Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Kritische beschouwing over de ambulante GGZ

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl

© 
protected 
by
pictoright


Dr. Saar Roelofs  
NIET STOREN
EEN KRITISCHE BESCHOUWING OVER DE RIAGG 
IN WOORD EN BEELD

BelvťdŤre (1997)

Nog steeds actueel


"Treffend en geestig."
EenVandaag

"Een boek met een ontegenzeglijke kracht."
Zorg en Welzijn

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk dat belangrijke vragen stelt." 
Amsterdamse PatiŽnten Krant

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend, is zeer verontrustend. 
Niet storen  beschrijft die processen haarfijn." 

Jos H. Dijkhuis, oud hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie


 

BRONNEN


BelvťdŤre,  maart 1997
A4 formaat, 163 pag.

GeÔllustreerd met 80 cartoons


In Wie is er nu gek? (2008) 
gaat Saar Roelofs dieper in op 
de
therapeutische relatie

   

INTRO

Niet Storen is een kritische beschouwing over de ambulante (poliklinische) geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen rond 1997. Het boek deed veel stof opwaaien. 

De ggz verkeert al jaren in een crisis. Aan de hand van Niet storen wordt duidelijk dat die crisis onder meer is terug te voeren op inhoudelijke zaken, dat wil zeggen op de vaak inefficiŽnte wijze waarop al bijna een kwart eeuw zorg wordt verleend.

Thema's in Niet storen die nog steeds actueel zijn:
-
De gebrekkige hulp aan mensen met een (complex) trauma 
- en daarmee samenhangend: de voorkeur van hulpverleners voor
.."gemakkelijke" cliŽnten.
- De verlammende bureaucratie.
-
De lange wachtlijsten.
- De achterstelling van preventie van psychische problemen.
- De starre diagnostiek op basis van het psychiatrisch handboek DSM.

Lessen uit het verleden
Niet storen analyseert deze thema's. Het boek biedt
heden dan 
ook aanknopingspunten om lessen uit het verleden te trekken.

 


NIET STOREN IN HET KORT

Niet storen biedt op toegankelijke wijze inzicht de ambulante 
geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen in de Riagg's* met informatie over uiteenlopende behandelingsmethoden, achtergronden en analyses.
*Regionale Instellingen voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg.

Het boek is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaronder de kritische vakliteratuur over de Riagg's (1987-1996), publicaties 
van Riagg's uit alle windstreken (1991-1996), onderzoek naar cliŽntendossiers en eigen observaties als afdelingshoofd Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg Zuidoost* in Amsterdam (1991-1993). Zie bronnen
.
*De Riagg Zuidoost is inmiddels opgegaan in Arkin GGZ Amsterdam.

Niet storen is gelardeerd met praktijkvoorbeelden, citaten uit de vakpers en kopstukken uit het veld, en de wereldliteratuur, en is verluchtigd met pastiches en 80 cartoons van eigen hand.deel III
Het boek bestaat uit drie delen

1)
De organisatie, 2) De hulpverlening en 3) Vernieuwingen

Bijlmervliegramp
Het boek
sluit af met een verklaring voor de ontoereikende hulp  van de Riagg Zuidoost aan de slachtoffers van de Bijlmerramp.

 


                             
                        
Over het ontstaan van
Niet storen
Een organisatieadviseur in de Riagg Zuidoost was na drie adviesrondes niet staat veranderingen in wat hij noemde een "hopeloze jungle" teweeg te brengen. Onder het motto "als praatjes niet meer helpen dan maar plaatjes" verzocht hij Saar Roelofs als "cultuurinterventie" cartoons over de organisatie te maken omdat zij - in zijn woorden - "nog niet door het Riagg-virus was besmet". Na een eerste serie ontstonden in de daarop volgende jaren verschillende versies over de Riagg's in het algemeen. In 1996 werden 80 cartoons in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam tentoongesteld. Een uitgever die de expositie bezocht, vroeg Saar Roelofs er een tekst bij te schrijven. Dat resulteerde in 1997 in Niet storen. In samenspraak met de uitgever is gekozen voor een collagevorm teneinde een toegankelijk boek te maken en geen zware kost.


SAMENVATTING

DEEL I: DE ORGANISATIE

Inleiding 
Het boek opent met een bloemlezing van artikelen door
de landelijke dagbladen waarin onder meer verslag wordt gedaan van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut over het ondermaatse functioneren van de Riagg's in de jaren 1992-1996.

Over de Riagg's
Van 1981 tot 2000 is de ambulante geestelijke gezondheidszorg ondergebracht in 59 Riagg's - met uitzondering van een paar instellingen die nog tot 2015 die naam droegen.  

Het ontstaan van de Riagg's
Deel I begint met geschiedschrijving over de Riagg's. In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werden per regio alle reeds bestaande instellingen voor ambulante ggz te weten het Medisch-Opvoedkundig Bureau (MOB), de Sociaal-Psychiatrische Dienst (SPD), het Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie (IMP) en het Bureau voor Levens- en Gezinsvraagstukken (LGV), in Riagg's samengevoegd. Er ontstonden drie behandelafdelingen: Psychotherapie (gericht op groei en inzicht), Sociale Psychiatrie (gericht op concrete sociaal-maatschappelijk problemen) en Jeugdzorg. Aan dit conglomeraat van gevestigde instituten werden nieuwe afdelingen toegevoegd die zich gingen bezighouden met de preventie van psychische problematiek en de integratie van vernieuwingen in de traditionele hulpverlening. Zo ontstonden de Riagg's. Het doel van de fusie was om de efficiŽntie te bevorderen en de samenwerking tussen de diverse disciplines te verbeteren. 

Mislukte fusie
De fusie is echter nooit goed gelukt. In plaats van samen te werken, legden de hulpverleners de nadruk op het eigen specialisme dat zij meebrachten uit de gespecialiseerde instituten waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Het hulpaanbod sloot vaker aan bij de bestaande methoden en technieken dan bij de hulpvragen van de cliŽnt. CliŽnten die niet goed binnen de bestaande methoden passen, vielen buiten de boot.

Steeds meer regels, voorschriften, procedures en protocollen
Deel I bespreekt vervolgens de vergadercultuur, het omslachtige taalgebruik, de frequente schermutselingen tussen collega's en de groepsdruk die het uitdragen van een eigen visie belet. Aan de orde komt hoe door de zorgorganisaties zelf steeds meer en steeds strakkere regels, voorschriften, procedures, protocollen en gedragscodes worden opgesteld teneinde de conflicten en grensschermutselingen tussen de collega's in toom te houden.

 


Dit heeft gevolgen voor de hulp aan cliŽnten: 

Een citaat uit Niet storen:

Creatief boekhouden. De Riagg-medewerkers zijn verplicht om dagelijks per tijdseenheid te registreren wat zij die dag hebben gedaan, in sommige gevallen zelfs per tien minuten. Ze moeten aangeven hoe lang een contact met een cliŽnt duurde, wat de aard van dat contact was en waar het contact plaatsvond. Van de overige activiteiten dienen ze in te vullen of die vallen in categorie 'signaleren en doorgevení, 'beleidsontwikkelingí, 'verslagleggingí, 'overlegí, 'voorlichtingí, 'consultatieí of 'netwerkontwikkelingí. Beslist geen elkaar uitsluitende categorieŽn. Het is dan ook geen wonder dat lang niet alle medewerkers hier een gewetenskwestie van maken. Of dat sommigen er gewoon de hand mee lichten. Iemand die een half uurtje lekker met een collega heeft zitten kletsen, noteert drie maal tien minuten 'signaleren en doorgevení.

Bijna een kwart eeuw later:

"Regelgekte"


Waar blijft de eigen identiteit? 
Een eigen visie op de hulpverlening wordt niet aangemoedigd. Integendeel. De hulpverlener kan over bijna geen enkel onderwerp zelfstandig een beslissing nemen. Iedere activiteit, al is die nog zo onbeduidend, dient in uiteenlopende teams, commissies en overlegorganen met anderen besproken te worden. Wie zich onderscheidt, wordt door zijn of haar collegaís onder druk gezet om zich naar de meerderheid te voegen.
Vrijwel niemand voelt zich nog moreel verantwoordelijk voor het geheel of staat op om een persoonlijk geluid te laten horen. Dit alles gaat ten koste van de kwaliteit van de hulpverlening. 

Verdergaande fusies
Terwijl de fusie van de instituten voor ambulante geestelijke gezondheidszorg niet geslaagd genoemd kan worden, zijn er al weer verdergaande samenwerkingsverbanden met de overige instellingen voor ggz gaande. Wederom onder het motto dat de efficiŽntie van de ggz hierdoor wordt bevorderd. Of dit ook daadwerkelijk gebeurt, is maar zeer de vraag.

N.B. Na de publicatie van Niet storen zijn de meeste Riagg's gefuseerd met de overige instellingen voor GGZ in hun regio. 

Riagg-taal
In Deel I komt ook de Riagg-taal aan de orde: die is omslachtig, ondoorzichtig, onpersoonlijk en ver verwijderd van concrete onderwerpen die er in de hulpverlening toe doen. De taal camoufleert het gebrek aan communicatie en visie in de Riaggís. 

"Dubbeldenken"
Verder wordt ingegaan op het feit dat werknemers vaak tegelijkertijd meerdere functies met tegengestelde belangen vervullen en de onrust die dat in de organisatie teweegbrengt. Zoals George Orwell in zijn beroemde roman 1984 spreekt de auteur over "dubbeldenken".

Hulpverleners psychisch ziek van het slechte werkklimaat
In een instelling voor ggz verwacht je een sfeer van veiligheid en empathie.  Uit het onderzoek van het Trimbos-instituut Aan het werk blijkt echter dat juist in de geestelijke gezondheidszorg veel werknemers door de onveilige werkomgeving - de slechte arbeidsverhoudingen, het slechte management en onverenigbare functies of opdrachten - psychische problemen hebben en langdurig ziek of afgekeurd zijn. De zieke werknemers fungeren als zondebok voor de slechte werksfeer. De auteur geeft de Riagg Zuidoost als voorbeeld van een zieke organisatie. Ze vraagt zich af hoe hoe hulpverleners in een zieke organisatie zorg kunnen dragen voor de gezondheid van hun cliŽnten.

Niet storen
De enige plek waar de hulpverleners ongestoord hun gang kunnen gaan, is tussen de vier muren van de behandelkamer achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen. Daar zijn ze eigen baas. Over wat er in de behandelkamer gebeurt, vragen collega's elkaar geen verantwoording.

 

naar boven

 



DEEL II: DE HULPVERLENING

 

Het psychiatrisch handboek DSM

De DSM is niet geschikt als diagnostisch instrument
In Deel II wordt de hulpverlening in de ambulante ggz onder de loep genomen.
Een belangrijk punt van kritiek is het gebruik van het Diagnostisch en Statistisch Handboek voor Geestesstoornissen (DSM) bij het stellen van een diagnose. De DSM is namelijk niet geschikt als diagnostisch instrument: DSM-diagnoses bieden geen theorie over het ontstaan van de psychische problemen en evenmin aanknopingspunten voor de behandeling. Op ťťn uitzondering na, en dat is de diagnose Posttraumatische Stressstoornis ofwel PTSS. In de PTSS ligt de oorzaak al in de naam besloten: de stoornis ontstaat post, dat is na, een trauma. Bovendien bestaan voor een PTSS effectieve behandelingsmethoden die aansluiten op de problematiek van de getraumatiseerde mensen.

Schijnzekerheid
De DSM geniet een groot aanzien in de ggz.
Hoe valt de populariteit van dat handboek te verklaren? Die populariteit hangt niet samen met de wensen en noden van de cliŽnt en al evenmin met een hulpverleningsfilosofie. De beweegreden om dit handboek te gebruiken moet gezocht worden in de organisatiestructuur van de ggz: in de grote nadruk op beheersing en controle, op regels, procedures en voorschriften, in de angst voor onvoorspelbaarheid en vernieuwing. De organisatie is overgestructureerd. Alles ligt vast, tot in de meest onbenullige details. De DSM past in het heersende waardensysteem. Het geeft de hulpverlener datgene waaraan hij of zij gewend is: een technisch protocol, een atheoretisch systeem van regels en richtlijnen waaraan hij/zij zich dient te onderwerpen en waarin weinig ruimte is voor persoonlijke betrokkenheid.  Met een DSM-'diagnoseí reduceert de hulpverlener de belevingswereld van de cliŽnt tot een codenummer en een paar technische termen. De DSM biedt, kortom, schijnzekerheid.

Meer weten?

Zie ingekorte passage uit Niet storen op deze site:
De DSM is niet geschikt voor het stellen van een diagnose in de hulpverlening

"Riagnose"
Hoewel de DSM als diagnostisch instrumentveel aanzien geniet, nemen de hulpverleners het doorgaans  niet zo nauw met een zorgvuldige classificatie volgens de richtlijnen van de DSM. Zij gebruiken het handboek als een soort catalogus van etiketten. Omdat er in de ggz geen sprake is van een diagnose in de zin van een 'doorwetení of een 'doorschouwení van wat er met een cliŽnt aan de hand is, introduceert de auteur het begrip riagnose ter aanduiding van een pseudo-diagnose in de Riagg. 

Vanaf 1 januari 2008 dient aan een DSM-diagnose een standaardbehandeling te worden gekoppeld. Men spreekt over een zogeheten Diagnose Behandeling Combinatie (DBC). In haar boek Wie is er nu gek? uit 2008 legt Saar Roelofs uit welke bedenkingen ze bij de DBC heeft. Verder zet ze vraagtekens bij de strikte scheiding tussen gezonde en ziek.

 


Onsamenhangende dossiers

Riagg-dossiers worden in het algemeen slecht tot zeer slecht bijgehouden. De dossiers zijn onvindbaar, onleesbaar en onbegrijpelijk. Intakeverslagen zijn vaak rommelige documenten waarin de informatie over de cliŽnt onsamenhangend en fragmentarisch wordt verstrekt. De wel goed verzorgde intakeverslagen, die twee tot twaalf getypte kantjes beslaan, bevatten naast een beschrijving van de klachten een uitvoerige levensbeschrijving. Maar ook die intakeverslagen bieden geen aanknopingspunt voor de behandeling. Verder worden geen aantekeningen over het verloop van de behandeling gemaakt en wordt de behandeling noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd. Zie bronnen: het onderzoek Riagg-dossiers nader bekeken.

 



WEINIG BELANGSTELLING VOOR DE BUITENWERELD
ALS BRON VAN PSYCHISCHE PROBLEMEN

De wereld in de cliŽnt i.p.v. de wereld waarin de cliŽnt leeft
Na het stellen van de 'diagnose' volgt een meestal ongerichte behandeling, dat wil zeggen een behandeling zonder een duidelijk behandelplan, evaluaties en een zorgvuldige dossiervoering. 

Uit het onderzoek van het Trimbos-instituut Vraag en aanbod in de Riagg blijkt dat niet de hulpvraag van de cliŽnt centraal staat maar de voorkeur van de hulpverleners voor een puur verbale hulpverlening aan relatief jonge, goed opgeleide, witte cliŽnten met vage klachten. Als concrete sociaal-maatschappelijke problemen op de voorgrond staan, menen de hulpverleners dat er onvoldoende aanknopingspunten voor een behandeling zijn. Dan verloopt de behandeling ongericht en haken de cliŽnten in een vroeg stadium af. 
Het gevolg is dat er weinig belangstelling bestaat voor de behandeling van oudere en minder goed opgeleide cliŽnten, mensen met een migratieachtergrond en mensen met concrete, in de buitenwereld opgelopen psychische problemen of trauma's - of dit nu vluchtelingen, in heden of verleden mishandelde en seksueel misbruikte mensen of slachtoffers van calamiteiten zijn.
De onderzoekers concluderen dat de hulpvraag niet los kan worden gezien van de sociaal-maatschappelijke context en de leefsituatie van de cliŽnt. Zij zien het als een uitdrukkelijke taak van de Riagg om een hulpaanbod te ontwikkelen dat zich ook op die leefsituatie richt.

Weinig aandacht voor lichaamsbeleving
Voor de relatie tussen lichaamsbeleving en psychosociaal functioneren was nauwelijks aandacht. Evenmin voor seksualiteit en overmatig gebruik van alcohol en/of kalmeringsmiddelen.

Meer weten?

Zie webpagina op deze site:
Angst: oorzaak en gevolg van overmatig alcoholgebruik

"Puzzelen"
De auteur merkt op dat de hulpverleners een voorkeur hebben voor 'puzzelen': in het verleden of de kindertijd van de cliŽnt zoeken naar puzzelstukjes die de huidige problematiek van de cliŽnt zouden kunnen verhelderen. Het 'puzzelen' geniet een hoge status in de ggz. Zie hieronder: Waarom is het puzzelen zo populair?


Terug in de tijd: de positie van de afdeling Psychotherapie in de
Riagg's
Hoe kon een uitsluitend op het innerlijk van de cliŽnt gerichte hulpverlening in de Riagg's zo'n stevige voet aan de grond krijgen? Om dat te begrijpen, is het nodig om terug te gaan in de tijd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ten behoeve van de hulp aan oorlogsslachtoffers Instituten voor Medische Psychotherapie (IMP's), opgericht. In een publicatie uit 1990 in het Maandblad Geestelijk volksgezondheid met de titel Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip, betoogt de hoogleraar psychiatrie in het AMC, Berthold Gersons, dat psychotherapeuten destijds maar weinig aandacht voor de oorlogstrauma's van hun cliŽnten hadden:

"In de beslotenheid van een instituut of praktijk waar de samenleving verder geen deel meer aan had en ook geen berichten meer over ontving, vond een psychotherapeutische interventie plaats, veelal ontkoppeld van een traumatisch oorlogsverleden." 

Het trauma van de oorlog werd - in termen van Gersons - ingeruild voor een "vroegkinderlijke emotionele oorlog" met psychoanalytische theorieŽn als uitgangspunt. 

Wanneer de IMPís als afdelingen Psychotherapie in de Riaggís terechtkomen, schenken ze nog steeds weinig aandacht aan in de buitenwereld opgelopen psychische pijn en trauma's (zie het onderzoek van het Trimbos-instituut: Beroep Psychotherapeut). 

In het kielzog van de psychotherapeuten richten de meeste Riagg-hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie, die tot taak heeft zich bezig te houden met concrete sociaal-maatschappelijke problemen, zich ongeacht hun discipline Ė maatschappelijk werk, sociaal-psychiatrische verpleegkunde, psychologie of psychiatrie Ė bij voorkeur op de binnenwereld van de cliŽnt en negeren zij in de buitenwereld opgelopen pijn of traumatische gebeurtenissen (zie de onderzoeken van het Trimbos-instituut: Vraag en aanbod in de Riagg en Riagg en werk).  

 

Waarom is het "puzzelen" zo populair? 

1. Status
Verschillen in behandelingsmethoden blijken gepaard te gaan met een verschillen in status. Als ongeschreven regel geldt dat een hulpverlener (m/v) veel aanzien geniet wanneer zijn/haar werkwijze gericht is op innerlijke psychische conflicten en het verleden van de cliŽnt; wanneer zijn/haar rol als deskundige zwaar weegt; en wanneer zijn/haar cliŽnt wit, jong en hoog opgeleid is en vage problemen heeft, zonder opvallende sociaal-maatschappelijke problemen en actuele noden. In de Amerikaanse vakliteratuur spreekt men van YAVIS-cliŽnten. YAVIS staat voor Young, Attractive, Verbal, Intelligent en Succesful. Van alle medewerkers in de Riaggís genieten de psychotherapeuten met hun traditionele, diepgravende verbale therapieŽn voor jonge, goed opgeleide witte cliŽnten met vage klachten dan ook het meeste aanzien.

2. Afdalen in het onderbewuste is leuk, klachtgerichte hulp is saai
De hulpverleners in de afdeling Sociale Psychiatrie willen niet alleen de doeners zijn die bij concrete problemen, wanneer de psychotherapeuten het laten afweten, de handen uit de mouwen moeten steken. Zij willen ook afdalen in het onderbewustzijn van hun cliŽnt. Ze willen net als de psychotherapeuten "puzzelen". Daarvoor hebben ze een dermate grote voorkeur dat ze dat het liefst bij iedere cliŽnt doen. Er is in alle behandelafdelingen dan ook zelden sprake van concrete, klachtgerichte behandelingen die cliŽnten relatief snel op de been zouden kunnen helpen. Bij de behandeling van een PTSS, bijvoorbeeld, dient de hulpverlener de cliŽnt geleidelijk met de traumatische herinneringen te confronteren. Daarvoor is geduld nodig, een methodische aanpak waarbij de hulpverlener de cliŽnt systematisch, stapje voor stapje, begeleidt om zijn of haar psychische problematiek om te buigen in gezonder gedrag. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid van de hulpverleners onvoldoende. Dat boeit hen niet genoeg.

3. De macht van het geheim
Een derde reden waarom de hulpverleners de voorkeur geven aan een "puzzeltherapie" boven een op de concrete, actuele problemen van de cliŽnt gerichte behandeling is de behoefte aan macht. Door de nadruk te leggen op ongrijpbare innerlijke processen - op innerlijke conflicten en onbewuste verbanden - creŽren de hulpverleners een afstand tussen zichzelf en de cliŽnt en maken ze van de hulpverlening iets geheimzinnigs. Zij maken van zichzelf gezaghebbende deskundigen met macht die de cliŽnt 'doorziení en van de cliŽnten personen die afhankelijk zijn van hun kennis, inzicht en bereidheid om uitleg te geven.


De gevolgen

Gebrekkige traumabehandeling
De hulpverleners sluiten dus niet aan de noden van cliŽnt maar voelen de behoefte om zich met wat doorgaat voor ďdieptepsychologie" te onderscheiden. In het verlengde van hun behandelvoorkeur is de hulp aan mensen met concrete, in de buitenwereld opgelopen problemen of trauma's gebrekkig.

Specialistische landelijke instellingen 
Specialistische instellingen als het Instituut voor Psychotrauma, Stichting Centrum í45 en het SinaÔ Centrum zijn de leemten die de Riagg's het gebied van traumabehandeling achterlieten, gaan opvullen. 

'Etnoloketten'
De voorkeur voor de behandeling van cliŽnten met een Nederlandse achtergrond leidt tot wat Riagg-psychiater Sterman in zijn boek 'etnoloketten' noemt, dat zijn aparte secties in de Riagg die zich bezighouden met hulp voor en door migranten. Sterman waarschuwt voor een nieuwe vorm van 'apartheid'. Zie bronnen: Een olijfboom op de ijsberg (1996) 


Persoonlijheidsstoornis: zout in de wonde
Wanneer bij een cliŽnt sprake is van problemen die het gevolg zijn van expliciete, in heden of verleden opgelopen trauma's, wordt dan ook zelden de DSM-diagnose PTSS (een stoornis die ontstaat na een trauma) gesteld. Meestal is dat de DSM-diagnose Persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidstoornis is in termen van de DSM een duurzaam, star gedragspatroon dat nauwelijks voor verandering vatbaar is en de 'persoonlijkheid' of het 'karakter' van de cliŽnt vertegenwoordigt. Zo kan het gebeuren dat misbruikte of verkrachte mensen als diagnose een van de Persoonlijkheidsstoornissen uit de DSM krijgen. In deze visie is niet het misbruik of de verkrachting abnormaal maar de persoon die een dergelijke gebeurtenis ondergaat. En dat is voor de cliŽnt zout in de wonde.

 


ONGEWENSTE CLIňNTEN

Uit het onderzoek Afhaken als oplossing blijkt dat bijna alle hulpverleners menen dat zij regelmatig met cliŽnten worden opgezadeld met wie ze niets kunnen en ook niets willen. Zij vinden dat veel cliŽnten niet geschikt zijn voor hun behandelingsmethoden. Ze zijn geneigd om zogeheten "lastige cliŽnten" zodanig te behandelen dat deze zelf al in een vroeg stadium afhaken. [In de Riagg Zuidoost sprak men in dit geval over een "oprotcontact".]

Meer weten?

Zie de webpagina op deze site:
Profijt gaat boven moraal

 


 

DE BEJEGENING VAN CLIňNTEN 

De hulpverlener waant zich onmisbaar
De hulpverleners zijn geneigd zichzelf een centrale rol in het leven van de cliŽnt toe te schrijven. Ze zien hun cliŽnten niet zelden als hulpeloos en onmondig, en vinden het soms moeilijk om zich voor te stellen dat de cliŽnt een eigen leven heeft - los van de hulpverlening; dat hij/zij zelf beslissingen neemt.

Meer weten?

De veerkracht van de hulpvrager

In haar boek Wie is er nu gek? (Scriptum, 2008) laat Saar Roelofs aan de hand van uiteenlopende praktijkvoorbeelden zien dat mensen in psychische nood - ook zonder tussenkomst van hulpverleners - in staat zijn onvermoede innerlijke krachten aan te boren.   

De hulpverlener waant zich onfeilbaar
De hulpverleners menen in de regel dat ze geen fouten kunnen maken. Wanneer een cliŽnt ontevreden over een behandeling is, wordt zijn/haar klacht in de regel niet serieus genomen maar psychiatrisch geduid. Dan vindt de hulpverlener dat er sprake is van bijvoorbeeld 'overdracht', 'ageren', 'een dominante persoonlijkheid', 'onverwerkte agressie' of 'een aanklagende houding'. Volgens de hulpverlener is de onvrede van de cliŽnt vaak een onderdeel van de problemen waarvoor hij/zij in therapie kwam. De hulpverlener kan ook menen dat er Ė in plaats van ontevredenheid over de behandeling Ė sprake is van 'weerstand'. 'Weerstandí is een blokkade in de therapie die voortkomt uit de angst van de cliŽnt dat er pijnlijke gevoelens worden losgemaakt. Een ontevreden cliŽnt die het hulpverleningsjargon niet kende, staat machteloos tegenover dergelijke interpretaties van zijn of haar klachten: of een bepaald gedrag voortspruit uit onbewuste motieven, is noch te bewijzen noch te weerleggen. De cliŽnt kan er niets tegen inbrengen. Zo heeft de hulpverlener altijd gelijk. De klachten over de hulpverlening keren bij de cliŽnt terug als een boemerang. Zie de webpagina op deze site: Verstrikt in de hulpverlening.

Boemerang



TOEDEKKEN VAN de trauma's van de cliŽnt 

Bij de behandeling van in de buitenwereld opgelopen traumaís - of een vermoeden daarvan - overheerst het zogeheten 'toedekken'. Met 'toedekken' proberen hulpverleners pijnlijke of schokkende ervaringen van de cliŽnt onder de oppervlakte te houden of uit het bewustzijn te weren omdat de psychische draagkracht van de cliŽnt om de traumatische gebeurtenis te verwerken te gering zou zijn; omdat de cliŽnt de herinneringen niet aan zou kunnen en depressief, suÔcidaal of psychotisch zou worden. In sommige gevallen kan 'toedekken' een goede aanpak zijn, bijvoorbeeld bij cliŽnten die in een onstabiele, onveilige situatie verkeren. Vaak echter druist de 'toedekmethode' regelrecht in tegen de wens en noden van de cliŽnt. 

Meer weten?

Tegenoverdracht: angst voor de trauma's van de cliŽnt

in haar boek Wie is er nu gek? (Scriptum, 2008) laat Saar Roelofs zien dat de gangbare scheidslijn tussen de 'gezonde' hulpverlener en de 'zieke' cliŽnt soms heel dun is. Zo legt ze uit dat het 'toedekken' van trauma's vaak niet is gericht op het welzijn van de cliŽnt maar op het toedekken van de angst van de hulpverlener voor de traumatische ervaringen van de cliŽnt. Ook weren hulpverleners klachten van hun cliŽnt af wanneer deze raken aan hun eigen onverwerkte emotionele problemen. In deze gevallen is sprake van tegenoverdracht, d.w.z. van emotionele blokkades van de hulpverlener die een goede hulp in de weg kunnen staan.

Zie de ingekorte passages uit dit boek op deze site: 
Overdracht en tegenoverdracht 


 

         Hulpverlener (r), bang voor het trauma van de cliŽnt

 


ONTKENNING

In Deel II komt ook het onvermogen van veel hulpverleners en organisaties om met feedback van collega's, (cliŽnten)organisaties en de kritische vakliteratuur om te gaan aan bod. In de ggz is men geneigd die feedback naast zich neer te leggen of te weerspreken. Opvallend is dat men daarbij geen inhoudelijke, professionele argumenten gebruikt maar negatieve waardeoordelen uitspreekt zonder die met argumenten te onderbouwen. Zo werd Ad Beenackers, die onderzoek deed naar de ondeugdelijke dossiervoering in de Riaggís, door GGZ Nederland beschuldigd van ďkromme redeneringen en gebrek aan kennisĒ op basis waarvan hij probeerde ďde hele Riagg-sector onderuit te halenĒ. 

 


Teleurgestelde cliŽnten

Kritische rapporten van cliŽntenorganisaties laten zien dat veel cliŽnten teleurgesteld zijn in de hulpverlening. Niet iedere teleurgestelde cliŽnt weet echter de weg naar de cliŽntenorganisaties te vinden. Zij raken verstrikt in de hulpverlening.

Meer weten?

Passage uit Niet storen  op deze site:
Verstrikt in de hulpverlening

 



HET KAN OOK ANDERS

In Niet storen laat de auteur zien hoe het ook anders kan. 

Dossiers. Aan de hand van het Voorstel Dossiervorming van Ad Beenackers legt zij uit hoe de dossiervoering verbeterd kan worden. 

Traumabehandeling. De auteur beschrijft diverse vormen van trauma's, van eenmalige schokkende gebeurtenissen zoals een natuurramp, een verkrachting of een verkeersongeluk, tot complexe trauma's zoals in de kindertijd terugkerende mishandelingen of seksueel misbruik. Zij presenteert effectieve methodes om trauma's op te sporen en te verwerken.

Therapeutische programma's. De auteur geeft beschrijvingen van diverse therapeutische programma's voor psychische problemen als fobieŽn, sociale angst, psychosomatische klachten, overmatige alcoholgebruik en irrationele denkgewoontes. 

 

naar boven


DEEL III: VERNIEUWINGEN 

Preventie, Innovatie & Onderzoek

Hulp aan mensen met concrete sociaal-maatschappelijke problemen

In Deel III wordt aandacht besteed aan vernieuwingen door vooruitstrevende afdelingen in de Riagg's, de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek. Die afdelingen benadrukken dat behalve aan innerlijke psychische processen ůůk aandacht moet worden besteed aan de sociaal-maatschappelijke factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan en de instandhouding van de psychische problemen; dat er niet alleen aandacht moet worden besteed aan de wereld die in de cliŽnt leeft, maar ook aan de wereld waarin hij of zij leeft. Tot hun taken behoren:  

1) De opzet van nieuwe hulpverleningsprogramma's die gericht zijn op concrete, sociaal-maatschappelijke problemen van cliŽnten. Zo ontwerpen zij programma's voor mensen met arbeidsgerelateerde problemen, vluchtelingen, ouderen en getraumatiseerde vrouwen en meisjes. Daarvoor is samenwerking met de behandelafdelingen nodig.

2) De preventie van psychische problemen bij kwetsbare groepen in de samenleving zoals mensen met een migratieachtergrond, vluchtelingen, ouderen, arbeidsongeschikten en chronisch psychiatrische patiŽnten. Preventiewerkzaamheden zijn erop gericht de zelfredzaamheid van deze groepen te vergroten zodat ze het niet op een behandeling hoeven laten aankomen. Deze projecten worden door de Preventieafdelingen zelfstandig uitgevoerd.

In Deel III worden diverse preventie- en innovatieprojecten beschreven, o.a. voor vluchtelingen, cliŽnten met een migratieachtergrond en mensen met arbeidsgerelateerde problematiek.

Vernieuwing van de hulp en preventie worden niet serieus genomen

Wegens weerstand daartegen komen de innovatie- en preventieprojecten van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek (doorgaans kortweg 'preventie' genoemd) niet van de grond. Hun werk wordt meestal niet serieus genomen. De hulpverleners hebben immers een voorkeur voor cliŽnten met vage klachten en voor "puzzelen" als hulpverleningsmethode.

De hoogleraar Preventieve geestelijke gezondheidszorg, Clemens Hosman, merkt hierover op: 

"De gevestigde machten binnen de geestelijke gezondheidszorg hebben helaas weinig boodschap aan preventie, ze bezien die niet zelden met enig dťdain". 
(Zie bronnen: Preventie in de knel door fusies)

Er dreigt dan ook een exodus van medewerkers uit de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek (zie bronnen: GGZ-preventie. Een verslag van een conferentie.)

Bijna een kwart eeuw later:

De teloorgang van preventie

 


In het laatste hoofdstuk van Deel III wordt aandacht besteed aan de hulp in de Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp (bronnen).

Op 4 oktober 1992 stort een El Al Boeing neer op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg in het hartje van de Amsterdamse Bijlmermeer. Er vallen 43 doden. Vele ooggetuigen en nabestaanden zijn ernstig getraumatiseerd. De Riagg Zuidoost bevindt zich op een steenworp afstand van de rampplek en biedt hulp aan de rampslachtoffers. 84% van de slachtoffers heeft een migratieachtergrond.

Een metamorfose in de "hopeloze jungle"

In de jaren rond de Bijlmerramp heerst in de Riagg Zuidoost een diepgewortelde cultuur van angst, intimidatie en machtsmisbruik die al jarenlang bestaat. Na de ramp verandert de Riagg echter van een gesloten en bureaucratische organisatie in een open en slagvaardige instelling waar - in tegenstelling tot de gangbare praktijk - de hulpvraag van de cliŽnt centraal staat. Er is sprake van een collectieve inzet van het Riagg-personeel waaraan geen reglement, strategie of organisatieadviseur te pas komt.

De hulpverlening na de ramp

Nieuw migrantenbeleid
Aangezien het overgrote merendeel van  rampslachtoffers een migratieachtergrond heeft, wordt een door de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek opgesteld migrantenbeleid, dat al een tijd "op de plank" ligt, unaniem door het management aangenomen. Tot dit beleid behoren de besluiten om in alle behandelafdelingen meer hulpverleners met een migratieachtergrond in vaste dienst te nemen en om de hulp aan migranten in alle gelederen van de Riagg te verbeteren. 

Bijscholing over de preventie en behandeling van een PTSS
De directeur van het Instituut voor Psychotrauma, Carlo Mittendorff, wordt binnengehaald om bijscholing over de preventie en behandeling van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) te geven. De bijscholing betreft Imaginiaire Exposure (
het in de verbeelding herhaaldelijk herbeleven van het trauma met alle details en zintuiglijke indrukken van dien, net zolang tot het trauma zijn emotionele kracht verliest.) De bijscholing wordt massaal bezocht. Alle Riagg-medewerkers ontvangen daarbij een reader, Crisisinterventie na calamiteiten, met artikelen over opvang, behandeling en nazorg bij traumatische gebeurtenissen. 

Preventie van een PTSS
: de hulpvraag staat centraal
Met de bijscholing als uitgangspunt organiseert de Riagg gedurende vier maanden groepsbijeenkomsten ter preventie van een PTSS. De groepen worden geleid door steeds ťťn hulpverlener met een migratie- en ťťn met een Nederlandse achtergrond. Hiervoor worden tijdelijk extra hulpverleners met een migratieachtergrond van buiten de Riagg Zuidoost aangetrokken. De belangrijkste kenmerken van de behandeling zijn als volgt:

De hulpvraag van de cliŽnt staat centraal. Het vertellen van de schokkende ervaringen vormt het kernproces in de hulp. 

Er is aandacht voor zowel de sociale en maatschappelijke situatie als voor de lichaamsbeleving van de cliŽnt.

Voor de cliŽnt is de diagnose helder: zijn of haar klachten vormen normale reacties op abnormale gebeurtenissen; ze vormen adequate pogingen om aan de in de buitenwereld opgelopen stress het hoofd te bieden en zijn geen tekenen van een innerlijk psychisch conflict.

De hulpverlener is zelf emotioneel geraakt en herkent iets van zichzelf in de cliŽnt. Hij/zij is niet de gezonde en gezaghebbende deskundige tegenover een zieke en afhankelijke cliŽnt.

De hulpverlener legt de nadruk op het gezonde en krachtige deel van de cliŽnt.

In sommige gevallen komen bij cliŽnten die voor de ramp al in therapie waren vroegere pijnlijke of traumatische gebeurtenissen aan de orde die voorafgaande aan de ramp in de regel werden 'toegedekt'. Hieraan wordt nu aandacht besteed.

Er is, kortom, sprake van een metamorfose in de gangbare hulpverlening.

Eventuele vervolgbehandeling PTSS. Aan mensen die na vier maanden in de verwerking van de schokkende gebeurtenis blijken te zijn vastgelopen - d.w.z. bij wie een PTSS is ontstaan - zullen vervolgens individuele behandelingen worden aangeboden, eveneens aan de hand van een protocol van het Instituut voor Psychotrauma.


Vier maanden na de Bijlmerramp: 
rassendiscriminatie  & censuur

Januskop: gezicht naar binnen en naar buiten

De metamorfose na de Bijlmerramp is echter van korte duur. Circa vier maanden na de ramp - wanneer de groepsbehandelingen zijn beŽindigd en de van buiten aangetrokken allochtone hulpverleners weer zijn vertrokken - dooft het vonkje collectieve empathie. De sfeer in de Riagg Zuidoost wordt nu nog slechter dan voorafgaande aan de ramp het geval was.

Rassendicriminatie. De geheel uit witte hulpverleners bestaande afdeling Psychotherapie laat weten geen mensen met een migratieachtergrond als collega of cliŽnt (84% van de rampslachtoffers) te willen; dit uit angst hun superieure positie te verliezen. Op aandringen van het afdelingshoofd Psychotherapie trekt de directeur het kort na de ramp unaniem aangenomen nieuwe migrantenbeleid weer in. In de Riagg is nu dus sprake van een onverbloemde rassendiscriminatie.

Censuur. Het afdelingshoofd Psychotherapie is na de ramp door de directeur aangesteld als zogeheten "persattachť". Hij censureert alle uitgaande teksten over de ramphulpverlening. Er mag nu niet meer worden gesproken over een nieuw migrantenbeleid. 

Verzet. Behalve de auteur van Niet storen verzet niemand in de organisatie zich tegen de rassendiscriminatie en de censuur. Dat verzet komt haar duur te staan.

Annexatie. De rol van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek, die wegens 
haar expertise op het gebeid van trauma's, preventie en migrantenhulpverlening een belangrijke bijdrage aan de ramphulpverlening heeft geleverd, is uitgespeeld. Ten overstaan van de media annexeert het afdelingshoofd Psychotherapie de werkzaamheden van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek terwijl zijn afdeling in werkelijkheid niets met migranten te maken willen hebben. 

Niet storen.De hulpverleners uit alle afdelingen trekken zich weer terug in hun behandelkamers achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen waar zij bij voorkeur hulp verlenen relatief jonge, goed opgeleide, witte cliŽnten met vage klachten (zie Vraag en aanbod in de Riagg). Opnieuw worden er riagnoses gesteld. Opnieuw worden trauma's "toegedekt". De organisatie sluit zich.  

Van de voorgenomen individuele hulp aan rampslachtoffers die een PTSS hebben ontwikkeld, komt weinig meer terecht.

  De gevolgen voor de slachtoffers van de Bijlmerramp


In 1998-1999 vond een Parlementaire EnquÍte plaats over de toedracht rond de Bijlmerramp. Op basis van verklaringen van prof. dr. Berthold Gersons, die als hoogleraar Psychiatrie in het AMC nauw bij de hulpverlening aan de rampslachtoffers was betrokken, schreef de enquÍtecommissie in haar eindrapport:

"...dat er in 1998 nog zeker 100 mensen rondlopen met een Posttraumatisch Stress-stoornis en hieraan gerelateerde klachten, die een gevolg zijn van de Bijlmerramp."

"...dat de psychische nazorg op een aantal punten tekort is geschoten."

Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer EnquÍte. Sdu Uitgevers, Den Haag, 1999

 

                          Desondanks hoopvol                           

Desondanks eindigt Niet storen hoopvol. Met de hulp aan de rampslachtoffers liep de Riagg Zuidoost anno 1992 spontaan vooruit op de alom aanbevolen ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg, waarin de behoefte van de cliŽnt centraal staat en niet die van de hulpverlener of organisatie. Hiermee vervulde de Riagg Zuidoost tijdelijk een voorbeeldfunctie voor andere Riaggís. Ook al werden de vernieuwingen in de kiem gesmoord, toch stemt het feit dat die ontwikkelingen daadwerkelijk van de grond kwamen hoopvol. Bezieling, creativiteit en respect voor de belevingswereld van de cliŽnt zijn in de organisatie kennelijk wel aanwezig, zij het dat ze slechts onder extreme omstandigheden worden aangeboord.
Niet storen eindigt met de vraag of het mogelijk is die positieve krachten opnieuw te mobiliseren.  



LINKS NAAR HET HEDEN

Thema's uit Niet storen die nog steeds actueel zijn

 

GEBREKKIGE TRAUMAHULPVERLENING

Zorginstituut Nederland 

HULP AAN MENSEN MET (COMPLEXE) TRAUMA'S
(PTSS'
en) SCHIET NOG STEEDS TEKORT

Zorginstituut Nederland (een instelling die de kwaliteit van de gezondheidszorg bevordert en over de inhoud van de verplichte zorgverzekeringen adviseert) publiceert in juli 2018 het rapport Screeningsfase, Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Hierin spreekt het Zorginstituut zijn zorg uit over patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS, als volgt:

Aantallen. Ruim tachtig procent van de Nederlanders maakt in hun leven ten minste ťťn traumatische ervaring mee. Gemiddeld ruim zeven procent  ontwikkelt op enig moment in het leven een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). Dit percentage ligt bij de mensen die in behandeling zijn bij de GGZ nog hoger.

Ernst. Uit Europees bevolkingsonderzoek blijkt dat PTSS tot de vijf psychische aandoeningen behoort die het zowel het psychisch als het lichamelijk functioneren het meest ongunstig beÔnvloed.

Onbehandelde PTSS. Bij patiŽnten die zich met psychische problemen voor hulp melden, worden de gevolgen van traumatische ervaringen niet altijd herkend en behandeld. 

Geen hulp volgens de richtlijnen. De behandeling gebeurt vaak niet volgens de richtlijnen. Ook de zorg van mensen met PTSS die daarnaast andere psychische stoornissen hebben, kan beter. Er zijn immers effectieve behandelingen voor PTSS beschikbaar.

De gevolgen:

Slechte prognose. Een niet behandelde PTSS leidt tot een slechtere lange termijn prognose.

Hoge kosten. Een niet ontdekte PTSS leidt tot tot hogere zorgkosten.

Bronnen
- Screeningsfase. Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Zorginstituut Nederland, 3 juli 2018.
- Brief van Zorginstituut Nederland aan minister Bruins van VWS dd 5 juli 2018

mishandeling en seksueel misbruik in de jeugd:
Alarmerend rapport Gezondheidsraad

In 2011 presenteerde de Gezondheidsraad, een adviesorgaan voor de regering, het rapport Behandeling van de gevolgen van  kindermishandeling. Daarin staat dat in de kinderjaren mishandelde en seksueel misbruikte volwassenen in de geestelijke gezondheidszorg vaak van het kastje naar de muur worden gestuurd en zelfs buiten de instellingen worden gehouden. Om de situatie te verbeteren drong de raad onder meer aan op de evaluatie van de dagelijkse behandelpraktijk, meer opleiding in diagnostiek en behandeling, en wetenschappelijk onderzoek. Dat dit broodnodig is, blijkt volgens de Gezondheidsraad ook uit grootschalige overzichtsstudies van o.m. het Trimbos-instituut: circa 50 tot 70% van de mensen in Nederland met ernstige psychische stoornissen heeft een geschiedenis van kindermishandeling en seksueel misbruik in de jeugd.

Een brandbrief dd 1 mei 2018 aan staatssecretaris van VWS, Paul Blokhuis, vestigt de aandacht op het nijpende tekort in de ggz aan kennis over vroegkinderlijke trauma's. 

Bron
Verdurmen J, ten Have M, de Graaf R, van Dorsselaer S, van 't Land H, Vollebergh W. (2007). Psychische gevolgen van kindermishandeling op volwassen leeftijd. Resultaten van de 'Netherlands mental Health Survey and Incidence Study' (NEMESIS). Trimbos-instituut.

 


Nog steeds een voorkeur voor 
"gemakkelijke" cliŽnten

In januari 2020 worden de lange wachtlijsten voor cliŽnten met complexe trauma's in het nieuws breed uitgemeten. Aanleiding is de de oproep van mensen met complexe problemen die al lang wachten op zorg, onder wie Charlotte Bouwman die in de hal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een actie begint. De actie vestigt de aandacht op het feit dat mensen met een relatief lichte problematiek in de ggz voorrang krijgen.

De reden die deskundigen daarvoor aanvoeren, is dat het door de marktwerking in de ggz winstgevender is om mensen met lichte problemen te behandelen dan cliŽnten met zware psychische problematiek. Dan hoeft de hulpverlener voor goede resultaten weinig inspanning te leveren. 

Een mager resultaat
Per 1 april 2020 start er een landelijk netwerk van ggz-aanbieders en zorgverzekeraars die zorgen voor hulp op maat aan mensen met een hoog complexe zorgvraag. Het gaat om naar schatting 200 ŗ 300 cliŽnten. 

Bronnen
- Weeda. F. (2020, 21 januari). 'Chronisch zieken worden te ingewikkeld gevonden.í NRC Handelsblad.
- https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/staatssecretaris-blokhuis-eist-
aanpak-wachttijd-ggz~b78c23f2/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
- https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/03/13/
blokhuis-plan-van-aanpak-hoog-complexe-zorg-ggz-belangrijke-stap-in-goede-richting

 

 

Sociaal en Cultureel Planbureau

Hulp aan vluchtelingen schiet 
nog steeds tekort

Veel vluchtelingen hebben te maken gehad met traumatische ervaringen: met vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging, met intimidatie, repressie, gevangenschap, ontberingen, folteringen en seksueel geweld.

Uit een rapport van het  SyriŽrs in Nederland van juni 2018 blijkt dat 41% van de Syrische vluchtelingen psychische problemen heeft. In de Volkskrant van 14 juni 2018 wijst psychiater en emeritus hoogleraar in de Transculturele psychiatrie Joop de Jong op het feit dat slechts 8% van de volwassen Syrische vluchtelingen psychologische hulp ontvangt. De Jong wijt dit aan cultuurverschillen en het gebrek aan kennis over de vluchtelingenproblematiek in de ggz.

Stel, zegt De Jong, dat er voor een vluchteling plaats is in de ambulante ggz. Dan komt hij terecht in een "overwegend hagelwitte wereld". Dan wordt van hem/haar verwacht dat hij/zij zijn of haar emoties kan verwoorden; dat hij bijvoorbeeld de spanningen in het gezin die na de gezinshereniging zijn ontstaan, met zijn therapeut deelt. Dat is voor veel vluchtelingen een brug te ver. "Kortom, het is heel goed te begrijpen waarom maar 8 procent van de volwassen vluchtelingen psychologische hulp ontvangt, een cijfer dat overigens de afgelopen twintig jaar even zorgwekkend als stabiel is."

- Te weinig vluchtelingen krijgen noodzakelijke psychische hulp. Joop de Jong. De Volkskrant, 14 juni 2018
- SyriŽrs in Nederland. Jaco Dagevos e.a. Centraal Cultureel Planbureau, 1 juni 2018

 

Meer weten?

Zie de webpagina op deze site:

Waarom schiet de hulp aan mensen met trauma's tekort? 

 


Op 24 juni 1997 schrijft de toenmalige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Els Borst-Eilers, een brief aan de Tweede Kamer waarin ze benadrukt dat er in de ggz onvoldoende aandacht is voor preventie. 

In 2013 doet het Trimbos-instituut onderzoek naar de plaats van preventie in de ggz (GGZ- en verslavingspreventie in het nieuwe zorglandschap) en concludeerde dat er binnen ggz-instellingen steeds minder plaats is voor aparte Preventieafdelingen en dat preventie-expertise in rap tempo verdwijnt.

In een brief van december 2016 aan de Vaste commissie voor VWS in de Tweede Kamer trekt GGZ Nederland aan de bel om aandacht te vragen voor de preventie. In een brief aan deze commissie dd 3 mei 2018 houdt GGZ Nederland opnieuw een pleidooi voor preventie. 

Hoek, J, van den (9 december 2016). Brief van GGZ Nederland aan de Tweede Kamer.
V.J.W.C. (3 mei 2018). Brief van GGZ Nederland aan de Tweede Kamer. 

 


In november 2017 startte GGZ Nederland de campagne Minder Regelgekte, Meer Zorg. Hulpverleners besteden gemiddeld 33% van hun tijd aan administratieve handelingen. De invoer van feiten over de behandeling kost doorgaans meer tijd dan de behandeling zelf. Hulpverleners kunnen hun werk daardoor steeds minder naar eer en geweten doen. Papierwerk is boven mensenwerk komen te staan. De campagne wil dat de cliŽnt weer nummer ťťn is; dat niet de regelgeving maar de zorgvraag van de cliŽnt voorop staat; en dat de hoeveelheid regels drastisch wordt verminderd.

 


REACTIES

RECENSIES

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items." "Pakkende cartoons."
"Het boek gaat in feite over zelfin- genomenheid en opportunisme van hulpverleners." Tijdschrift voor Psychiatrie, 40, 1998, D.P. Ravelli. 

"Roelofs' bezwaren sluiten aan bij de kritiek die de laatste tijd vaak klinkt." 
"Een boek met een ontegenzeglijke kracht."Zorg en Welzijn, 2 mei 1997, Lucie Th. Vermij. 

"Een boek dat er niet om liegt. Een levendige beschrijving van hoe het er in de RIAGGs aan toegaat. De moeite van het lezen waard."  Opzij, juni 1997, Margot Minjon.

"Herkenbaar. Roelofs beschrijft niet alleen wat er mis is, maar ook hoe het beter kan." Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, november 1997, J.H. Hoogeveen.

"Niet storen laat op indringende wijze  zien hoe de hulpverleners vastlopen in de fuik van het overleg, Orwelliaanse taal spreken en de patiŽnt in de kou laten staan. Maar geen loodzwaar boek omdat de kritiek met een knipoog en een kwinkslag is verwoord. Een eye-opener voor iedereen die werkzaam is in de GGZ." Modern Medicine, augustus 1997.

"Een gevarieerd en aantrekkelijk werk.dat belangrijke vragen stelt." "Een opbouwend boek, verplichte kost voor alle GGZ-hulpverleners, klanten, financiers en -controleurs." "Hopelijk gaan cliŽnten aan hun hulpverlener nu lastige vragen stellen over hun diagnose." Amsterdamse PatiŽnten Krant, oktober 1997.

"Saar Roelofs legt trefzeker de vinger op de zere plek." "Tachtig pakkende prenten." "Nuttig voor wie in behandeling gaat." Bulletin CliŽntenbond in de GGZ, maart 1997.

"Ook wanneer je nog nooit een voet in een Riagg hebt gezet, is het een heerlijk leesbaar boek dat wederom kanttekeningen zet bij de Riagg's die sinds hun oprichting in 1982 veel kritiek oogsten." Caleidokrant, december 1997.

 INTERVIEWS 

De tv-actualiteitenrubriek EenVandaag wijdt een 10 minuten special aan Niet storen en noemt het "een treffend en geestig boek". Marc Schrikkema, 12 juli 1997.

De Groene Amsterdammer interviewt de auteur en benadert vervolgens professionals in het veld die Niet storen onderschrijven. Eveline Brandt, 14 mei 1997.

"Lekker peuteren in het verleden."  Maurits Schmidt, Het Parool, 27 maart 1997.

"De Riaggs': zijn ze wel zo gezond voor de geest?" Sandra van der Werd & Lucia Kooiman, CliŽntenbond in de GGZ, maart 1999.

OVERIGE REACTIES

"De wijze waarop in de GGZ de praktijk wordt beoefend is zeer verontrustend. Niet storen beschrijft die processen haarfijn." 
"Uitstekende beschrijvingen van de doodlopende wegen die hulpverleners met elkaar menen te moeten kiezen."
Uit een brief van 
Jos H. Dijkhuis, hoogleraar Klinische psychologie en Psychotherapie & directeur van het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, aan de auteur.

"Zoals u schrijft, zo is het!  De cartoons zetten scherpe puntjes op de i." 
"Verplichte kost voor voor besturen van Riagg's, de Inspectie, het ministerie van VWS."
"De ziekte der ontkenning is de belangrijkste oorzaak van het slechte functioneren van de GGZ."
Uit een brief van Dr. E. Dekker (Beleidsmedewerker ministerie VWS) aan de auteur.

"Ik heb Niet storen met een stroom van momenten van herkenning gelezen. De GGZ heeft mensen zoals u nodig die de moed hebben om open en zonder omwegen processen van schijnhulpverlening bloot te leggen."
Uit een brief van Peter van Overmeir (afdelingshoofd Volwassenzorg Riagg Gooi en Vechtstreek) aan de auteur.

"Een prachtig boek."
Uit en brief van dr. Ad Beenackers. (wetenschappelijk onderzoeker naar Riagg-dossires, medewerker Riagg Gooi- en Vechtstraak)

"Ik heb genoten van het boek."
Prof. dr. Berthold Gersons, hoogleraar Psychiatrie AMC, mondelinge mededeling, 1997.

Het Ambulatorium (centrum ambulante geestelijke gezondheidszorg) van de Universiteit van Utrecht koopt tien cartoons aan.

Niet storen wordt opgenomen in het curriculum van de Postdoctorale opleiding Psychotherapie voor Centraal Nederland.

UIT BRIEVEN VAN LEZERS

De auteur ontvangt nog minsten tien jaar na publicatie van Niet storen brieven en e-mails van (ex)cliŽnten in de GGZ die zich door het boek gesteund voelen. Hieronder een selectie.

"Nadat ik een interview met u op t.v. had gezien, heb ik uw boek Niet storen aangeschaft en in ťťn ruk uitgelezen. Voor mij betekent dit boek veel, want ik ben als cliŽnt in de geestelijke gezondheidszorg precies die dingen tegengekomen die u beschrijft (en niet alleen bij de Riagg!). Iedere keer als ik mijn kritiek op de gang van zaken uitte, werd dat (zoals u ook beschrijft) door de hulpverleners gebombardeerd tot deel van mijn probleem. Ńlle problemen werden teruggevoerd tot de relatie met mijn ouders (tunnelvisie). Ik stootte keer op keer mijn neus tegen een muur van dogmatisme, onwetendheid en tactloze uitspraken. Op een gegeven moment was ik het strijden moe. Ik ben opgestapt. Inmiddels was ik bijna echt gaan geloven dat wat ik van de dingen vond, deel van mijn probleem was (de druk die uitgeoefend werd was heel groot). Na het lezen van uw boek wist ik zeker dat ik wel kan vertrouwen op mijn eigen waarnemingen, visie en beoordelingsvermogen. Bedankt voor het boek. Ik heb ondanks de woede die weer bovenkwam erg gelachen bij het lezen. Ik heb zo een aantal ervaringen beter kunnen verwerken en heb het idee vast kunnen houden dat ik echt niet gek was dat ik bepaalde dingen die in de behandeling gebeurden belachelijk vond."  

"Ik heb vele wanhopige momenten gekend onder de "vleugels" van hulpverleners die mij echt onmenselijk behandelden. Uw boek heeft me zo goed gedaan! Eindelijk iemand die het zegt!"

"Ik heb hele slechte ervaringen met de Riagg. Ik werd er alleen maar beroerder van. Toen ik een interview met u las, dacht ik: kon ik maar met haar praten."

 

NEGATIEVE REACTIES

"Een dom boek." Psy, uitgave van GGZ Nederland, 27 april 1997, Maria van Rooijen.

"Een sluwe ontmaskering van een stalinistisch systeem", "doordrenkt van giftig zuur". Riagg-medewerker Jaap van der Stel in Tijdschrift voor de Sociale Sector, juni 1997.

"Borrelpraat die een droge mond en een kater achterlaat." Sociale Psychiatrie, oktober 1997.

In Dagblad Trouw misleidt Aldert Schipper de lezers door een paar cartoons uit Niet storen te beschrijven alsof het passages uit de lopende tekst betreft. Hij vervolgt dat er ook cartoons in het boek staan en besluit dat de auteur "een bedroefde therapeute" is. Trouw, 11 april 1997.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© Op de cartoons rusten auteursrechten

                                                                          naar boven

 

 

 

 

BRONNEN BIJ NIET STOREN

 

KRITISCHE VAKLITERATUUR

DE PERS: COMMON KNOWLEDGE

 

In de jaren 1987 t/m 1996 verschijnt de ene na het ander kritische publicatie over de Riagg's waaronder vijf onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut. De publicaties behandelen onder meer de geringe animo van de hulpverleners om zich met de concrete problemen van de cliŽnt bezig te houden, de onwil om cliŽnten met een migratieachtergrond te behandelen, de ongerichte behandelingen, de ondeugdelijke dossiervoering, de ontevredenheid van de cliŽnten, de arrogantie van de hulpverleners, de verregaande bureaucratie en het wegwuiven van kritiek. 

Kritische onderzoeksrapporten van het Trimbos-instituut (1992-1995)

Bijl, R. en F. Lemmens (1993). Aan het werk. Een verkennend onderzoek naar gezondheidsrisicoís, arbeidsongeschiktheid en reÔntegratie van werknemers in de geestelijke gezondheidszorg. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Juist in de geestelijke gezondheidszorg zijn veel werknemers wegens psychische problemen langdurig ziek of afgekeurd. Belangrijkste reden: slechte arbeidsverhoudingen. Zieke werknemers hebben vaak kritiek op de behandelvisie. Zij fungeren als zondebok voor de slechte werksfeer.

Bijl, R.V., C.G.L. van Deursen, A. van Gageldonk en R.W.M. GrŁndemann (1994). Riagg en werk. Omvang, aard en behandeling van arbeidsgebonden problemen bij Riagg-cliŽnten. Utrecht: Trimbos-instituut).  
- Bij 81% van de werkende cliŽnten is sprake van arbeidsgebonden problematiek. Die komen in de hulpverlening niet of onvoldoende aan de orde terwijl hieraan van de kant van de cliŽnten wel behoefte is. Riagg-hulpverleners hebben weinig belangstelling voor de arbeidsproblemen van hun cliŽnten. Zij hebben te eenzijdig aandacht voor puur intrapsychische processen en zijn niet in staat bij arbeidsgebonden problemen praktijkgerichte hulpverleningstechnieken toe te passen.

Hutschemaekers, G., W. Brunenberg en H. Spek (1993). Beroep psychotherapeut. Een verkennend onderzoek naar persoon, werk en werkplek van de psychotherapeut in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut).
-
Zogenaamd Ďleukeí cliŽnten, dat zijn goed opgeleide cliŽnten met vage problemen, komen eerder in aanmerking voor psychotherapie dan minder goed opgeleide cliŽnten met concrete, actuele in de buitenwereld opgelopen psychische problemen. De psychotherapie moet beter worden afgestemd op de hulpvraag van bredere groepen cliŽnten.

Sande, R. van der, F. Hoof en G. Hutschemaekers (1992). Vraag en aanbod in de Riagg. Een praktijkstudie van de Riagg-zorg voor volwassenen. Utrecht: Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (thans Trimbos-instituut)
- De afstemming van het hulpaanbod door de Riaggís op de hulpvraag van de cliŽnt is te gering. Niet de hulpvraag van de cliŽnt staat centraal, maar de voorkeur van de hulpverlener voor 1) een bepaald type cliŽnt (jong, goed opgeleid, van Nederlandse afkomst), 2) een bepaald type probleem (vaag; liever geen concrete, alledaagse levensproblemen) en 3) een bepaald type behandeling (intensieve, op groei en inzicht gerichte psychotherapie; liever geen steunende, praktijkgerichte gesprekken en/of oefeningen).
Als concrete sociaal-maatschappelijke problemen op de voorgrond staan, menen de hulpverleners dat er onvoldoende aanknopingspunten voor een behandeling zijn. Dan verloopt de behandeling ongericht en haken de cliŽnten in een vroeg stadium af. Volgens de hulpverleners zelf is het mislukken van de behandeling vooral terug te voeren op de geringe therapeutische mogelijkheden van de afgehaakte cliŽnten; dat wil zeggen op het onvermogen om problemen, gedachten en gevoelens onder woorden te brengen en angstwekkende themaís aan te snijden. Daartoe zou een derde van de cliŽnten niet in staat zijn. Met andere woorden, die cliŽnten die hun problemen niet op een voor de hulpverlener heldere wijze kunnen formuleren, vallen buiten de boot. De meeste cliŽnten hebben geen behoefte aan een diepgravende behandeling. Ze hebben steun nodig bij concrete, actuele problemen. 
Conclusie. De onderzoekers concluderen dat de hulpvraag niet los kan worden gezien van de sociaal-maatschappelijke context en de leefsituatie van de cliŽnt. Zij zien het als een uitdrukkelijke taak van de Riagg om een hulpaanbod te ontwikkelen dat zich ook op die leefsituatie richt.

Wolf, J. (1995). Zorgvernieuwing in de GGZ. Evaluatie van achttien zorgvernieuwingsprojecten. Utrecht: Trimbos-instituut)
- De zogeheten zorgvernieuwingsprojecten, dat zijn de pogingen tot samenwerking en fusie van de verschillende instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, creŽren veel spanning en onrust, maar geen vernieuwing van de zorg.

Publicaties over GGZ-preventie

Langelaan, M.(1996). Preventie in de knel door fusies. Interview met hoogleraar Preventie Clemens Hosman Mentaal 6, p.18-19.

Ruiter, M. e.a.(2013).  GGZ- en verslavingspreventie in het nieuwe zorglandschap. Trimbos-instituut, 

Senhorst, M.M.J. (1992). Rendement en financiering GGZ-preventie. Een verslag van een conferentie. Utrecht: Landelijk centrum GVO.
-
Menig Riagg-directeur heeft geen aandacht voor preventie. Sterker, er vinden wel eens verschuivingen binnen de Riagg-budgetten plaats, waarbij het voor preventie bestemde geld voor heel andere zaken wordt gebruikt. GGZ-preventie is verworden tot een containerbegrip waaronder van alles valt wat niet tot de behandeling behoort. Om die redenen dreigt een exodus van preventiemedewerkers.

Selectie kritische publicaties in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (1987-1995)

Beenackers, A.A.J.M. (1995). Riagg-dossiers nader bekeken. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 609-619.
- Onderzoek naar de dossiervoering in de Riaggís naar aanleiding van de constatering van de Inspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid dat Riagg-dossiers in het algemeen slecht tot zeer slecht worden bijgehouden. 
De dossiers zijn onvindbaar, onleesbaar en onbegrijpelijk. 
Intakeverslagen zijn vaak "rommelige documenten"  waarin de informatie over de cliŽnt  "onsamenhangend en fragmentarisch" wordt verstrekt zonder vooruitblik op de behandeling. De wel goed verzorgde intakeverslagen, die twee tot twaalf getypte kantjes beslaan, bevatten een uitvoerige levensbeschrijving waarin echter niets doorschemert van een richting waarin de oplossing voor de psychische klachten gezocht moet worden. Er wordt geen behandelplan op schrift gesteld en er worden geen aantekeningen over het verloop van de behandelingen gemaakt. De behandeling wordt noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd.

Kroes J. de (1995). Opgenomen bij Korrelatie. Een overzicht van de vragen en klachten naar aanleiding van de Vara-serie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 10, pag. 1087-1094.

Osselaer Schouterden, H.C.D.E. van (1995). Afhaken als oplossing. Drop-out bij Riagg's onderzocht. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50, 3-14
- De helft van de Riagg-cliŽnten haakt al na een paar contacten af. De belangrijkste redenen zijn: gebrek aan vertrouwen in de hulpverlener en het gemis aan een steunende, menselijke relatie. Riagg-hulpverleners zijn geneigd ďlastigeĒ cliŽnten zodanig te behandelen dat deze in een vroeg stadium afhaken.

Verhaaren, F. (1987). Riagg's onder druk: naar een nieuw kwaliteitsbesef?  Maandblad Geestelijk volksgezondheid 4, pag. 19-34.
- De RIAGGS zijn bureaucratische bolwerken waarin te weinig vanuit de cliŽnt wordt gedacht. In de bejegening van de cliŽnt spelen de belangen van de hulpverlener een een doorslaggevende rol. De Riagg-directie heeft slechts een voorwaardenscheppende taak waardoor de inhoud van het werk weinig of niet aan de orde komt.

Selectie kritische publicaties van cliŽntenorganisaties

Eelman, R. (1996). Psychotherapie, om dol van te worden? Een zoektocht naar argumenten en beleid. Amsterdam: Amsterdams PatiŽnten/Consumenten Platform, 

Jong, M. de (1997). Ď60 ways to drop your clientí. Het anti-participatieboekje. Groningen: Netwerk CliŽntendeskundigen / Utrecht: Nederlandse PatiŽnten/Consumenten Federatie.

Kragten, R. (1997). Bejegening in de GGZ. CliŽnten in de geestelijke gezondheidszorg aan het woord over bejegening. Utrecht: CliŽntenraad Willem Arntsz Huis.

Stichting Pandora (1995). Maatwerk? Knelpunten in de geestelijke gezondheidszorg
- Hulpverleners geven cliŽnten onvoldoende of geen informatie over hun rechten en over de aard, de duur en het doel van de behandeling, hebben weinig aandacht voor concrete, actuele levensproblemen, zijn slordig met de dossiers, weigeren cliŽnten vaak inzage in hun dossier en nemen klachten van cliŽnten over de behandeling niet serieus.

Bijlmerramp (chronologisch)

CliŽntendossiers voor en na de Bijlmerramp (1990-1993). Riagg Zuidoost.  

Notulen & interne mailings Riagg Zuidoost (april 1990 - april 1993) van het managementteam en de afdelingen Psychotherapie, Sociale Psychiatrie en Preventie, Innovatie & Onderzoek.

Roelofs, S. (augustus 1992). Het allochtonenbeleid in een stroomversnelling. Afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek. Beleidsnota Riagg Zuidoost.

Pre-advies en Notulen. Projectgroep Hulpverleningsaanbod Vliegramp Riagg Zuidoost (oktober 1992 - januari 1993).

Nazorgplan Vliegramp Bijlmermeer. Alle GGZ-instellingen in Amsterdam Zuidoost (16-10-1992).  

Mittendorff, C. Instituut voor Psychotrauma. Video-opnames van een bijscholing over de preventie en behandeling van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) t.b.v. de hulpverleners in de Riagg Zuidoost n.a.v. de Bijlmerramp. Riagg Zuidoost (1992-1993).

Roelofs, S., namens alle GGZ-instellingen in Amsterdam Zuidoost (20-10-1992). Na de ramp: informatie en advies voor volwassenen. Informatiefolder voor cliŽnten en overige bewoners van Amsterdam Zuidoost over de gevolgen van de Bijlmerramp. In zeven talen.

Booij, F. (1992). Inzet Riagg Zuid Oost naar aanleiding van de vliegramp in de Bijlmermeer. Verslag voor de zorgverzekering ZAO.

Roelofs, S.(1993). De Riagg na de ramp: een metamorfose. Riagg Zuidoost, interne publicatie.

J.J. Van Uchelen en B.P.R. Gersons (1995b). De Bijlmermeer-vliegramp; een vervolgonderzoek naar de lange termijn psychische gevolgen en de nazorg bij getroffenen. AMC, Vakgroep Psychiatrie.

Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer EnquÍte. Sdu Uitgevers, Ďs-Gravenhage, 1999.

Overig

Anzion, P. (2001). Een patiŽnt komt niet verder dan zijn therapeut. Jos H. Dijkhuis over de opleiding tot psychotherapeut. Tijdschrift voor Psychotherapie nr. 3.

Beenackers, A.A.J.M. (1995b). Voorstel Dossiervorming Regionale Instellingen Ambulante Geestelijke Gezonheidszorg. Delft: Eburon.

Borst-Eilers, E. (1997, 24 juni). Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), E. , aan de Tweede Kamer der Saten-Generaal: Geestelijke Gezondheidszorg  (25 424 nr. 1 & 2 )

Dekker, E (1998). Het beleid beleefd. Vraaggerichtheid van de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Trimboslezing.

Gersons, B. (1990). Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip. Maandblad Geestelijk volksgezondheid 45, 891-907.

Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, 1998. Manifest GGZ. Verontrustende Ontwikkelingen. Utrecht: 
-
Hierin bepleit het NFGV voor de aanstelling van een staatssecretaris voor geestelijke gezondheid.

Sterman, D. (1996). Een olijfboom op de ijsberg. Een transcultureel- psychiatrische visie op en behandeling van de problemen van jonge Noord-Afrikanen en hun families. Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders- Hierin kritiseert Riagg-psychiater Sterman het feit dat er in de Riagg's aparte secties bestaan die zich bezighouden met hulp aan migranten en die veelal worden bezet door hulpverleners met een migratieachtergrond. Hij noemt deze secties 'entoloketten' en waarschuwt voor een nieuwe vorm van apartheid.

Misstanden in de Riagg Zuidoost

Verhaaren, F. AO Adviseurs voor organisatiewerk Driebergen (juni 1991). De toekomst kijkt achterom (1991). Organisatieadviesrapport over de Riagg Zuidoost.
Enkele citaten uit het rapport:
- "De Riagg Zuidoost heeft een januskop: er is een gezicht naar buiten en een gezicht naar binnen. Het gezicht naar buiten oogt redelijk normaal en verantwoord. Het gezicht naar binnen is de absolute schaduwzijde."
- "De dominante cultuur in de Riagg Zuidoost is er een van volstrekte individualisering, verregaande onaanspreekbaarheid op gedrag en kwaliteit, verbittering naar elkaar en naar het management, en ongeloof in enige mogelijkheid tot verbetering. Deze sfeer van ontevredenheid, cynisme en zelfbeklag blijkt al jaren te kunnen voortduren. Veel hulpverleners trekken zich op hun individuele vakuitoefening terug en zijn niet meer gemotiveerd voor kwaliteitsbewaking of innovatie. Het onderlinge klimaat binnen enkele afdelingen en op Riagg-niveau is onveilig, verbitterd of apathisch. Medewerkers en leidinggevenden houden elkaar gevangen in een patroon dat tot een verziekte onderlinge sfeer leidt."
- "De afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek is een kleine oase in een verder hopeloze jungle."

Lam, B. Interim-manager (mei 1992-januari 1993), Palte Project Management (juli 1992.) Plan van Aanpak. Rapport over de volwassenenzorg in de Riagg Zuidoost. Riagg Zuidoost, intern rapport. 
In dit rapport wijst de interim-manager op: 
- de gebrekkige diagnostiek en interdisciplinaire samenwerking, 
- het behandelen zonder behandelplan en evaluaties, 
- de afwezigheid van/de geringe bereidheid tot bijscholing, intervisie, supervisie en innovatie, 
- de de geringe bereidheid allochtone cliŽnten (in Amsterdam Zuidoost destijds ruim 50% van de bevolking) te behandelen 
- de geringe verantwoordelijkheid van de hulpverleners voor de geboden hulp in het algemeen
- het geven van een zogeheten "oprotcontact", d.w.z. een zodanige behandeling van ongewenste cliŽnten dat die zelf al in een vroeg stadium afhaken.

Roelofs, S. (mei 1993). Gebroken baan. De baanbrekende positie van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek tegen de achtergrond van de organisatieproblemen in de Riagg Zuidoost.  Riagg Zuidoost, intern rapport. 
-
Binnen de Riagg's is de positie van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek te vergelijken met die van een vrouwelijke dirigent in het Concertgebouw, een zwarte chirurg in een Academisch Ziekenhuis of een 65- plusser op de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, kortom met de bevolkingsgroepen waarmee zij zich in de regel bezighoudt, zoals vrouwen, mensen met een migratieachtergrond en ouderen. Dientengevolge staan de afdelingen binnen de Riagg voor de taak om door een dubbele culturele programmering heen te breken, te weten die van de maatschappij in het algemeen en die van de traditionele hulpverlening in het bijzonder.

Naar boven

 

In de jaren 1992 t/m 1996 besteden de landelijke dagbladen regelmatig aandacht aan de  Riagg's. Ze doen onder meer verslag van het wetenschappelijk onderzoek door het Trimbos-instituut (zie linker kolom). Het ondermaatse functioneren van de Riagg's is dan ook common knowlegde. De onderstaande bloemlezing is als inleiding opgenomen in Niet storen (pag. 11-14).

de Volkskrant, 16 december 1992
Behandelduur valt veelal korter uit
Hulpaanbod Riagg's gaat vraag cliŽnten te boven. 
Door J
et Bruinsma  
UTRECHT - Riagg-hulpverleners streven bij de behandeling veel ambitieuzer doelen na dan hun cliŽnten. Zij mikken vaak op een intensieve, op inzicht en persoonlijke groei gerichte behandeling, terwijl de cliŽnten vooral behoefte hebben aan steun bij het verwerken van hun problemen. (...)    
Dit is een van de opvallendste bevindingen uit het gisteren verschenen onderzoek Vraag en aanbod in de Riagg. Het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) ondervroeg in opdracht van vijf
Riaggís (drie in Utrecht, een in Rotterdam, een in Hilversum) drieduizend volwassen cliŽnten. (...)  
De hulpverleners vinden, blijkt uit het rapport, dat een behandeling de cliŽnt inzicht moet geven in zijn problemen en hem in staat moet stellen tot persoonlijke groei. CliŽnten die daartoe niet in staat zijn of behoefte hebben aan het oplossen van praktische problemen (...) voldoen niet aan dat ideaal en krijgen het vaakst een weinig intensieve behandeling. (...) De onderzoekers adviseren de Riaggís om hun beleid beter aan te passen aan de wensen van de cliŽnt. Niet het ideaal van de hulpverleners moet centraal staan, maar de wens van de cliŽnt.  

de Volkskrant, 8 juli 1994  
Problemen op het werk miskend door Riagg  
DEN HAAG - De Riaggís hebben weinig oog voor de problemen die cliŽnten op hun werk hebben. Ze weten ook niet goed hoe ze hulp kunnen bieden bij deze problemen. Ruim de helft van de werkende Riagg-cliŽnten loopt in de Ziektewet. Bijna een kwart van de cliŽnten met een baan zegt dat zij op het werk slechter functioneren. Toch registreert driekwart van de Riaggs geen gegevens over de arbeidsproblemen van de hulpvragers, hoewel die wel mede de oorzaak zijn van het verzoek om hulp bij de Riagg. Dit blijkt uit een gisteren gepubliceerd onderzoek door het Nederlands centrum Geestelijke volks≠gezondheid (NcGv) en TNO Preventie en Gezondheid. (...). Er werden vijfhonderd cliŽnten van tien Riaggís ondervraagd, en behandelaars van tien andere Riaggís. De 59 Riagg-directeuren kregen allemaal een vragenformulier toegestuurd. Het is geen uitzondering dat een zieke Riagg-cliŽnt drie maanden moet wachten voor hij wordt geholpen. De onderzoekers vinden dan ook dat de Riaggís kortlopende therapieŽn moeten ontwikkelen, om te voorkomen dat de hulpvragers nog voor een langdurige therapie is voltooid, in de WAO belanden. De Riaggís zijn volgens de onderzoekers vanuit hun traditie meer gericht op problemen die in de persoonlijke levenssfeer of in het gezin van de hulpvrager liggen. Dat de problemen van hun cliŽnten vaak mede veroorzaakt worden door het werk, wordt miskend. De hulpverleners vragen niet systematisch naar problemen op het werk. Zij registreren ze ook meestal niet. De meest ge noem de arbeidsgebonden problemen zijn: te hoge werk druk, geestelijk te inspannend werk, conflicten met de leiding, slechte werksfeer, onzekerheid over het behoud van de functie.   

de Volkskrant, 25 mei 1996
Psychiater pleit tegen gemakzucht van behandelaars en voor improvisatievermogen. "Veel therapeuten ontlopen allochtone cliŽnten."
Door Bas Mesters
AMSTERDAM - Desinteresse ten opzichte van psychische problemen van migranten is bij therapeuten nog niet uitgeroeid. Allochtonen worden vaker geweigerd voor psychotherapie dan autochtonen. (...) Psychiater D. Sterman kan het niet laten om in zijn onlangs verschenen boek Een olijfboom op de ijsberg in deze zin af en toe een flinke tik uit te delen. Hij houdt een pleidooi tegen gemakzucht van veel therapeuten en voor improvisatievermogen. (...) Het is volgens Sterman de taak van de Inspectie voor de Volksgezondheid om erop te letten dat therapeuten niet met de hapklare brokken aan de haal gaan en moeilijke problemen vermijden die juist vaak bij migranten spelen. ĎHoewel de koudwatervrees wat afneemt, zie ik om me heen nog veel weerstand om cliŽnten van buitenlandse afkomst te behandelen. Veel therapeuten gebruiken allerlei smoesjes om ze te ontlopen.í (...) ĎAls hulpverlener kun je de plank behoorlijk misslaan als je de culturele codes niet kent.í (...) Daarom is een open geesteshouding van de therapeut onontbeerlijk voor een goede behandeling van een migrant. Behandelaars moeten niet blijven vastzitten in hun eigen ideologische scholen. ĎTherapeuten willen in methoden en dogmaís geloven. (...) We dienen in te zien dat sommige methodieken niet op iedereen van toepassing zijn, en behoren oog te hebben voor de persoonlijke levensgeschiedenis en de culturele codes waaraan de cliŽnt zich confor≠meert.í (...) Sterman voelt niets voor wat hij etno-loketten noemt: secties binnen de Riaggs, die zich specialiseren in cliŽnten van buitenlandse afkomst. ĎDat is moreel verwerpelijk. Het leidt tot discriminatie en is ook praktisch onhaalbaar. (...) En bovendien: wanneer is iemand nog een migrant? Ook als zijn oma van buitenlandse komaf was?í (...)  

de Volkskrant, 21 september 1994  
Slachtoffers incest oordelen negatief over hulpverlening
LEIDERDORP - Slachtoffers van incest hebben weinig waardering voor de hulpverlening na hun aangifte bij de politie. (...) De doorverwijzing van de politie naar een hulp verlenende instantie schiet (...) vaak tekort. Deels door een slechte onderlinge samenwerking, deels doordat de politie vaak aanloopt tegen onbereikbaarheid van instanties `s avonds, `s nachts en in het weekeinde. Soms gaan er weken voorbij voordat een slacht≠offer bij de aangewezen instantie terecht kan. Ook blijkt die instantie soms niet geschikt voor de behandeling van incestproblematiek. Twee instanties springen er in negatieve zin uit: het Bureau Slachtofferhulp en de Riagg.

Het Parool, 8 juni 1995
Riaggís: blanco dossier, eindeloze behandeling
AMSTERDAM - Bij de Riaggís in de Gooi- en Vecht streek en in Flevoland worden dossiers niet bijgehouden en ontbreken behandelplannen. Het is niet duidelijk of behandelingen enig resultaat hebben. Dit blijkt uit een onderzoek van de psycholoog dr. A. Beenackers in opdracht van de twee Riaggís dat is gepubliceerd in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid. De algemene indruk van Beenackers is dat de Riaggís vrijwel niets doen, en dat wat ze wel doen tot niets leidt. In de meeste dossiers ontbraken aantekeningen over de behandeling. Vaak was niet duidelijk Úf er wel werd behandeld, omdat de dossiers, afgezien van een verslag van het intakegesprek, blanco waren. De hulpverleners gaven bijna nooit aan wat zij dachten te bereiken en op welke termijn. Behandelingen werden niet afgesloten omdat de klacht was verholpen, maar omdat de cliŽnt er genoeg van had.

de Volkskrant, 21 oktober 1996
Ontevreden cliŽnten zadelen Riagg's op met slecht imago  

AMSTERDAM. Riaggís hebben een slecht imago. Mensen met psychische problemen vragen steeds vaker hulp buiten de Riagg om. Dat zegt P. Anzion van Stichting Pandora, die de belangen van psychiatrische (ex-)patiŽnten behartigt, tijdens de presentatie van het jaarverslag van de Riagg. ĎWij krijgen vaak te horen dat buren, familie, kennissen of vrienden hebben gezegd dat je vooral nŪet naar de Riagg moet gaan. Dat is gebaseerd op een vooroordeel, maar wij signaleren wel dat de Riagg fouten maaktí, stelt Anzion.Telefonische klachten over Riagg- hulpverleners en hun behandelmethoden zijn bij de stichting toegenomen ten opzichte van vorig jaar. CliŽnten klagen voornamelijk over de gebrekkige informatievoorziening. Zij worden slecht op de hoogte gesteld van het behandelplan, de voortgang en het zicht op een afronding. Bovendien worden zij vaak niet geÔnformeerd over mogelijkheden voor vervolgbehandelingen of alternatieven.
Riagg-cliŽnten die ontevreden zijn over hun hulpverlener willen vaak de sporen van de 
behandeling uitwissen. Maar als zij inzage vragen in hun dossier, of hun medische gegevens willen kopiŽren of vernietigen, worden zij volgens Anzion Ďmeestal met smoesjes afgescheeptí. Daarmee komen hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg de informatieplicht in de Wet op de Geneeskundig Behandelingsovereenkomst (WGBO) slechts mondjesmaat na, is de conclusie van Stichting Pandora in het zojuist verschenen jaarverslag.
Wanneer het niet klikt met de hulpverlener, is het niet gemakkelijk om een andere toegewezen te krijgen. Daar komt nog bij dat Riaggís vaak een lange wachtlijst hebben, zowel voor een intake-gesprek, als tussen dit gesprek en de behandeling. Ook vinden patiŽnten het vervelend dat zij verplicht naar de Riagg in hun regio moeten. ĎZij kunnen nergens anders heení, zegt Anzion. ĎAls je niet gelukkig bent met de Riagg bij jou in de buurt, houdt het op. Tenzij je heel veel geld hebt, dan ga je naar een particuliere psycholoog. Maar dan ben je al gauw honderdtwintig tot honderdvijftig gulden per gesprek kwijt.í(...)

de Volkskrant, 26 oktober 1996
CliŽnten zijn ontevreden over behandeling en gebrekkige informatie
AMSTERDAM - ĎIk voel me net een nummerí, zegt Mark. íDe behandeling is heel onpersoonlijk. Echt lopendebandwerk. Volgens mij komen alle randgroeppsychiaters die geen werk kunnen vinden, bij de Riagg terecht.í Mark is in therapie in de Riagg in Groningen. Hij is niet tevreden over de instelling die hem over zijn depressiviteit heen moet helpen. Ook Annet die bij de Riagg in Utrecht wordt behandeld, heeft klachten. ĎHet nut van de behandelmethode is me nog steeds niet duidelijk. Alles wordt in een team buiten mij om besproken. Ondanks beloftes krijg ik daar dan niks van te horen.í Uit het jaarverslag van Stichting Pandora, die de belangen van (ex-)psychiatrische patiŽnten behartigt, blijkt dat een toenemend aantal cliŽnten klaagt over de gebrekkige informatievoorziening bij de Riagg. Zij zijn vaak slecht op de hoogte van het behandelplan, de voortgang die is geboekt, het zicht op een eindresultaat en mogelijkheden voor een vervolgbehandeling of alternatieven. Daar naast komen veel klachten binnen over de lange wachttijden en het ontbreken van een afsluitend gesprek of nazorg. Niet alleen bij Pandora wordt hierover geklaagd, maar ook bij de CliŽntenbond, de Stichting Korrelatie en bij de Informatie- en Klachtenbureaus voor de Gezondheidszorg.
ĎUit een onderzoek van het Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv) naar de tevredenheid van Riagg-patiŽnten blijkt dat eenderde van alle cliŽnten Ďtenminste kanttekeningen bij de hulpverlening plaatstí of Ďnegatief tot zeer negatiefí over de instelling is. Ruim een kwart vindt dat de behandeling niet of nauwelijks heeft geholpen, en een op de vijf cliŽnten beŽindigt uit onvrede voortijdig het contact met de Riagg. Ď
Een van die mensen is Marian. Zij zegt dat zij geen ruimte kreeg om kritiek te leveren op haar behandeling, nadat zij zich al maanden had afgevraagd of die wel nut had. 'Ik durfde er bijna niet over te beginnen, maar ik heb toch gevraagd waarom mijn therapeut op die manier te werk ging. Hij werd kwaad en zei geÔrriteerd: ďIk ben hier degene die weet wat het beste voor jou isĒ, en verder niks.í (...)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven

     

 

 

Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd - Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen - Kritische beschouwing over de ambulante GGZ

 CV 
Saar Roelofs

Ervaring in de GGZ


saar.roelofs@xs4all.nl

© 
protected 
by
pictoright