie AMC, mondelinge mededeling.

Het Ambulatorium (centrum ambulante geestelijke gezondheidszorg) van de Universiteit van Utrecht koopt tien cartoons aan.

Niet storen wordt opgenomen in het curriculum van de Postdoctorale opleiding Psychotherapie voor Centraal Nederland.

UIT BRIEVEN VAN LEZERS

De auteur ontvangt nog minsten tien jaar na publicatie van Niet storen brieven en e-mails van (ex)cliŽnten in de GGZ die zich door het boek gesteund voelen.Hieronder een selectie.

"Nadat ik een interview met u op t.v. had gezien, heb ik uw boek Niet storen aangeschaft en in ťťn ruk uitgelezen. Voor mij betekent dit boek veel, want ik ben als cliŽnt in de geestelijke gezondheidszorg precies die dingen tegengekomen die u beschrijft (en niet alleen bij de Riagg!). Iedere keer als ik mijn kritiek op de gang van zaken uitte, werd dat (zoals u ook beschrijft) door de hulpverleners gebombardeerd tot deel van mijn probleem. Ńlle problemen werden teruggevoerd tot de relatie met mijn ouders (tunnelvisie). Ik stootte keer op keer mijn neus tegen een muur van dogmatisme, onwetendheid en tactloze uitspraken.

Op een gegeven moment was ik het strijden moe. Ik ben opgestapt. Inmiddels was ik bijna echt gaan geloven dat wat ik van de dingen vond, deel van mijn probleem was (de druk die uitgeoefend werd was heel groot). Na het lezen van uw boek wist ik zeker dat ik wel kan vertrouwen op mijn eigen waarnemingen, visie en beoordelingsvermogen. Bedankt voor het boek. Ik heb ondanks de woede die weer bovenkwam erg gelachen bij het lezen. Ik heb zo een aantal ervaringen beter kunnen verwerken en heb het idee vast kunnen houden dat ik echt niet gek was dat ik bepaalde dingen die in de behandeling gebeurden belachelijk vond."  

"Ik heb vele wanhopige momenten gekend onder de "vleugels" van hulpverleners die mij echt onmenselijk behandelden. Uw boek heeft me zo goed gedaan! Eindelijk iemand die het zegt!"

"Ik heb hele slechte ervaringen met de Riagg. Ik werd er alleen maar beroerder van. Toen ik een interview met u las, dacht ik: kon ik maar met haar praten."

 

NEGATIEVE REACTIES

"Een dom boek". Psy, uitgave van GGZ Nederland, 27 april 1997, Maria van Rooijen.

"Een sluwe ontmaskering van een stalinistisch systeem", "doordrenkt van giftig zuur". Riagg-medewerker Jaap van der Stel in Tijdschrift voor de Sociale Sector, juni 1997.

"Borrelpraat dat een droge mond en een kater achterlaat." Sociale Psychiatrie, oktober 1997.

De recensent van Dagblad Trouw misleidt de lezers door alleen een paar cartoons uit het boek letterlijk te beschrijven alsof het passages uit de lopende tekst betreft. Hij concludeert dat de auteur "een bedroefde therapeute" is. Aldert Schipper, Trouw, 11 april 1997.

 

 


 

                    
                  Zorgen over hulp aan mensen met een PTSS
Zorginstituut Nederland is een instelling die de kwaliteit van de gezondheidszorg bevordert en over de inhoud van de verplichte zorgverzekeringen adviseert. In het kader van het programma Zinnige Zorg brengt het instituut op 3 juli 2018 het rapport Screeningsfase, Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ) uit waarin het instituut een systematische doorlichting van de GGZ presenteert. Het zorginstituut spreekt hierin zijn zorg uit over patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS, als volgt:

Aantallen. Ruim tachtig procent van de Nederlanders maakt in hun leven ten minste ťťn traumatische ervaring mee. Gemiddeld ruim zeven procent  ontwikkelt op enig moment in hun leven een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). Dit percentage ligt bij de mensen die in behandeling zijn bij de GGZ nog hoger.

Onbehandelde PTSS. Bij patiŽnten die zich met psychische problemen voor hulp melden, worden de gevolgen van traumatische ervaringen niet altijd herkend en behandeld. Op basis van de systematische analyse lijkt de zorg voor mensen met PTSS beter te kunnen: de behandeling geschiedt vaak niet volgens de richtlijnen. Ook de zorg van mensen met PTSS die daarnaast andere psychische stoornissen hebben, kan beter. Er zijn effectieve behandelingen voor PTSS beschikbaar.
Uit Europees bevolkingsonderzoek blijkt dat PTSS tot de vijf psychische aandoeningen behoort met de meest ongunstige invloed op het functioneren. PTSS scoort daarbij laag op zowel het psychisch als het lichamelijk functioneren. Een niet ontdekte PTSS leidt tot een slechtere lange termijn prognose en tot hogere zorgkosten.

Herkenning PTSS. Bij een vermoeden van een PTSS is het van belang door te vragen. Wanneer het moeilijk blijkt om de kans op een PTSS in te schatten, kan er gebruik worden gemaakt van vragenlijsten waarvan er diverse soorten in omloop zijn.

Verdiepingsfase. Na de boven beschreven Screeningsfase gaat het Zorginstituut Nederland dit onderwerp verder onderzoeken in een verdiepingsfase. Het doel van die tweede fase is te komen tot concrete aanbevelingen voor verbeteringen op het gebied van patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS.

De resultaten van de verdiepingsfase worden eind 2019 verwacht.

Bronnen
Screeningsfase. Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Zorginstituut Nederland, 3 juli 2018.
Brief van Zorginstituut Nederland aan minister Bruins van VWS dd 5 juli 2018

 

© Copyright tekst en cartoons: Partner Productions 

naar boven

 

 

Naar boven

BRONNEN BIJ NIET STOREN

KRITISCHE VAKLITERATUUR

In de jaren 1987 t/m 1996 verschijnt de ene na het ander kritische publicatie over de Riagg's waaronder vijf onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut. De publicaties behandelen onder meer de geringe animo van de hulpverleners om zich met de concrete problemen van de cliŽnt bezig te houden, de onwil om cliŽnten met een migratieachtergrond te behandelen, de ongerichte behandelingen, de ontevredenheid van de cliŽnten, de arrogantie van de hulpverleners, de verregaande bureaucratie en het wegwuiven van kritiek. 

Kritische onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut (1992-1995)

Sande, R. van der, F. Hoof en G. Hutschemaekers (1992). Vraag en aanbod in de Riagg. Een praktijkstudie van de Riagg-zorg voor volwassenen. Utrecht: Trimbos-instituut).
- De afstemming van het hulpaanbod door de Riaggís op de hulpvraag van de cliŽnt is te gering. Niet de hulpvraag van de cliŽnt staat centraal, maar de voorkeur van de hulpverlener voor 1) een bepaald type cliŽnt (jong, goed opgeleid, van Nederlandse afkomst), 2) een bepaald type probleem (vaag; liever geen concrete, alledaagse levensproblemen) en 3) een bepaald type behandeling (intensieve, op groei en inzicht gerichte psychotherapie; liever geen steunende, praktijkgerichte gesprekken en/of oefeningen).
Als concrete sociaal-maatschappelijke problemen op de voorgrond staan, menen de hulpverleners dat er onvoldoende aanknopingspunten voor een behandeling zijn. Dan verloopt de behandeling ongericht en haken de cliŽnten in een vroeg stadium af. Volgens de hulpverleners zelf is het mislukken van de behandeling vooral terug te voeren op de geringe therapeutische mogelijkheden van de afgehaakte cliŽnten; dat wil zeggen op het onvermogen om problemen, gedachten en gevoelens onder woorden te brengen en angstwekkende themaís aan te snijden. Daartoe zou een derde van de cliŽnten niet in staat zijn. Met andere woorden, die cliŽnten die hun problemen niet op een voor de hulpverlener heldere wijze kunnen formuleren, vallen buiten de boot. De meeste cliŽnten hebben geen behoefte aan een diepgravende behandeling. Ze hebben steun nodig bij concrete, actuele problemen. 
Conclusie. De onderzoekers concluderen dat de hulpvraag niet los kan worden gezien van de sociaal-maatschappelijke context en de leefsituatie van de cliŽnt. Zij zien het als een uitdrukkelijke taak van de Riagg om een hulpaanbod te ontwikkelen dat zich ook op die leefsituatie richt.

G. Hutschemaekers, W. Brunenberg en H. Spek (1993). Beroep psychotherapeut. Een verkennend onderzoek naar persoon, werk en werkplek van de psychotherapeut in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Zogenaamd Ďleukeí cliŽnten, dat zijn goed opgeleide cliŽnten met vage problemen, komen eerder in aanmerking voor psychotherapie dan minder goed opgeleide cliŽnten met concrete, actuele problemen. De psychotherapie moet beter worden afgestemd op de hulpvraag van bredere groepen cliŽnten.

Bijl, R. en F. Lemmens (1993). Aan het werk. Een verkennend onderzoek naar gezondheidsrisicoís, arbeidsongeschiktheid en reÔntegratie van werknemers in de geestelijke gezondheidszorg. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Juist in de geestelijke gezondheidszorg zijn veel werknemers wegens psychische problemen langdurig ziek of afgekeurd. Belangrijkste reden: slechte arbeidsverhoudingen. Zieke werknemers hebben vaak kritiek op de behandelvisie. Zij fungeren als zondebok voor de slechte werksfeer.

Bijl, R.V., C.G.L. van Deursen, A. van Gageldonk en R.W.M. GrŁndemann (1994). Riagg en werk. Omvang, aard en behandeling van arbeidsgebonden problemen bij Riagg-cliŽnten. Utrecht: Trimbos-instituut).  
- Bij 81% van de werkende cliŽnten is sprake van arbeidsgebonden problematiek. Die komen in de hulpverlening niet of onvoldoende aan de orde terwijl hieraan van de kant van de cliŽnten wel behoefte is. Riagg-hulpverleners hebben weinig belangstelling voor de arbeidsproblemen van hun cliŽnten. Zij hebben te eenzijdig aandacht voor puur intrapsychische processen en zijn niet in staat bij arbeidsgebonden problemen praktijkgerichte hulpverleningstechnieken toe te passen.

Wolf, J. (1995). Zorgvernieuwing in de GGZ. Evaluatie van achttien zorgvernieuwingsprojecten. Utrecht: Trimbos-instituut)
- De zogeheten zorgvernieuwingsprojecten, dat zijn de pogingen tot samenwerking en fusie van de verschillende instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, creŽren veel spanning en onrust, maar geen vernieuwing van de zorg.

Kritische publicaties over de GGZ-hulp na de Bijlmerramp

J.J. Van Uchelen en B.P.R. Gersons (1995b). De Bijlmermeer-vliegramp; een vervolgonderzoek naar de lange termijn psychische gevolgen en de nazorg bij getroffenen. AMC, Vakgroep Psychiatrie.
-
Anderhalf jaar na de Bijlmerramp kampt nog 34% van de slachtoffers met een verwerkingsstoornis terwijl het merendeel van de betrokkenen behandeld is. De onderzoekers signaleerden dat de behandelexpertise met betrekking tot de Post Traumatische Stress-stoornis in de Riagg Zuidoost ontoereikend was. 

Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer EnquÍte. Sdu Uitgevers, Ďs-Gravenhage, 1999.
-
In 1998 kampen nog zeker 100 mensen  met een Posttraumatisch Stress-stoornis ten gevolg van de Bijlmerramp, ondanks het feit dat ze in 1992 en 1993 zijn behandeld.  De psychische nazorg is op een aantal punten tekort geschoten.

Selectie kritische publicaties in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (1987-1995)

Verhaaren, Frans. Riagg's onder druk: naar een nieuw kwaliteitsbesef?  Maandblad Geestelijk volksgezondheid 4, 1987 (19-34).
- De RIAGGS zijn bureaucratische bolwerken waarin te weinig vanuit de cliŽnt wordt gedacht. In de bejegening van de cliŽnt spelen de belangen van de hulpverlener een een doorslaggevende rol. De Riagg-directie heeft slechts een voorwaardenscheppende taak waardoor de inhoud van het werk weinig of niet aan de orde komt.

Beenackers, A.A.J.M. (1995). Riagg-dossiers nader bekeken. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 609-619.
- Onderzoek naar de dossiervoering in de Riaggís naar aanleiding van de constatering van de Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid dat Riagg-dossiers in het algemeen slecht tot zeer slecht worden bijgehouden. 
De dossiers zijn onvindbaar, onleesbaar en onbegrijpelijk. 
Intakeverslagen zijn vaak "rommelige documenten"  waarin de informatie over de cliŽnt  "onsamenhangend en fragmentarisch" wordt verstrekt zonder vooruitblik op de behandeling. De wel goed verzorgde intakeverslagen, die twee tot twaalf getypte kantjes beslaan, bevatten een uitvoerige levensbeschrijving waarin echter niets doorschemert van een richting waarin de oplossing voor de psychische klachten gezocht moet worden. Er wordt geen behandelplan op schrift gesteld en er worden geen aantekeningen over het verloop van de behandelingen gemaakt. De behandeling wordt noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd.

Osselaer Schouterden, H.C.D.E. van (1995). Afhaken als oplossing. Drop-out bij Riagg's onderzocht. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 3-14
- De helft van de Riagg-cliŽnten haakt al na een paar contacten af. De belangrijkste redenen zijn: gebrek aan vertrouwen in de hulpverlener en het gemis aan een steunende, menselijke relatie. Riagg-hulpverleners zijn geneigd ďlastigeĒ cliŽnten zodanig te behandelen dat deze in een vroeg stadium afhaken.

J. de Kroes. Opgenomen bij Korrelatie. Een overzicht van de vragen en klachten naar aanleiding van de Vara-serie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 10, 1995, pag. 1087-1094.

Selectie kritische publicaties van cliŽntenorganisaties

Maatwerk? Knelpunten in de geestelijke gezondheidszorg (1995). Amsterdam: Stichting Pandora
- Hulpverleners geven cliŽnten onvoldoende of geen informatie over hun rechten en over de aard, de duur en het doel van de behandeling, hebben weinig aandacht voor concrete, actuele levensproblemen, zijn slordig met de dossiers, weigeren cliŽnten vaak inzage in hun dossier en nemen klachten van cliŽnten over de behandeling niet serieus.

5R. Kragten. Bejegening in de GGZ. CliŽnten in de geestelijke gezondheidszorg aan het woord over bejegening. Utrecht: CliŽntenraad Willem Arntsz Huis, 1997.

M. de Jong. Ď60 ways to drop your clientí. Het anti-participatieboekje. Groningen: Netwerk CliŽntendeskundigen / Utrecht: Nederlandse PatiŽnten/Consumenten Federatie, 1997

R. Eelman. Psychotherapie, om dol van te worden? Een zoektocht naar argumenten en beleid. Amsterdam: Amsterdams PatiŽnten/Consumenten Platform, 1996.


Overig

Sterman, D. (1996). Een olijfboom op de ijsberg. Een transcultureel- psychiatrische visie op en behandeling van de problemen van jonge Noord-Afrikanen en hun families. Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders.
-
Hierin kritiseert de auteur onder meer het feit dat aparte secties in de Riagg die veelal worden bezet door hulpverleners met een migratieachtergrond zich met de hulpverlening aan migranten bezighouden. Hij noemt deze secties Ďetno-lokettení en waarschuwt voor een nieuwe vorm van Ďapartheidí.

Manifest GGZ. Verontrustende Ontwikkelingen. Utrecht: Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, 1998.

Dr  E. Dekker. Het beleid beleefd. Vraaggerichtheid van de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Trimboslezing 1998.

Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), E. Borst-Eilers, aan de Tweede Kamer der Saten-Generaal: Geestelijke Gezondheidszorg  (25 424 nr. 1 & 2 ) dd 24 juni 1997.

AO Adviseurs voor organisatiewerk Driebergen. De toekomst kijkt achterom (1991). Organisatieadviesrapport over de Riagg Zuidoost.
Citaat uit het rapport:

- "De dominante cultuur in de Riagg Zuidoost is er een van volstrekte individualisering, verregaande onaanspreekbaarheid op gedrag en kwaliteit, verbittering naar elkaar en naar het management, en ongeloof in enige mogelijkheid tot verbetering. Deze sfeer van ontevredenheid, cynisme en zelfbeklag blijkt al jaren te kunnen voortduren. Veel hulpverleners trekken zich op hun individuele vakuitoefening terug en zijn niet meer gemotiveerd voor kwaliteitsbewaking of innovatie. Het onderlinge klimaat binnen enkele afdelingen en op Riagg-niveau is onveilig, verbitterd of apathisch. Medewerkers en leidinggevenden houden elkaar gevangen in een patroon dat tot een verziekte onderlinge sfeer leidt."
De organisatieadviseur spreekt over "een hopeloze jungle".

 

 

DE PERS: COMMON KNOWLEDGE

In de jaren 1992 t/m 1996 besteden de landelijke dagbladen regelmatig aandacht aan de  Riagg's. Ze doen onder meer verslag van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut (zie linker kolom). Het ondermaatse functioneren van de Riagg's is dan ook common knowlegde. De onderstaande bloemlezing is als inleiding opgenomen in Niet storen (pag. 11-14).

de Volkskrant, 16 december 1992
Behandelduur valt veelal korter uit
Hulpaanbod Riagg's gaat vraag cliŽnten te boven. 
Door J
et Bruinsma  
UTRECHT - Riagg-hulpverleners streven bij de behandeling veel ambitieuzer doelen na dan hun cliŽnten. Zij mikken vaak op een intensieve, op inzicht en persoonlijke groei gerichte behandeling, terwijl de cliŽnten vooral behoefte hebben aan steun bij het verwerken van hun problemen. (...)    
Dit is een van de opvallendste bevindingen uit het gisteren verschenen onderzoek Vraag en aanbod in de Riagg. Het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) ondervroeg in opdracht van vijf
Riaggís (drie in Utrecht, een in Rotterdam, een in Hilversum) drieduizend volwassen cliŽnten. (...)  
De hulpverleners vinden, blijkt uit het rapport, dat een behandeling de cliŽnt inzicht moet geven in zijn problemen en hem in staat moet stellen tot persoonlijke groei. CliŽnten die daartoe niet in staat zijn of behoefte hebben aan het oplossen van praktische problemen (...) voldoen niet aan dat ideaal en krijgen het vaakst een weinig intensieve behandeling. (...) De onderzoekers adviseren de Riaggís om hun beleid beter aan te passen aan de wensen van de cliŽnt. Niet het ideaal van de hulpverleners moet centraal staan, maar de wens van de cliŽnt.  

de Volkskrant, 8 juli 1994  
Problemen op het werk miskend door Riagg  
DEN HAAG - De Riaggís hebben weinig oog voor de problemen die cliŽnten op hun werk hebben. Ze weten ook niet goed hoe ze hulp kunnen bieden bij deze problemen. Ruim de helft van de werkende Riagg-cliŽnten loopt in de Ziektewet. Bijna een kwart van de cliŽnten met een baan zegt dat zij op het werk slechter functioneren. Toch registreert driekwart van de Riaggs geen gegevens over de arbeidsproblemen van de hulpvragers, hoewel die wel mede de oorzaak zijn van het verzoek om hulp bij de Riagg. Dit blijkt uit een gisteren gepubliceerd onderzoek door het Nederlands centrum Geestelijke volks≠gezondheid (NcGv) en TNO Preventie en Gezondheid. (...). Er werden vijfhonderd cliŽnten van tien Riaggís ondervraagd, en behandelaars van tien andere Riaggís. De 59 Riagg-directeuren kregen allemaal een vragenformulier toegestuurd. Het is geen uitzondering dat een zieke Riagg-cliŽnt drie maanden moet wachten voor hij wordt geholpen. De onderzoekers vinden dan ook dat de Riaggís kortlopende therapieŽn moeten ontwikkelen, om te voorkomen dat de hulpvragers nog voor een langdurige therapie is voltooid, in de WAO belanden. De Riaggís zijn volgens de onderzoekers vanuit hun traditie meer gericht op problemen die in de persoonlijke levenssfeer of in het gezin van de hulpvrager liggen. Dat de problemen van hun cliŽnten vaak mede veroorzaakt worden door het werk, wordt miskend. De hulpverleners vragen niet systematisch naar problemen op het werk. Zij registreren ze ook meestal niet. De meest ge noem de arbeidsgebonden problemen zijn: te hoge werk druk, geestelijk te inspannend werk, conflicten met de leiding, slechte werksfeer, onzekerheid over het behoud van de functie.   

de Volkskrant, 25 mei 1996
Psychiater pleit tegen gemakzucht van behandelaars en voor improvisatievermogen. "Veel therapeuten ontlopen allochtone cliŽnten."
Door Bas Mesters
AMSTERDAM - Desinteresse ten opzichte van psychische problemen van migranten is bij therapeuten nog niet uitgeroeid. Allochtonen worden vaker geweigerd voor psychotherapie dan autochtonen. (...) Psychiater D. Sterman kan het niet laten om in zijn onlangs verschenen boek Een olijfboom op de ijsberg in deze zin af en toe een flinke tik uit te delen. Hij houdt een pleidooi tegen gemakzucht van veel therapeuten en voor improvisatievermogen. (...) Het is volgens Sterman de taak van de Inspectie voor de Volksgezondheid om erop te letten dat therapeuten niet met de hapklare brokken aan de haal gaan en moeilijke problemen vermijden die juist vaak bij migranten spelen. ĎHoewel de koudwatervrees wat afneemt, zie ik om me heen nog veel weerstand om cliŽnten van buitenlandse afkomst te behandelen. Veel therapeuten gebruiken allerlei smoesjes om ze te ontlopen.í (...) ĎAls hulpverlener kun je de plank behoorlijk misslaan als je de culturele codes niet kent.í (...) Daarom is een open geesteshouding van de therapeut onontbeerlijk voor een goede behandeling van een migrant. Behandelaars moeten niet blijven vastzitten in hun eigen ideologische scholen. ĎTherapeuten willen in methoden en dogmaís geloven. (...) We dienen in te zien dat sommige methodieken niet op iedereen van toepassing zijn, en behoren oog te hebben voor de persoonlijke levensgeschiedenis en de culturele codes waaraan de cliŽnt zich confor≠meert.í (...) Sterman voelt niets voor wat hij etno-loketten noemt: secties binnen de Riaggs, die zich specialiseren in cliŽnten van buitenlandse afkomst. ĎDat is moreel verwerpelijk. Het leidt tot discriminatie en is ook praktisch onhaalbaar. (...) En bovendien: wanneer is iemand nog een migrant? Ook als zijn oma van buitenlandse komaf was?í (...)  

de Volkskrant, 21 september 1994  
Slachtoffers incest oordelen negatief over hulpverlening
LEIDERDORP - Slachtoffers van incest hebben weinig waardering voor de hulpverlening na hun aangifte bij de politie. (...) De doorverwijzing van de politie naar een hulp verlenende instantie schiet (...) vaak tekort. Deels door een slechte onderlinge samenwerking, deels doordat de politie vaak aanloopt tegen onbereikbaarheid van instanties `s avonds, `s nachts en in het weekeinde. Soms gaan er weken voorbij voordat een slacht≠offer bij de aangewezen instantie terecht kan. Ook blijkt die instantie soms niet geschikt voor de behandeling van incestproblematiek. Twee instanties springen er in negatieve zin uit: het Bureau Slachtofferhulp en de Riagg.

Het Parool, 8 juni 1995
Riaggís: blanco dossier, eindeloze behandeling
AMSTERDAM - Bij de Riaggís in de Gooi- en Vecht streek en in Flevoland worden dossiers niet bijgehouden en ontbreken behandelplannen. Het is niet duidelijk of behandelingen enig resultaat hebben. Dit blijkt uit een onderzoek van de psycholoog dr. A. Beenackers in opdracht van de twee Riaggís dat is gepubliceerd in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid. De algemene indruk van Beenackers is dat de Riaggís vrijwel niets doen, en dat wat ze wel doen tot niets leidt. In de meeste dossiers ontbraken aantekeningen over de behandeling. Vaak was niet duidelijk Úf er wel werd behandeld, omdat de dossiers, afgezien van een verslag van het intakegesprek, blanco waren. De hulpverleners gaven bijna nooit aan wat zij dachten te bereiken en op welke termijn. Behandelingen werden niet afgesloten omdat de klacht was verholpen, maar omdat de cliŽnt er genoeg van had.

de Volkskrant, 21 oktober 1996
Ontevreden cliŽnten zadelen Riagg's op met slecht imago  

AMSTERDAM. Riaggís hebben een slecht imago. Mensen met psychische problemen vragen steeds vaker hulp buiten de Riagg om. Dat zegt P. Anzion van Stichting Pandora, die de belangen van psychiatrische (ex-)patiŽnten behartigt, tijdens de presentatie van het jaarverslag van de Riagg. ĎWij krijgen vaak te horen dat buren, familie, kennissen of vrienden hebben gezegd dat je vooral nŪet naar de Riagg moet gaan. Dat is gebaseerd op een vooroordeel, maar wij signaleren wel dat de Riagg fouten maaktí, stelt Anzion.Telefonische klachten over Riagg- hulpverleners en hun behandelmethoden zijn bij de stichting toegenomen ten opzichte van vorig jaar. CliŽnten klagen voornamelijk over de gebrekkige informatievoorziening. Zij worden slecht op de hoogte gesteld van het behandelplan, de voortgang en het zicht op een afronding. Bovendien worden zij vaak niet geÔnformeerd over mogelijkheden voor vervolgbehandelingen of alternatieven.
Riagg-cliŽnten die ontevreden zijn over hun hulpverlener willen vaak de sporen van de 
behandeling uitwissen. Maar als zij inzage vragen in hun dossier, of hun medische gegevens willen kopiŽren of vernietigen, worden zij volgens Anzion Ďmeestal met smoesjes afgescheeptí. Daarmee komen hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg de informatieplicht in de Wet op de Geneeskundig Behandelingsovereenkomst (WGBO) slechts mondjesmaat na, is de conclusie van Stichting Pandora in het zojuist verschenen jaarverslag.
Wanneer het niet klikt met de hulpverlener, is het niet gemakkelijk om een andere toegewezen te krijgen. Daar komt nog bij dat Riaggís vaak een lange wachtlijst hebben, zowel voor een intake-gesprek, als tussen dit gesprek en de behandeling. Ook vinden patiŽnten het vervelend dat zij verplicht naar de Riagg in hun regio moeten. ĎZij kunnen nergens anders heení, zegt Anzion. ĎAls je niet gelukkig bent met de Riagg bij jou in de buurt, houdt het op. Tenzij je heel veel geld hebt, dan ga je naar een particuliere psycholoog. Maar dan ben je al gauw honderdtwintig tot honderdvijftig gulden per gesprek kwijt.í(...)

de Volkskrant, 26 oktober 1996
CliŽnten zijn ontevreden over behandeling en gebrekkige informatie
AMSTERDAM - ĎIk voel me net een nummerí, zegt Mark. íDe behandeling is heel onpersoonlijk. Echt lopendebandwerk. Volgens mij komen alle randgroeppsychiaters die geen werk kunnen vinden, bij de Riagg terecht.í Mark is in therapie in de Riagg in Groningen. Hij is niet tevreden over de instelling die hem over zijn depressiviteit heen moet helpen. Ook Annet die bij de Riagg in Utrecht wordt behandeld, heeft klachten. ĎHet nut van de behandelmethode is me nog steeds niet duidelijk. Alles wordt in een team buiten mij om besproken. Ondanks beloftes krijg ik daar dan niks van te horen.í Uit het jaarverslag van Stichting Pandora, die de belangen van (ex-)psychiatrische patiŽnten behartigt, blijkt dat een toenemend aantal cliŽnten klaagt over de gebrekkige informatievoorziening bij de Riagg. Zij zijn vaak slecht op de hoogte van het behandelplan, de voortgang die is geboekt, het zicht op een eindresultaat en mogelijkheden voor een vervolgbehandeling of alternatieven. Daar naast komen veel klachten binnen over de lange wachttijden en het ontbreken van een afsluitend gesprek of nazorg. Niet alleen bij Pandora wordt hierover geklaagd, maar ook bij de CliŽntenbond, de Stichting Korrelatie en bij de Informatie- en Klachtenbureaus voor de Gezondheidszorg.
ĎUit een onderzoek van het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) naar de tevredenheid van Riagg-patiŽnten blijkt dat eenderde van alle cliŽnten Ďtenminste kanttekeningen bij de hulpverlening plaatstí of Ďnegatief tot zeer negatiefí over de instelling is. Ruim een kwart vindt dat de behandeling niet of nauwelijks heeft geholpen, en een op de vijf cliŽnten beŽindigt uit onvrede voortijdig het contact met de Riagg. Ď
Een van die mensen is Marian. Zij zegt dat zij geen ruimte kreeg om kritiek te leveren op haar behandeling, nadat zij zich al maanden had afgevraagd of die wel nut had. 'Ik durfde er bijna niet over te beginnen, maar ik heb toch gevraagd waarom mijn therapeut op die manier te werk ging. Hij werd kwaad en zei geÔrriteerd: ďIk ben hier degene die weet wat het beste voor jou isĒ, en verder niks.í (...)

     

naar boven

 

 

 

Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Verleden en heden van de GGZ 

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl 

© 
protected 
by
pictoright