Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Niet storen. Een kritische beschouwing over de Riagg 
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie

Nog altijd & Cement. Levensverhalen van Auschwitz-overlevenden
Tien componistenportretten in woord en beeld
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen

Praktische 
info over 
de ggz hulp

 CV  
Saar Roelofs

 

 

 


saar.roelofs@xs4all.nl 

© Partner Productions

 

Dr. Saar Roelofs


GEEN TALENT VOOR VOLGZAAMHEID

MIJN ERVARING ALS PSYCHOLOOG IN DE GGZ

 

met bruggen naar het heden en

geÔllustreerd met 4
3 cartoons
(1)



 

Selectie reacties van Saar Roelofs' boeken over de ggz:


"Saar Roelofs deelt met de bekende psychiater Irvin D. Yalom oprechtheid, betrokkenheid en respect voor de belevingswereld van de patiŽnt." "Treffende cartoons.""IdR. Nieuwsbrief Stichting PatiŽnten Vertrouwenspersoon, 2008.

"Dit is een boek dat tot nadenken aanzet." Tijdschrift voor Psychiatrie  5, 2009, Patrick Luyten

"Evenwichtige verdeling tussen diepgaande en luchtige items." "Pakkende cartoons." "Het boek gaat in feite over zelfingenomenheid en opportunisme van veel hulpverleners." Tijdschrift voor Psychiatrie, 40, 1998, D.P. Ravelli. 

"De auteur is meester in het met beide voeten op de grond staan en kijken wat al het werk [in de ggz] oplevert." Sociale Psychiatrie, augustus 2008, Gerard Lohuis.  

"Saar Roelofs legt trefzeker de vinger op de zere plek" "Pakkende prenten." Bulletin CliŽntenbond in de GGZ, maart 1997.

"Een doortimmerd boek. Goed beargumenteerd. Rijk aan voorbeelden. De cartoons maken situaties in ťťn klap duidelijk" PUSminus, kwartaalblad van de Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen, december 2008, Alette van Bentum.

"De GGZ heeft mensen zoals u nodig die de moed hebben om open en zonder omwegen processen van schijnhulpverlening bloot te leggen."
Uit een brief van Peter van Overmeir (afdelingshoofd Volwassenzorg Riagg Gooi en Vechtstreek) aan de auteur, 1997.

 

                                

 INTRO

Hieronder beschrijf ik mijn ervaringen als psycholoog in de ggz (1968-2008): van jeugdige vakantiehulp, gedragstherapeut in een alcoholkliniek, wetenschappelijk onderzoeker/behandelaar aan de universiteiten van Utrecht & Amsterdam en vrijgevestigde gedragstherapeut tot mijn wederwaardigheden als afdelingshoofd in de Riagg en als coach van cliŽnten die in de ggz zijn stukgelopen. 

In al die functies vond ik het belangrijk om steeds zoveel mogelijk trouw te blijven aan mijn eigen inzichten.

De huidige ggz en de schaduw van het verleden

Toeschouwer. Toen ik in de jaren negentig van de vorige eeuw als afdelingshoofd Preventie, Innovatie & Onderzoek in de ambulante ggz (Riagg Zuidoost) werkte, heb ik veel gezien, gehoord en meegemaakt. Vanwege de weerstand van de behandelafdelingen tegen het werk van mijn afdeling, had ik doorgaans weinig in te brengen. Als ik mijn mening gaf of mij tegen onrecht verzette, werd mij meestal de mond gesnoerd. Aldus werd ik in de rol van toeschouwer gedwongen. Ik heb mijn observaties uit verwondering regelmatig op papier gezet en op verzoek van een organisatieadviseur als "cultuurinterventie" ook beeldend 
- in cartoons - vormgegeven. Mijn ervaringen in de Riagg('s) komen hieronder dan ook uitgebreid aan bod. Het verslag vormt een historisch document dat samen met mijn boek
Niet storen (1997) een tweeluik vormt.

Relevantie voor de huidige ggz. Dat document is echter nog steeds relevant omdat de huidige ggz de schaduw van het verleden onmiskenbaar met zich meedraagt. Om die reden sla ik hier en daar bruggen naar het heden. Zo komt aan de orde dat de huidige lange wachtlijsten in de ggz onder meer een gevolg zijn van het feit dat 
1) de behandeling van een PTSS nog altijd niet ... ....vanzelfsprekend is en
2) de preventie van psychische problemen decennialang ....is verwaarloosd

Van vele tijden. Onderwijl komen in de tekst universele thema's aan de orde zoals angst, onderwerping, bedrog, verraad en verzet. Tot slot plaats ik mijn observaties in een breed psychologisch kader.

Boeken

Ik heb mijn inzichten in de ggz in het algemeen neergelegd in twee geÔllustreerde boeken die merendeels nog steeds actueel zijn: Niet storen (1997) en Wie is er nu gek? (2008). 

Info voor (toekomstige) cliŽnten 

Wellicht kunnen mijn boeken tezamen met het onder-staande document over mijn ervaringen in de Riagg (toekomstige) cliŽnten informeren over wat wel en geen goede hulp is. Zie ook: Praktische info over de ggz hulp.

 

 

 
 


INHOUD

Vakantiehulp in de ggz
Studie psychologie en opleiding tot gedragstherapeut (UU)
Psychofysiologisch onderzoek naar & behandeling van angststoornissen (UMC) 
Vrijgevestigde gedragstherapeut
Colleges en practica psychofysiologie (VU)
Gedragstherapeut in alcoholkliniek
    - Intermezzo: Rijksakademie van beeldende kunsten -
Promotieonderzoek aan de UvA: alcoholisme, angststoornissen & behandeling

Afdelingshoofd Preventie, Innovatie & Onderzoek in de RIAGG ZUIDOOST


   Ervaringen na de Riagg

De huiver van de vakbladen
Recht van spreken
Publicatie boeken
CliŽnten informeren over wat wel / geen goede hulp is

 





Vakantiehulp in de ggz


In de zomer van 1968, na mijn eindexamen gymnasium en voordat ik psychologie zou gaan studeren, nam ik als verpleeghulp alvast een kijkje in de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg. Eerst in de SinaÔ-Kliniek, een inrichting voor Joodse psychiatrisch patiŽnten in mijn toenmalige woonplaats Amersfoort, daarna in De Heygraeff, een inrichting voor verstandelijk gehandicapten te Woudenberg.  

Geschiedenis SinaÔ-Kliniek. De SinaÔ-Kliniek lag net buiten Amersfoort. De omgeving herinnerde aan oorlog en dood: de kliniek was gelegen aan de Laan 1914 die overging in de Dodeweg en bevond zich op een steenworp afstand van het Nationaal Monument Kamp Amersfoort, tijdens de Tweede Wereldoorlog Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort dat ook als strafkamp dienst deed - voor de vele Holocaustoverlevenden in de kliniek geen gunstige ligging. De voorloper van de SinaÔ-Kliniek was Het Apeldoornsche Bosch, een instelling voor Joodse psychiatrische patiŽnten en verstandelijk gehandicapte kinderen, gelegen op een groot bosrijk terrein bij Apeldoorn. In januari 1943 werden de patiŽnten en het Joodse personeel van deze inrichting door de nazi's gedeporteerd. Vrijwel niemand keerde terug. Het Apeldoornsche Bosch was nu veel te groot geworden voor de uitgedunde Joodse bevolking. In 1960 werd de kleinere SinaÔ-Kliniek in Amersfoort geopend. In 1966, twee jaar voor mijn vakantiebaantje, was de Sinai-Kliniek uitgebreid met onder meer dagbehandeling en verpleging van bejaarden met psychische problemen. De naam veranderde in Sinai Centrum maar inwoners van Amersfoort zoals ik spraken nog steeds over de Sinai-Kliniek. De Amersfoortse kliniek is inmiddels gesloopt. Het huidige SinaÔ Centrum, een fusie tussen de Joodse Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (de Joodse Riagg) en de Sinai-Kliniek verhuisde in 2008 naar verschillende locaties in Amstelveen, Amersfoort en Amsterdam. 

Mijn werk. Ik werkte op de gesloten afdeling waar vrouwen met de meest uiteenlopende psychische problemen bij elkaar waren gezet. Zo herinner ik mij een jong meisje, Judith, dat nymfomaan werd genoemd en achter slot en grendel zat omdat zij mannen zou verleiden, een verwarde vrouw van middelbare leeftijd die Ė zo begreep ik later Ė leed aan een concentratiekamp-syndroom en een aantal oudere dames die doorgingen voor dement. Het verplegen bestond uit patiŽnten wassen, kleden en helpen met eten, bedden opmaken en dweilen. 
Een van de patiŽnten was stokoud en aan bed gekluisterd. Als ik haar lakens verschoonde, legde ik haar even op een ander bed. Ze was zo klein en licht dat het leek ik of een baby in mijn armen droeg. Alsof het begin en het einde van het leven elkaar aanraakten.
Na het ontbijt werden de niet-bedlegerige patiŽnten in de zogeheten huiskamer geplant
waar ze niet mochten praten en lopen. ĎMevrouw Polak, stil!í ĎMevrouw Sanders, zit!í Alsof het honden waren. Tijdens de middagwandelingen over de smalle paadjes tussen het lage struikgewas in de binnentuin sprak ik soms met hen. Dan kwamen er zinnige verhalen en zo nu en dan ook tranen los. Maar dat was lastig voor het vaste personeel.

Op het matje. Na een week riep de directrice, een kleine vrouw met priemende ogen en een strakke knot, mij op het matje. Ze zat achter een groot bureau. Ik stond er bedremmeld voor. Als ik niet mijn mond hield en mij tot het huishoudelijk werk beperkte, kon ik vertrekken, zei ze. Ik was ontdaan maar schikte me in het verbod. Dankzij de eindexamenfeesten kwam ik mijn tweede week in de kliniek door.

De Heygraeff. Het werk in mijn tweede baantje op de Heygraeff beviel me beter. Ik werd aangesteld op een jongensafdeling waar ik de patiŽnten verzorgde en de zaal moest schoonhouden. De jongens waren levenslustig en de afdeling waar ik werkte was licht en open. De inrichting lag midden in het bos aan het Henschotermeer waar ik na het werk soms ging zwemmen. Met de jongens werd echter niet gecommuniceerd. Zij werden lichamelijk verzorgd en met knutselen beziggehouden. Dat was het. Vaak brak mijn hart. Zo was er een jongen van een jaar of zeventien, Theo, die nu misschien autistisch genoemd zou worden. Theo voerde een terugkerend ritueel op. Hij zette de ene voet voor de andere, leunde achterover, hief zijn armen op, zwaaide dan ritmisch met zijn bovenlijf naar voren en weer terug, en riep uit volle borst: 'LŤkkru, dikke grŪesmeelpudding met slŠgroom en een hťťťleboel nootjes, dŠt bedoel ik zuster, dŠt bedoel ik zuster!' In een eindeloze herhaling en met een verzaligd gezicht. Niemand die op het idee kwam Theo eens lekkere, dikke griesmeelpudding met slagroom en nootjes te geven. Mijn suggestie dat wel een keer te doen, werd door het vaste personeel met blikken van minachting beantwoord.  

Maar ik zou psychologie gaan studeren en na mijn studie misschien iets aan die misstanden kunnen doen.

 


 

Studie KLINISCHE psychologiE AAN DE UU

cover scriptie over kunstwaardering

In mijn studie klinische psychologie en opleiding tot gedragstherapeut aan de Universiteit van Utrecht leerde ik veel over angsten, depressies en psychosen. Over de mensen die ik in mijn baantjes als vakantiehulp was tegengekomen. 
Hoewel klinische psychologie de oorzaken en behandeling van psychische problemen bestudeert,
was ik niet alleen geÔnteresseerd in een psychologie van pijn en onvermogen. Mensen hebben ook gezonde, vitale en enthousiaste kanten. Ik koos er dan ook voor mij tevens in de positieve aspecten van het dagelijks leven te verdiepen en schreef scripties over kunst en humor.    

 

 


Onderzoek naar & behandeling van angststoornissen aan het UMC

Na mijn studie kreeg ik een tijdelijke baan bij de Research Afdeling Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht. Ik werd aangenomen om een door de afdeling opgesteld psychofysiologisch onderzoek uit te voeren. Het onderzoek betrof het bestuderen van het verschil tussen enerzijds agorafobie (pleinvrees), een brede, aspecifieke angst om alleen te zijn die gepaard gaat met hyperventilatie en paniekaanvallen, en anderzijds specifieke fobieŽn, in casu een spinfobie. Na een training in het maken van psychofysiologische registraties - hartslag, ademhalingsdiepte en -frequentie en het elektrisch geleidingsvermogen van de huid - diende ik na te gaan in hoeverre er sprake was van angst en hyperventilatie tijdens de confrontatie met de gevreesde situaties. Daarnaast vulden de proefpersonen diverse vragenlijsten in om hun mate van angst aan te geven. 
De behandelmethodes voor de twee vormen van angst dienden, zoals het onderzoek bevestigde, verschillend te zijn. De 24 proefpersonen die aan het onderzoek hadden deelgenomen, behandelde ik na afloop met succes met (cognitieve) gedragstherapie. 
Later zou ik aan de algemene geldigheid van het onderzoek gaan twijfelen.

 


 

Vrijgevestigde gedragstherapeut

Nadat mijn tijdelijke aanstelling bij het UMC was beŽindigd, nam ik ter overbrugging als vrijgevestigde gedragstherapeut een aantal cliŽnten met diverse angststoornissen - waaronder agorafobie en sociale fobie (angst voor reacties of kritiek van anderen) - in behandeling. Het was een tijdelijke oplossing want ik wilde geen full time behandelaar worden. Ook deze cliŽnten kon ik van hun angst verlossen, op ťťn van de agorafobici na. Diens symptomen waren zo hardnekkig dat het me tot mijn spijt niet lukte hem daarvan te bevrijden. Voor de oorzaak daarvan zie hieronder: Die ene cliŽnt.

 


 

Studie psychofysiologie aan de Vrije Universiteit

Tegelijkertijd volgde ik colleges en practica in de psychofysiologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam waar het zwaartepunt lag op psychofysiologisch onderzoek naar angststoornissen.

 



Gedragstherapeut in alcoholkliniek

Daarna kreeg ik een baan in de alcoholkliniek van "Centrum Verslavingszorg Zeestraat" in Den Haag. Ik was hier de eerste en enige psycholoog in een team van artsen, psychiaters en verpleegkundigen. Ik mocht mijn werk vooralsnog zelf invullen.

"De zusterpost". De kliniek was gevestigd in een monumentaal herenhuis aan de Zeestraat. Het hart van de kliniek was een grote kamer op de bel-etage die "de zusterpost" werd genoemd. In het midden stond een lange tafel met koffie en thee. Aan het hoofd zat steevast de coŲrdinatrice van de kliniek. De deur stond altijd open en verpleegkundigen in witte uniformen liepen af en aan. Ze wisselden ervaringen uit over hun gesprekken met de cliŽnten en noteerden hun bevindingen in de dossiers. Al snel merkte ik dat de zusterpost een roddelpost was. Onder aanvoering van de coŲrdinatrice werden de cliŽnten er vaak met minachting besproken en bespot.
Af en toe werden er nieuwe verpleegkundigen aangenomen. Dat waren meestal aardige mensen. Maar na een paar weken veranderden ze onder druk van de groep niet zelden in cynische personen met dedain voor de cliŽnten.
Het was de bedoeling dat ik zou werken aan de tafel in de zusterpost. Daartegen protesteerde ik, hetgeen coŲrdinatrice belachelijk vond. Niemand van het personeel had een eigen werkkamer, zelfs de psychiater niet. Alleen de arts zat voor een paar uur per dag in zijn spreekkamer. Maar ik hield voet bij stuk en kreeg een eigen ruimte. Er was werk aan de winkel.

"Ochtendappel". De dag begon met Ė zoals dat heette Ė het ochtendappel dat plaatsvond in het souterrain. Er hing een One flew over the cuckoo's nest-achtige sfeer. De cliŽnten zaten met het personeel in een grote kring en moesten om beurten zeggen wat hen bezighield en waar ze aan wilden werken. De verpleegkundigen gingen de rij af, stelden vragen, gaven commentaar of voelden de cliŽnten aan de tand. De cliŽnten wachtten met zichtbare spanning op hun beurt. 

Paniekstoornissen. Binnen drie weken zag ik dat de droogstaande alcoholisten meer last hadden van hyperventilatie, paniekstoornissen en fobieŽn dan men op basis van toeval zou verwachten. Aan de hand van een literatuuronderzoek naar alcoholonthoudingsverschijnselen ontwierp ik een theorie waarin ik stelde dat deze symptomen het gevolg waren van het overmatig alcoholgebruik en wegens de hunkering naar alcohol ('craving') waarmee ze gepaard gingen een risico vormden voor terugval in het overmatige drankgedrag.
Tot mijn ontsteltenis had de geneesheer-directeur voor al zijn cliŽnten echter slechts drie diagnoses in petto: 'hysterisch', 'psychopathisch' en 'hystero-psychopathisch'. Hij sprak ze met minachting uit, als scheldwoorden. Tijdens de wekelijkse cliŽntenbespreking werd hij niet moe mij van de juistheid van zijn diagnostiek te overtuigen, zijn hand paternalistisch op mijn onderarm. "Paniekstoornissen? Ben je gek! Dat is allemaal hysterie." 
Ook mijn collega-psycholoog/gedragstherapeut in het aan de kliniek grenzende Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs (CAD), waar cliŽnten ambulant werden behandeld, geloofde niet in mijn theorie. Ik liet me echter niet ontmoedigen en bleef trouw aan mijn inzichten. Jaren later zou ik de theorie in mijn promotieonderzoek daadwerkelijk bewijzen.

Die ene cliŽnt. Plotseling herinnerde ik me die ene agorafobische cliŽnt die ik niet van zijn angst had kunnen afhelpen. Ik vermoedde nu dat hij veel alcohol dronk. Ik had het echter nooit aan hem gemerkt. Ik belde hem op en vroeg of hij misschien meer dan matig alcohol gebruikte. Ja. Het kwam er schoorvoetend uit. Dus daarom had ik hem niet kunnen helpen: het alcoholgebruik hield zijn angsten in stand. Ieder dag zorgde zijn kater voor nieuwe paniekaanvallen. Ik adviseerde hem contact op te nemen met een consultatiebureau voor alcohol en drugs. Daarna heb ik niets meer van hem gehoord. Ik weet dus niet of de behandeling op het consultatiebureau hem van zowel van zijn alcoholgebruik als angst als heeft genezen. Maar ik beschouwde zijn geval als een bevestiging van mijn hypothese.

Mijn werkzaamheden. Ik begon de verpleegkundigen gesprekstechnieken te leren en hen iets over (de behandeling van) angst en paniek bij te brengen. Verder ontwikkelde ik een gedragstherapeutisch behandelingsprogramma dat ik groepsgewijs uitvoerde. Het programma richtte zich op de gevoelens en gedachten die de verslaving in stand hielden. Met oefeningen leerde ik de cliŽnten vervolgens anders met hun probleemgedrag om te gaan. Na verloop van tijd droeg ik de uitvoering van het programma aan de verpleegkundigen over. Daarnaast deed ik individuele behandelingen. Tot slot zette ik een inventariserend onderzoek op naar de factoren die bijdragen aan terugval in het alcoholgebruik.
In een poging als psycholoog bij de psychiatrische opvattingen in de kliniek aan te sluiten, bestudeerde ik het werk van de humane fenomenologisch psychiater H.C. RŁmke (1893Ė1967) die het begrip 'hysterie' de zinvolle betekenis geeft van 'uit angst niet in staat zijn zeer pijnlijke gevoelens diep te doorleven'. Hij wijst er echter tevens op dat het gebruik van dergelijke psychiatrische terminologie het begrijpen van mensen in de weg kan staan. Hierover gaf ik in mijn maandagmorgenlessen tekst en uitleg. 
Mijn bijdragen waren echter aan dovemansoren gericht. Volgens de verpleegkundigen hadden de cliŽnten hun leven vergooid en moesten daarmee worden geconfronteerd. 'Confrontatie' was dan ook een van de belangrijkste behandelmethoden. En dat ging er soms hard aan toe.  

Soms zocht ik mijn toevlucht in de 'huiskamer' waar de droge alcoholisten mij onder grote hilariteit 'plaot Haaegs' leerden.
Ook ging ik tussen de middag regelmatig naar het Panorama Mesdag tegenover de alcoholkliniek om op adem te komen. Dan waande ik me even aan zee.  

Dood spoor. Voor een klinisch psycholoog was in de kliniek geen plaats. Waarschijnlijk was ik alleen aangesteld omdat het op papier goed stond dat de kliniek een psycholoog in dienst had. 
De geneesheer-directeur kwam tot de conclusie dat ik binnen het behandelteam niet goed functioneerde. Hij zou bekijken hoe mijn takenpakket zodanig kon worden aangepast dat de relatie met het team zou kunnen worden verbeterd. Ik besefte dat ik me hetzij aan het regime van de kliniek zou moeten onderwerpen hetzij naar een uithoek van de organisatie zou worden gemanoeuvreerd met een takenpakket waaraan niemand zich stoorde en de cliŽnten geen boodschap hadden. 

 



Intermezzo: RijksaKademiE VAN BEELDENDE KUNSTEN

Ik heb altijd veel getekend en geschilderd. Sinds mijn studie ging ik na een werkdag vaak naar de avondschool van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Ik besloot nu met een fulltime opleiding aan die academie een paar jaar mijn passie voor de kunst uit te leven.


 

Promotieonderzoek naar & behandeling van alcoholisme en angststoornissen aan de UvA

Daarmee loochende ik mijn hartstocht voor de psychologie niet. Die hield onverminderd mijn belangstelling. Na de academie publiceerde ik mijn theorie over het verband tussen alcoholisme en angststoornissen in een vakblad. Vervolgens stond mij een drietrapsonderzoek voor ogen: na een exploratief onderzoek met vragenlijsten en interviews bij abstinente alcoholisten wilde ik een psychofysiologisch onderzoek doen om aan te tonen dat hyperventilatie, angst en fobieŽn samenhangen met de hunkering ('craving') naar alcohol en dus met de kans op terugval in het alcoholgebruik. Als afsluiting wilde ik het effect van ademhalingstherapie op angst en het verlangen naar alcohol nagaan. In de tweede en derde fase van het onderzoek zouden onder meer ademfysiologische metingen worden verricht.

Ik begon de serie met het exploratieve onderzoek waarvoor ik subsidie kreeg en voerde het uit bij alcoholisten in de alcoholkliniek van het Jellinekcentrum die tenminste een maand droogstonden - op voorspraak van de daar werkzame arts. Dat onderzoek vormde een eerste onderbouwing van mijn hypothesen. Daarover publiceerde ik weer een artikel. 
De opzet van het vervolgonderzoek was om bij abstinente alcoholisten (die wederom tenminste een maand droogstonden) met vragenlijsten de drinkgeschiedenis en de mate van angst en de 'craving' vast te leggen, en met apparatuur de ademhalingsfrequentie en de hoeveelheid CO2 in de uitgeademde lucht te registreren teneinde de mate van hyperventilatie vast te stellen. Ik kreeg daarvoor subsidie mits ik het onderzoek kon onderbrengen bij een (semi)universitair instituut. Het psychofysiologisch laboratorium van de Vrije Universiteit waar ik eerder had gestudeerd en waar men onderzoek deed naar angst en stress, en beschikte over fysiologische registratieapparatuur leek mij een goede keuze. Hoewel ik een degelijk onderbouwd onderzoeksvoorstel had, geoefend was in psychofysiologisch onderzoek en geld meebracht, had de VU geen belangstelling. Ik probeerde daarvoor een verklaring te vinden, als volgt.

Een brug tussen twee gescheiden terreinen van onderzoek
In psycho(fysio)logisch onderzoek naar angst en stress is het gebruikelijk proefpersonen met een organische oorzaak voor hun klachten van het onderzoek uit te sluiten. Uit de wetenschappelijke angstliteratuur leerde ik dat naar overmatig alcoholgebruik doorgaans niet werd gevraagd terwijl angstige mensen soms geneigd zijn tot een meer dan matig alcoholgebruik. Dat had ik ook niet gedaan in mijn fobieŽnonderzoek. Daarin had ik weliswaar gevraagd naar het gebruik van kalmeringsmiddelen maar niet naar alcoholgebruik. Ik was destijds immers nog niet op de hoogte van een mogelijk verband tussen alcoholonthoudingsverschijnselen en angst. 
Het psychofysiologisch lab van de VU kreeg nu twee artikelen en een met subsidie gehonoreerd onderzoeksvoorstel onder ogen over het oorzakelijke verband tussen overmatig alcoholgebruik en angststoornissen. Aangezien de VU-onderzoekers hun proefpersonen niet naar hun alcoholgebruik vroegen, was de geldigheid van het reeds in hun lab verrichte onderzoek wellicht in het geding. Want wŠt als zich onder hun proefpersonen in het angstonderzoek nu zware drinkers bevonden? Dat de klachten van de proefpersonen niet altijd psychisch van aard waren maar
soms mede werden veroorzaakt door hun alcoholgebruik? Door katers? Dan zou generalisatie naar de algemene populatie van angstige mensen niet meer mogelijk zijn - zoals evenzeer gold voor mijn fobieŽnonderzoek (zie ook Die ene cliŽnt). Ik achtte het niet onwaarschijnlijk dat het lab daar liever de ogen voor sloot. 
Ik besefte dat ik een brug had geslagen tussen twee traditioneel gescheiden terreinen van onderzoek Ė alcoholisme en geestelijke gezondheid Ė die men liever gescheiden wilde houden. Ik behoorde tot geen van beide kampen en volgde mijn eigen pad.

Toen ik later in een Riagg werkte zou blijken dat ook de verslavingszorg en de geestelijke gezondheidszorg strikt gescheiden waren.

Bevestiging van mijn theorie
De Stichting voor Onderzoek naar Psycho-sociale Stress (SOPS) was wel bereid gastheer voor mijn onderzoek te zijn. De voorzitter was hoogleraar en haalde mij over om op mijn onderzoek te promoveren met hemzelf als promotor. In de jaren die volgden, verwierf ik diverse subsidies. Ik voerde het onderzoek weer uit in de alcoholkliniek van het Jellinekcentrum met verplaatsbare apparatuur van de SOPS en met steun van c.q. in samenwerking met de in de kliniek werkzame arts. Het onderzoek toonde onomstotelijk aan dat hyperventilatie en angststoornissen bij abstinente alcoholisten niet alleen vaak een aanleiding tot overmatig alcoholgebruik hadden gevormd, maar er ook een (biochemisch) gevolg van waren en dat die symptomen nog weken tot maanden na het staken van het overmatig alcoholgebruik konden blijven bestaan; verder dat hyperventilatie, angst en fobieŽn tijdens de abstinentie gepaard gingen met een hunkering ('craving') naar alcohol waardoor die klachten een risico vormden voor terugval in het overmatig alcoholgebruik.
Met het oog op de preventie van die terugval behandelde ik tientallen cliŽnten met een door de SOPS ontwikkelde ademhalingsbiofeedbacktherapie om de (late) alcoholonthoudingsverschijnselen te verlichten. In vergelijking met een controlegroep bleek de ademhalingstherapie de angst en het verlangen naar alcohol niet te verminderen. 
Ik presenteerde mijn onderzoek onder meer op de congressen van de International Society for Biomedical Research on Alcoholism (ISBRA) in Santa Fe, Helsinki en Kyoto, en publiceerde erover in Nederlandse en Amerikaanse vaktijdschriften. 

De keerzijde
Mijn promotor was vaak tiranniek en intimiderend, en had last van driftbuien. Tegen dat gedrag - hoe onverkwikkelijk ook - was ik bestand want ik had er geen boodschap aan. Gelukkig verrichtte ik mijn onderzoek ver weg van zijn instituut, in het Jellinekcentrum, waar ik wel met respect werd behandeld. 
(Voor hedendaags wangedrag van promotoren zie een bericht van de NOS uit 2021: Een dictator als promotor.) 
Verder had de waardering van mijn promotor voor mijn werk een keerzijde. 
In 1989, kort voor de afronding van mijn proefschrift, ontdekte ik dat hij een jaar eerder achter mijn rug om in een psychologisch handboek mijn publicatie in het Amerikaanse vakblad Alcohol (1985)* in bijna twee pagina's beschreef, inclusief tabellen. Toen ik hier navraag naar deed, sprak hij van een "citaat".  Voorts vermeldde hij in zijn publicatie de uitkomst van het (nog niet door mij gepubliceerde) ademhalingsfeedbackonderzoek: volgens hem zou ademhalingstherapie in de verslavingszorg zeer succesvol zijn. Dit terwijl niets in de resultaten van mijn onderzoek daarop wees. Aldus vervalste mijn promotor mijn onderzoeksresultaten in een internationaal toonaangevend handboek.** Aangezien ik te maken had met een voldongen feit besloot ik een confrontatie uit de weg te gaan teneinde vlak voor mijn promotie geen driftbui op te roepen. 

**Hyperventilation, stress and health-risk behavior. P.D. & P.G. In: Topics in Health Psychologie (1988). S. Maes, C.D. Spielberger, P.B. Defares en I.G. Sarason (eds). New York, John Wiley & Sons.

Zie ook:
Eťn op de 12 onderzoekers heeft onderzoeksresultaten verzonnen of aangepast. De Volkskrant 8-07-2021.
Eťn op 10 psychologen vervalst onderzoeksdata. De Volkskrant, 22-02-2012

 

Promotie
In 1990 promoveerde ik aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Het alcoholonthoudings-syndroom en hyperventilatie: een behandelingsmethode. Met een slotbeschouwing over de etiologie van alcoholisme. 

Zie het artikel Angst: Oorzaak en gevolg van overmatig alcoholgebruik voor een samenvatting van het onderzoek en de relevantie voor de klinische praktijk.

 

Publicaties

Roelofs SM. Het alcohol-onthoudingssyndroom en symptomen van hyperventilatie bij abstinente alcoholisten. Tijdschrift voor alcohol, drugs en andere psychotrope stoffen, TADP 9, 113-118, september 1983.

Roelofs SM Hyperventilatie en het subacute alcohol-onthoudingssyndroom. Tijdschrift voor alcohol, drugs en andere psychotrope stoffen, TADP 10, 52-62, juni 1984.

Roelofs SM. Hyperventilatie, angst en 'craving': een subacuut alcohol-onthoudingssyndroom. Tijdschrift voor alcohol, drugs en andere psychotrope stoffen, TADP 10, 52-62, september 1985.

* Roelofs SM. Hyperventilation, anxiety and craving for alcohol: a subacute alcohol withdrawal  syndrome. 
...Alcohol
2, 501-505, 1985.

Roelofs SM & Dikkenberg GM. Hyperventilation and anxiety: alcohol withdrawal symptoms decreasing with prolonged abstinence. Alcohol 4, 215-220, 1987.

Dikkenberg GM, Roelofs SM & Bakker. J A 4 year follow up of 59, and a 2 year follow up of 226 male alcoholic inpatients. Proceedings of the Fourth Congress of the ISBRA, Kyoto, Japan, 1988.

Roelofs SM. Het alcohol-onthoudingssyndroom en hyperventilatie: een behandelingsmethode. Met een slotbeschouwing over de etiologie van alcoholisme. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 1990.

Roelofs SM. Angst: oorzaak en gevolg van overmatig alcoholgebruik. Een interdisciplinaire benadering. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 47, 28-45, 1992.

 

 



HOOFD AFDELING PREVENTIE, INNOVATIE & ONDERZOEK 
IN DE AMBULANTE GGZ (RIAGG ZUIDOOST)
2

 

N.B. In witte kaders sla ik bruggen naar het heden
naar resultaten van wetenschappelijk onderzoek of andere toelichtingen.

Ik ben van mening dat kunst een bron van inspiratie is die aan inzicht en geestelijke groei kan bijdragen. De onder-staande tekst bevat dan ook verwijzingen naar beeldende kunst en de wereldliteratuur. 

 

inhoud

1. de organisatie: VREEMDER DAN FICTIE

Sollicitatiegesprek
Gekkenhuis
Huisvesting
De afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg's i.h.a.
De werkzaamheden in mijn afdeling

    
a. Hulp aan mensen met een migratieachtergrond
     b. Hulp aan ouderen
     c. Hulp aan vrouwen
     d. Preventie van seksueel misbruik 
     e. Registratie en onderzoek
     f. Publicaties
Mijn taken
"Stiefkind"
Argwaan tegen vernieuwingen
"Mensen kunnen niet veranderen"
Minachting voor het werk van mijn afdeling
"De kaas van het brood"
Reacties van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek op de minachting 
In de rol van toeschouwer gedwongen
"Wat doe je hier eigenlijk?"
Angst en achterdocht in het management
De opdracht om "schizofreen te leren denken"
"Dubbeldenken"
Bliksemafleider
Seksisme
Een verbitterde directiesecretaresse
Een ontluisterend organisatieadviesrapport
De zondebokken van de Riagg's 
Het betere werk
Emotioneel uitgeputte psychiaters anno 2020

Bureaucratische bolwerken
Analyse: Profijt gaat boven moraal

     Geen kwaliteit maar kwantiteit
     "Lastige" cliŽnten kosten meer dan ze opleveren
     De stem van het geweten volgen is immoreel
Anno 2020 nog steeds geen plek voor grote problemen 
Gebrek aan relativeringsvermogen
Lachen als medicijn
Grimmig en anarchistisch
Rel
Psychoterreur
Verzoek om notities over de Riagg-cultuur
     
     Zwemmen in stroop
    Riagg-taal
     Papiermolen
     Creatief boekhouden
     Verzonnen productiecijfers
     Waar blijft de eigen identiteit?
Verzoek om cartoons


 

2. DE HULPVERLENING: IS DIT GEESTELIJK GEZOND

A. Ondermaatse hulp

Schokkende dossiers
Oppervlakkige diagnostiek
De "klinische blik"
Het psychiatrische handboek DSM
Waanzin
De huidige DSM en de Diagnose Behandeling Combinatie
Ziek van de diagnose
Weerstand tegen de behandeling van concrete problemen
"Puzzelen"
Sigaar
Minder hoge verwachtingen van therapie 
Geen aandacht voor lichaamsbeleving 
Lange wachtlijsten (1)
Discriminerende hulpverlening 
Taken van Riagg's overgenomen door landelijke centra
Terugblik

Toedekken van trauma's
Lange wachtlijsten (2)

ANALYSE. Waarom de behandeling van een PTSS nog altijd niet vanzelfsprekend is   

     De schaduw van het verleden
     Een voorkeur voor "gemakkelijke" cliŽnten
     Confrontatie met een trauma zou te belastend zijn
     Weerstand tegen hulp bij concrete problemen
     Gebrek aan deskundigheid
     Hulpverleners houden niet van protocollair werken 

     Trauma's worden niet altijd herkend   
     Kinderen zouden uit eigen beweging over trauma's spreken
     Onverwerkte emotionele problemen van de hulpverlener zelf 
     "Een patiŽnt komt niet verder dan zijn therapeut"

Slordige dossiers, geen behandelplan, geen verantwoording
Ontkenning door de ggz
Weinig respect en inlevingsvermogen
"Oprotcontact"
De hulpverlener acht zich onmisbaar
De hulpverlener acht zich onfeilbaar
De zelfingenomenheid van hulpverleners
OfficiŽle klachten over de ggz-hulp 2017-2019
De hulpverlener sluit zich af van de buitenwereld

B. Misstanden in het behandelteam voor vrouwen en meisjes

Intro
De vrouwenhulpverlening en overlevingsstrategieŽn
Voor spek en bonen
Opnieuw de status van Freud
Theekransje
"Een psychisch beschadigde vrouw kan een prima therapeut zijn."
"Ze is niet verkracht want ze toont geen emoties".
"Geen verwerkproces maar een vergeetproces"
Niobe
Geen inzicht in de psychische gevolgen van seksueel misbruik
"Wat niet verdrongen is, is niet traumatisch"
Gestoord en onveranderbaar
Verdrongen trauma's
Het verhaal van Griet Op de Beeck
Niet verder kijken dan de neus lang is
De twee gezichten van Freud
Nog steeds een taboe op incest
"Dan maak je mannen van ze"
Training lichaamsbewustzijn
     Hoon

     Bestraffende houding en geroddel
Onverschillig tegenover behandeladviezen
Een positieve ervaring met een collega
"Geen duidelijke visie op de vrouwenhulpverlening"
Gespecialiseerde hulp bij recent seksueel geweld
In de ggz geen goede hulp voor als kind misbruikte volwassenen

C. Gebrek aan zelfreflectie

 



3. EEN NIEUWE DIRECTEUR: GEEN VERBETERING

 



4. DE ONTWIKKELINGEN NA DE BIJLMERVLIEGRAMP

A. De TIJDELIJKE metamorfose na de Bijlmerramp

B. aNGST, onverbloemde rassendiscriminatie en PUBLICATIEVERBOD



5. Verzet EN MORELE autonomie

A. ZELFRESPECT

B. Valse beschuldigingen en verraad

C. Een klein rechtbankdrama

D. Het lot van de slachtoffers van de Bijlmerramp

Vakkennis PTSS in Riagg Zuidoost was ontoereikend
Zeven jaar na de ramp nog steeds veel slachtoffers met PTSS 
De Riagg na de Bijlmerramp in 1999: opnieuw een falende hulp?

 


 

 


DE huiver van de vakbladen 2

Maandblad Geestelijke volksgezondheid
De Psycholoog
Niet serieus genomen
Deviant

Een ander geluid
Een ongemakkelijke waarheid
De teloorgang van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek
     Noodsein: rode cijfers en lange wachtlijsten


RECHT VAN SPREKEN 

Bonte baan
Exposities cartoons 
Inzicht in de ggz als insider
Publicatie boeken over de ggz (1997 en 2008)
Hulp aan in de ggz teleurgestelde cliŽnten
E-document over de ggz (2020)


 

INFO VOOR CliŽnten over wat wel/geen goede 
hulp is

Praktische info over de hulpverlening

 



 

AFDELINGSHOOFD PREVENTIE, INNOVATIE & ONDERZOEK 
IN DE AMBULANTE GGZ (RIAGG ZUIDOOST)
 
2

 

 

Sollicitatiegesprek

Mijn promotie was voor mij geen opstapje naar een veeleisende wetenschappelijke carriŤre of een vooraanstaande positie. Ik gaf de voorkeur aan een deeltijdbaan in de ggz die mij nieuwe impulsen zou kunnen geven en waarnaast tijd genoeg overbleef om te schilderen. In maart 1991 solliciteerde ik naar een baan van drie dagen per week als hoofd van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg Zuidoost.* 

De directeur protesteerde tegen mijn aanstelling omdat ik volgens hem als gepromoveerd psycholoog/gedragstherapeut te hoog was opgeleid: niemand in de Riagg Zuidoost was gepromoveerd. Voor een afdeling met 'onderzoek' in haar vaandel leek het me niet overdreven. En de medewerkers in de betreffende afdeling wilden mij graag als hun hoofd. Wel vroeg een van hen bezorgd of ik mij gemakkelijk de kaas van het brood liet eten. "Nee", was mijn antwoord. Ik besteedde er niet veel aandacht aan. Pas later zou ik de diepere betekenis van die vraag begrijpen.
Zo kreeg ik een boeiende baan in een multiculturele wijk met (in 1991) 67 verschillende nationaliteiten waar Ė net als elders Ė veel leed is maar waar het te midden van die mix van culturen ook zinderde van leven. 

* De Riagg Zuidoost is inmiddels opgegaan in Arkin GGZ Amsterdam. Riagg is afkorting van Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg. Er bestonden destijds 59 Riagg's.

Gekkenhuis

Hoe kon ik weten dat de wereld van de Riagg Zuidoost vreemder was dan fictie? Dat de werkelijkheid in de organisatie vaak zo bizar was dat ik die met geen mogelijkheid zelf had kunnen verzinnen? Dat ik in een gekkenhuis was beland? 

Huisvesting

De Riagg Zuidoost bevond zich aan de Ganzenhoef 5a in het hartje van de Bijlmermeer in het stadsdeel Amsterdam Zuidoost (inmiddels bestaat het gebouw niet meer). De huisvesting was abominabel. Het geheel gelijkvloerse stenen gedeelte van het gebouw was deels inpandig en gelegen onder een snelweg, reden waarom de Riagg in de regio 'de bunker' werd genoemd. Om in de Riagg te komen, moest je door een donkere doorgang lopen. Het stenen pand was verbonden met een aantal geschakelde houten noodbarakken, waarlangs een gang liep. Mijn werkkamer, die ik deelde met een andere medewerker in mijn afdeling, bevond zich in een van de barakken en keek uit op een kaal binnentuintje. De noodbehuizing stond niet stevig. Als iemand door de gang langs de houten keten liep, wiebelden ze zachtjes heen en weer. Een van de afdelingen in de Riagg Zuidoost, de afdeling Psychotherapie, was echter gevestigd in een goed onderhouden nieuwbouwpand in Diemen, op kilometers afstand van het hoofdgebouw.

 

Het gebouw van het nabijgelegen Wijkopbouworgaan kwam overeen met de huisvesting van de Riagg in Amsterdam Zuidoost anno 1991 (van de Riagg zelf zijn geen foto's beschikbaar).

 

Zie de webpagina over mijn boek Niet storen voor Het ontstaan van de Riagg's.

 

De afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg's  i.h.a. 

De wereld waarin de cliŽnt leeft. De afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek in de 59 Riagg's hielden zich bezig met zowel preventie van psychische problematiek als de integratie van vernieuwingen in de traditionele hulpverlening. De innovatie van de hulpverlening was nodig omdat de behandelafdelingen doorgaans weinig of geen hulp verleenden bij concrete psychische problemen waaronder trauma's en klachten op sociaal-maatschappelijk terrein (waarover hieronder meer). Iedere afdeling legde andere accenten. Mijn afdeling hield zich voornamelijk bezig met hulp aan vrouwen, ouderen en mensen met een migratieachtergrond. Andere Riagg's richtten zich op bijvoorbeeld gebieden als hulp aan vluchtelingen, cliŽnten met arbeidsgerelateerde problemen of kinderen van ouders met psychiatrische stoornissen. Maar alle afdelingen benadrukten dat behalve aan innerlijke psychische processen ůůk aandacht moest worden besteed aan de gebeurtenissen in de buitenwereld die hadden bijgedragen aan het ontstaan en de instandhouding van de psychische problemen; dat er niet alleen aandacht moest worden besteed aan de wereld die in de cliŽnt leeft, maar ook aan de wereld waarin hij of zij leeft. 

Samenwerking. Vaak werkten de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek samen met huisartsen, bedrijfsartsen, buurthuizen, onderwijsinstellingen, werkgevers, politie, de Raad voor de Kinderbescherming, de Rutgers Stichting en het UWV.

Voor een beter begrip van mijn ervaringen in de Riagg Zuidoost is de onderstaande opsomming van de werkzaamheden in mijn afdeling op hoofdpunten belangrijk. 

 

De werkzaamheden in mijn afdeling

De afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg Zuidoost was - zoals in de meeste Riagg's - klein. Naast het afdelingshoofd (klinisch psycholoog/gedragstherapeut (24 uur) en een secretaresse (12 uur) werkten er een klinisch psycholoog/hypnotherapeut i.o. (19 uur), een klinisch psycholoog/gedragstherapeut i.o (18 uur) en een andragoog (10 uur). Verder was er was een vacature voor jeugdzorg (19 uur). 

De afdeling was actief op de volgende gebieden:

a. Hulp aan mensen met een migratieachtergrond          (klinisch psycholoog/gedragstherapeut in opleiding)

In 1991 was ruim de helft van de bevolking in de regio Amsterdam Zuidoost van allochtone afkomst. Het betrof voornamelijk Surinamers en Antillianen maar er woonden ook veel Arubanen, Ghanezen, Turken en Marokkanen. Tot de problemen van deze bevolkingsgroepen behoorden identiteitscrises, discriminatie, racisme, tweedegeneratieproblemen, cultuurgebonden ziekteopvattingen en taalbarriŤres. In de Riagg bestond Een project voor deze bevolkingsgroepen met de naam Etnisch culturele bevolkingsgroepen, afgekort als ECB, werd geleid door de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek. Dat project had de volgende taken:

Ontwikkelen en overdragen van kennis die bijdraagt aan de betere kwaliteit van de hulpverlening. In dat kader werden regelmatig lezingen, workshops en boekbesprekingen georganiseerd. Thema's die daarin werden behandeld, waren onder meer Creolen en hun gezinsstructuur, Psychotherapie bij Surinamers, De positie van zwarte vrouwen, Confrontatie met rassendiscriminatie, Rouwverwerking bij Surinamers en Winti, een Afro-Surinaamse religie en geneeswijze. Iedere maand werd de ECB Nieuwsbrief uitgegeven, een interne krant met nieuws over de migrantenhulpverlening en wetenswaardigheden over de bevolkingsgroepen in de regio Amsterdam Zuidoost.

Binnen de behandelafdelingen werden supervisiegroepen inzake de allochtonenhulpverlening georganiseerd.

Via onderzoek werd inzicht verkregen in de aanmeldingsklachten van allochtone cliŽnten en de wijze waarop de hulpverleners die klachten behandelden. Op basis daarvan deed het ECB-project aanbevelingen voor de behandeling.

Samen met de afdeling Jeugdzorg werd gewerkt in een zogeheten bicultureel behandelingsteam. In dit team werden ideeŽn en (voor)oordelen tussen zwarte en witte hulpverleners uitgewisseld op basis waarvan de behandeling eventueel kon worden werd bijgesteld.

 

b. Hulp aan ouderen 
   
(klinisch psycholoog/hypnotherapeut in opleiding)

In de regio Zuidoost woonden anno 1991 ruim 9000 mensen die ouder waren dan 65 jaar (9% van de bevolking). In de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek werden voor ouderen de volgende activiteiten ontplooid:

Het project De gevolgen van een verhuizing voor ouderen richtte zich op de psychische gevolgen van een verhuizing naar een verzorgingshuis, bestaande uit (literatuur)onderzoek en het opstellen van een serie maatregelen die de negatieve gevolgen van een verhuizing naar een verzorgingshuis minimaliseren.

De cursus Beter leren omgaan met het geheugen richtte zich op het vergroten van het zelfvertrouwen van ouderen met betrekking tot het functioneren van het geheugen en het wegnemen van de angst voor de ziekte van Alzheimer. De cursus vond plaats in buurthuizen.

In samenwerking met het ECB-project werd onderzoek gedaan naar de positie van oudere Surinamers en Antillianen.

 

c. Hulp aan vrouwen 
     (klinisch psycholoog/gedragstherapeut)

De vrouwenhulpverlening was een hulpverleningsvorm voor en door vrouwen die in de jaren zeventig van de vorige eeuw vanuit de tweede feministische golf was ontstaan. Die hulpverlening was een reactie op de werkwijze van de gevestigde ggz waarin klachten van vrouwen over verkrachting, incest of ander seksueel geweld vaak niet serieus werden genomen (klik hier voor de grondslagen van de vrouwenhulpverlening). De integratie van de vrouwenhulpverlening in de Riagg's werd landelijk geregeld. In de Riagg Zuidoost was de door de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek opgezette vrouwenhulpverlening al in het reguliere Riagg-aanbod geÔntegreerd: er bestond een speciaal team voor vrouwen en meisjes dat viel onder de afdeling Sociale Psychiatrie. Het vrouwenteam zette preventieve groepsbehandelingen op, organiseerde intervisiegroepen en poogde de eigen deskundigheid te vergroten via lezingen, workshops en boekbesprekingen. De taak van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek in dit team was als volgt:

Een adviserende rol bij de cliŽntbesprekingen van het vrouwenteam.

Deelname aan een preventieve cursus lichaamsbewustzijn voor cliŽnten met psychosomatische klachten Ė dat zijn lichamelijke klachten waarvoor geen lichamelijke verklaring gevonden kan worden zoals hartkloppingen benauwdheid en chronische vermoeidheid. De cursus was gericht op het vergroten van het lichaamsbewustzijn via oefeningen. Een grotere gevoeligheid voor wat zich in het lichaam afspeelt, zou een dreigende overbelasting kunnen voorkůmen. Tevens zouden de oefeningen kunnen bijdragen aan het vrijkomen van onderdrukte gevoelens. Aldus werd gepoogd de noodzaak van een dure, individuele behandeling te voorkůmen.

 

d. Preventie seksueel misbruik 
    (klinisch psycholoog/gedragstherapeut)

Deelname aan het stedelijk project Recht op veiligheid dat werd ontwikkeld door het toenmalige Amsterdams Preventie Overleg Seksueel Geweld. Het project was gericht op de preventie van seksueel misbruik van kinderen door volwassenen en seksueel gewelddadig gedrag tussen kinderen onderling. In het project werden kinderen niet zozeer benaderd als (potentiŽle) slachtoffers maar als personen die zich Ė al dan niet met de hulp van anderen Ė zoveel mogelijk moeten leren beschermen tegen ongewenste bejegeningen en aanrakingen. Acteurs lieten de kinderen in sketches zien hoe zij zich hiertegen het beste konden verweren. Leerkrachten werden getraind om bepaalde onderdelen van de cursus over te nemen. Voor ouders werden voorlichtingsbijeenkomsten gegeven.

 

e. Registratie en onderzoek 
    
(andragoog)

Op basis van literatuurstudie, probleeminventarisatie in de regio en onderzoek werden suggesties gedaan voor de hulpverlening. Een paar voorbeelden:

De Riagg Zuidoost werkte mee aan een grootschalig Amsterdams onderzoek naar het vůůrkomen, de behandeling en doorverwijzing van cliŽnten met psychische problematiek.

Verkenning van de mogelijkheden voor een netwerk van pleeggezinnen voor Surinaamse en Antilliaanse jongeren in een crisissituatie. 

Ondersteuning vrouwen-, migranten- en ouderenhulpverlening in de afdeling middels onderzoek.

 

f. Publicaties

Met regelmaat verschenen interne of externe publicaties van de afdeling zoals literatuurstudies, evaluatierapporten of resultaten van onderzoek.

 

Mijn taken

Ik diende de bovengenoemde activiteiten van de afdeling in goede banen te leiden. Verder vergaderde ik om de week in het centrale management met de directeur en mijn collega-afdelingshoofden Jeugdzorg en Volwassenzorg (Sociale Psychiatrie, in principe gericht op sociaal-maatschappelijke problemen en Psychotherapie in principe gericht op groei en inzicht). Als adviseur nam ik deel aan de cliŽntbesprekingen in het behandelteam voor vrouwen en meisjes, leidde ik samen met anderen een groep voor vrouwen met psychosomatische klachten en was ik vertegenwoordiger van de Riagg Zuidoost in het Amsterdamse project Recht op veiligheid ter preventie van seksueel misbruik bij basisschoolkinderen. Ten slotte had ik maandelijks besprekingen met de afdelingshoofden Preventie, Innovatie & Onderzoek van de vier overige Amsterdamse Riagg's. 


"Stiefkind"

De Riagg Zuidoost was de eerste Riagg in Nederland. Niet lang na mijn aanstelling bestond de instelling tien jaar. Dat werd met lezingen, hapjes en drankjes gevierd. Ik belandde naast een jonge sociaal psychiatrisch verpleegkundige die ik nog niet kende. Met een grijns zei hij: "Jij moet straks alles opruimen en schoonmaken." Ik was verbaasd over zo'n flauwe grap. 
Kort daarop werd ik door het afdelingshoofd Psychotherapie geÔnformeerd over de verhoudingen in de Riagg. Tijdens een kennismakingsgesprek in het pand in Diemen legde hij mij uit dat zijn afdeling de hoogste status in de organisatie had en dat mijn afdeling het "stiefkind" van de Riagg was.
 
Ik was in de ogen van mijn collega's dus een Assepoester: een stiefkind dat vuile huishoudelijke karweitjes moest opknappen.

 

Argwaan tegen vernieuwingen

In het archief van mijn halsoverkop vertrokken voorganger vond ik kort daarna een notitie uit 1990 van het afdelingshoofd Psychotherapie ten behoeve van een studiedag over het functioneren van de Riagg Zuidoost. Hierin las ik hoezeer hij aan de status van het voormalige IMP, het Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie waar hij voorheen werkte, gehecht was. En ook hoezeer hij gekant was tegen iedere vorm van vernieuwing van de hulpverlening:

"De psychotherapeuten brachten bij het ontstaan van de Riagg's de gewoontes en opvattingen van hun eigen instituut mee. Daar verdiende je goed. Het wŠs wat dat je daar werkte! De afdeling Psychotherapie wordt dan ook nog steeds gekenmerkt door een argwaan tegen zogenaamde nieuwe opvattingen."

Hieruit leidde ik af dat de innovatie die mijn afdeling voorstond wat hem betrof bij voorbaat gedoemd was.

 

Apenrots (1)

 

"Mensen kunnen niet veranderen"

Van een therapeut die aan het hoofd staat van een afdeling met de hoogste status in de Riagg zou je hoogstaande therapeutische kwaliteiten verwachten. Niets was minder waar. Ik las in dezelfde notitie van het afdelingshoofd Psychotherapie dat hij op basis van zijn "langdurige therapeutische scholing" tot de conclusie was gekomen dat mensen niet kunnen veranderen. Een therapie zou van een cliŽnt dus nooit een gezonder mens kunnen maken. Een ongerijmd standpunt voor een psychotherapeut. Later zou ik steeds opnieuw met zijn ongerijmde gedrag worden geconfronteerd. 

 

Minachting voor het werk van mijn afdeling

Al snel begreep ik dat de uitlatingen van mijn collega's die ik onder "Stiefkind" beschrijf, pasten bij een houding die de behandelafdelingen tegenover de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek innamen. Daarvoor ontdekte ik twee redenen: 

1. Preventie van psychische problemen. Er werd in de Riagg's alom een onderscheid gemaakt tussen 'preventie' en 'curatie'. 'Curatie', hetgeen 'genezing' betekent, stond voor het werk van de behandelafdelingen, ook wel 'curatieve afdelingen' genoemd. De medewerkers in de curatieve afdelingen vonden dat hun werk, dat in principe was gericht op de genezing van psychische stoornissen, een hoge status had. In hun behandeling hadden zij de  behoefte om zich met wat doorging voor "dieptepsychologie" te onderscheiden (waarover meer onder "puzzelen"). Daarmee vergeleken vonden zij de preventie van psychische problemen onbeduidend en onbenullig. Het begrip 'preventie' stond in de ggz gelijk aan 'inferieur'. Of hij of zij nu een gekwalificeerde behandelaar was of niet, in de ggz kon een medewerker van een afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek per definitie rekenen op minachting. (Zie ook het interview met de hoogleraar Preventie Clemens Hosman).

2. Innovatie van de hulpverlening. De meeste hulpverleners in de Riagg's hadden weinig op met de innovatieprojecten van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek. De reden was dat in die projecten de nadruk lag op op concrete, in de buitenwereld opgelopen trauma's en sociaal-maatschappelijke problemen zoals discriminatie van mensen met een migratieachtergrond en geweldsproblematiek bij vrouwen - d.w.z. op de wereld waarin de cliŽnt leeft. Zoals gezegd, richtten de behandelafdelingen zich  bij voorkeur op innerlijke psychische processen, d.w.z. op de wereld in de cliŽnt. Dat belangenconflict was - net als in andere Riagg's - voor de behandelafdelingen aanleiding om mijn afdeling niet serieus te nemen of zelfs te boycotten. 

Zelfs de Riagg-directies deden hieraan mee. Het dedain was zo wijd verbreid dat het ook in de redacties van vakbladen speelde. Zo vernam ik van een voormalige studievriendin, die een tijd redactielid van het Maandblad Geestelijke gezondheid was geweest, dat de redactie van het blad de mening van medewerkers van de afdelingen Innovatie & Onderzoek in Preventie over de hulpverlening in het geheel niet serieus nam. 

Uiteindelijk leidde deze houding tot de teloorgang van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek in de ggz. Vele jaren later zou de roep om preventie van psychische problemen weer gaan klinken - en steeds luider. 

 

 

"De kaas van het brood"

Na deze ontdekkingen dacht ik terug aan een vraag die de medewerker Registratie & Onderzoek in mijn afdeling me tijdens de sollicitatieprocedure had gesteld. Zij vroeg toen of ik mij gemakkelijk de kaas van het brood liet eten. Nu kreeg die vraag betekenis. De afdeling had behoefte aan een hoofd dat zich niet aan de kant liet zetten; aan een zelfbewust en weerbaar persoon; aan iemand die voor hen in het centrale management de kastanjes uit het vuur haalde. 

In mijn kleine afdeling hadden we onderling een goede band.
Anderhalf jaar later, na de Bijlmervliegramp van 4 oktober 1992, die vlakbij de Riagg Zuidoost plaatsvond, werd echter duidelijk dat de loyaliteit in de afdeling grenzen kende. Toen zagen mijn naaste medewerkers liever dat ik mij wel de kaas van het brood liet eten (zie Deel 4).

 

Reacties van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek op de minachting 

De minachting voor hun werk liet de betrokkenen niet koud. In de loop der jaren signaleerde ik bij mijn collega's Preventie, Innovatie & Onderzoek in de 59 Riagg's uiteenlopende reacties. Sommigen Ė de vernederingen moe Ė gaven het op: ze zwichtten voor de druk van de meerderheid en verloochenden hun idealen. Zo waren er mensen die zich gingen bijscholen om kost wat kost de status van psychotherapeut te bereiken teneinde geen "stiefkind" meer te zijn. Anderen hadden een misplaatst vertrouwen in een betere toekomst voor hun afdeling en bleven taai en onverzettelijk hun werk doen. Weer anderen zochten Ė in de geest van de Riagg-organisatie Ė hun heil in vergaderingen, beleidsnotaís en strategische benaderingen. Vele medewerkers vertrokken echter uit de Riaggís op zoek naar een werksfeer met meer bezieling en liefde voor het vak. Hoe ik zelf op de vernederingen reageerde, komt hieronder aan de orde.


In de rol van toeschouwer gedwongen

Vanwege het belangenconflict tussen mijn afdeling en de behandelafdelingen  had ik zowel in het centrale management als in het behandelteam voor vrouwen en meisjes weinig in te brengen. Ik werd terugkerend fel "op mijn plaats" gezet. Aldus beschermden de hulpverleners hun privileges in de behandelkamer. Daar werd geen bemoeienis getolereerd. En zo werd ik in zowel het management als het vrouwenteam in de rol van toeschouwer gedwongen. 


 

"Wat doe je hier eigenlijk?"

Zes weken na mijn aanstelling vroeg het afdelingshoofd Jeugdzorg mij in een managementvergadering: "Zeg eens, wat doet jouw afdeling eigenlijk?" "Ja, vertel eens", vielen de anderen hem bij. Vervolgens kreeg ik de nogal premature opdracht om de taakstelling van mijn afdeling te beschrijven. Ook wilden mijn collega's weten wat de relatie van mijn afdeling met de overige drie afdelingen was. Ik was verbaasd. Was de bestaansgrond van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek in het geding? Ik vroeg me af waarom de Riagg mij Łberhaupt had aangesteld. Maar ik werkte nog kort in de organisatie en liet mij niet kisten. De opdracht leidde tot veel overwerk. Het voordeel was dat ik mij snel en grondig kon inwerken en aardig wat leerde over de veelkleurige bevolking van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost. Ik schreef de nota met plezier. Toen ik de tekst Ė voorzien van theorie en literatuurverwijzingen Ė in het managementoverleg presenteerde, zei het afdelingshoofd Psychotherapie dat ik een te rooskleurig beeld van mijn afdeling had geschetst. Hij vond dat ik mijn huiswerk over moest doen. Ik vroeg mij af wat hij liever had gezien. Een nota waarin ik schreef dat mijn afdeling weinig voorstelde? De andere twee afdelingshoofden en de directeur vonden het niet nodig dat ik het stuk herschreef. Later, toen hij zich eens door mij gepasseerd voelde, kwam afdelingshoofd Jeugdzorg daarop terug. 

Diepgewortelde angst. Wat bewoog het afdelingshoofd Psychotherapie? Was hier sprake van pesten? Als verbaasde toeschouwer in het management kon ik zijn ondermijnende gedrag echter van mij af laten glijden. Want ik begreep dat hij mij wilde dwarsbomen uit angst voor vernieuwingen. Hoe diepgeworteld de angst van hulpverleners voor de initiatieven van mijn afdeling waren, besefte ik na de Bijlmervliegramp. Het centrale management voerde toen diverse noodzakelijke vernieuwingen door die mijn afdeling al langer voorstond. De psychotherapeuten, de meest behoudend hulpverleners, reageerden daarop met ontsteltenis (zie Deel 4). Dat was voor het afdelingshoofd Psychotherapie reden tot machtsmisbruik uit angst.



Angst en achterdocht in het management

Uit de paperassen in het archief van mijn voorganger maakte ik op dat er in de  Riagg al jarenlang interne twisten woedden. Zo las ik in een open brief van de ondernemingsraad aan directeur en afdelingshoofden dat er verschillende medewerkers ziek waren van het werkklimaat en dat er tussen de afdelingen in toenemende mate polarisatie optrad. 
Tijdens het tweewekelijks overleg tussen directeur en afdelingshoofden heerste een sfeer van angst, achterdocht en vijandigheid. Beslissingen werden genomen op grond van willekeur en macht. Zaken die er echt toe deden, met name inhoudelijke kwesties over de hulpverlening, ging het management uit de weg. Die vonden mijn collega's te bedreigend. Aan het daaruit voortvloeiende onpersoonlijke en omslachtige beleidsjargon kon ik soms geen touw vastknopen. 
Hieronder een voorbeeld dat rechtstreeks is opgetekend uit de mond van de directeur.

 

 

De opdracht om "schizofreen te leren denken"

Tijdens mijn proefperiode plaatste ik eens een kritische noot bij dat gebrek aan inhoudelijke sturing. Er viel een ijzige stilte. Na afloop van de vergadering vroeg ik het afdelingshoofd Sociale Psychiatrie, een vrouw die mij van de afdelingshoofden het minst onvriendelijk toescheen, waarom mijn opmerking werd genegeerd. Zij legde mij uit dat in het managementteam alleen nog maar neutrale, huishoudelijke zaken werden besproken. Zaken die er echt toe deden, met name inhoudelijke kwesties over de hulpverlening, ging het management uit de weg. Die waren te bedreigend.
Onmiddellijk na de vergadering riep de directeur mij op het matje. Hij maande mij "een beetje schizofreen te leren denken". Zo niet dan zou er geen contract komen.
Ook het afdelingshoofd Sociale Psychiatrie bleek ontstemd te zijn. Later hoorde ik van een organisatieadviseur dat zij mij vanwege mijn opmerking "een horzel" vond. 

Om in de ggz naar tevredenheid te functioneren, moest ik dus psychisch gespleten zijn. Ik vroeg me af welke gevolgen een dergelijke gespletenheid in de organisatie voor de hulp aan cliŽnten had. 


 

"Dubbeldenken"

Het hierboven beschreven voorval was geen incident. Overal in de organisatie signaleerde ik dezelfde gespletenheid. De organisatie legitimeerde wat George Orwell in zijn roman 1984 uit 1949 'dubbeldenken' noemt: 

"Dubbeldenken is het vermogen om er in de geest tegelijkertijd twee tegenstrijdige overtuigingen op na te houden en ze allebei te aanvaarden. Het moet een bewust proces zijn, anders zou het niet nauwkeurig genoeg zijn, maar het moet ook een onbewust proces zijn, anders zou het een gevoel van bedrog en schuld met zich meebrengen."

1984 speelt zich af in de fictieve totalitaire staat OceaniŽ. De mensen leren 'dubbeldenken' via groepsdruk, vanuit de behoefte 'erbij' te 'horen'. 

Een voorbeeld van "dubbeldenken" in de Riagg:

Een afdelingshoofd laat zich binnen de afdeling kritisch uit over een cliŽntonvriendelijke maatregel. Als lid van het centrale Riagg-management besluit het hoofd dezelfde maatregel te ondersteunen.

 

Bliksemafleider

In de managementvergaderingen kon de directeur mijns inziens zomaar, zonder aanleiding, tegen mij uitvallen. Weliswaar schrok ik daarvan maar zijn gedrag was zo onredelijk dat ik het - net zoals voorheen bij mijn promotor - steeds vrijwel direct als een anomalie naast me neer kon leggen. Met mij had het niets te maken. Ik vroeg hem dan beleefd niet zo te schreeuwen. Maar dat hielp niet. Wanneer hij tegen mij tekeerging, zwegen mijn collega-afdelingshoofden in alle talen. Ze hadden immers niet veel met mij als afdelingshoofd op. Ik vermoedde dat die uitvallen fungeerden als bliksemafleider. Dat ze afleidden van de hoogspanning in de vergaderingen. Dat ze zelfs welkom waren.
Dat de uitvallen van de directeur mogelijk een diepere grond hadden, bleek uit het volgende voorval.

 

Seksisme

Op een keer werd ik onderweg naar de Riagg in de metro door een Noord-Afrikaanse man in het gezicht geslagen. Omdat ik lang donker haar heb en een lange jas droeg, zag hij mij vermoedelijk aan voor een Noord-Afrikaanse vrouw en wilde hij mij berispen voor het feit dat ik geen hoofddoek droeg. Een politieagent was getuige van het incident en verzocht mij aangifte te doen. Dat deed ik. Om die reden miste ik een vergadering in de Riagg. Toen ik mij bij aankomst excuseerde en vertelde wat er was gebeurd, zei de directeur: "Je vraagt er ook om." Volgens de directeur had ik de klap in mijn gezicht dus over mijzelf afgeroepen. Het was mijn eigen schuld.
Was dat nu een directeur van een instelling voor geestelijk gezondheidszorg? De Riagg had mij aangesteld om de hulp aan vrouwen en meisjes te verbeteren en ontving er subsidie voor, maar de directeur maakte een oerseksistische opmerking: als je als vrouw wordt geslagen, is het je eigen schuld.

Ik vroeg me af waar dat hartgrondig seksisme vandaan kwam.
Mogelijk was zijn beweegreden als volgt. In het sollicitatiegesprek had de directeur zich tegen mijn aanstelling als afdelingshoofd uitgesproken omdat niemand in de Riagg gepromoveerd was. Als hoogst opgeleide Riagg-medewerker was ik bovendien een vrouw. Het feit ik in de ogen van de meeste hulpverleners een onaanzienlijke functie bekleedde, gaf hem een vrijbrief om mij te vernederen.
Wie weet, speelde seksisme ook een rol bij mijn mannelijke collega-afdelingshoofden, gezien de hatelijkheden die ze al jegens mij hadden tentoongespreid en nog in petto hadden. 

Zou er in dat geval sprake zijn van gevoelens van onzekerheid en minderwaardigheid? Later zou ik in deel 2 van mijn boek Wie is er nu gek? (2008), De therapeut op de divan, uitweiden over het effect van dergelijke gevoelens op de hulpverlening aan cliŽnten. 

 

CliŽnt (l) en hulpverlener

 

Een verbitterde directiesecretaresse

Er was slechts ťťn medewerker in de Riagg die zag hoe onredelijk ik werd behandeld. En dat was de directiesecretaresse die steeds als notulist bij de managementvergaderingen aanwezig was. Ze gaf daar echter op een curieuze manier blijk van. Al snel na mijn aanstelling kwam ze na het werk regelmatig op mijn kamer. Dan stelde ze mij op een verwijtende toon retorische vragen. "Zie je niet wat er gebeurt?", "Hoe kun je hier in godsnaam werken?", "Wat denk je hier te kunnen bereiken?" Ik vond haar bezoekjes belastend maar had ook met haar te doen. Ik begreep dat ze verbitterd was en haar verbittering op mij projecteerde. Ik probeerde steeds vriendelijk te antwoorden wat mijn plannen en ideeŽn voor de afdeling waren. Ik was immers nog maar pas in dienst.
Nadat de ziekte van de organisatie in volle omvang tot mij was doorgedrongen, was ik afwisselend geschokt, geamuseerd, verbijsterd, verontwaardigd, waakzaam, analytisch en strijdvaardig. Maar verbittering kreeg geen vat op me.


Een ontluisterend organisatieadviesrapport

In juni 1991, toen ik nog geen vier maanden in de Riagg Zuidoost werkte, verscheen een organisatieadviesrapport met de titel De toekomst kijkt achterom. Dat rapport was het resultaat van de derde adviesronde van een  organisatieadviseur in de Riagg Zuidoost. Hij concludeerde het volgende:

"De Riagg Zuidoost heeft een januskop: er is een gezicht naar buiten en een gezicht naar binnen. Het gezicht naar buiten oogt redelijk normaal en verantwoord. Het gezicht naar binnen is de absolute schaduwzijde."

Janus is een Griekse god met twee gezichten. Iemand die onoprecht en hypocriet is, heeft in figuurlijke zin een januskop.  

Zoals hierna zal blijken, had de organisatieadviseur geen beter beeld van de Riagg Zuidoost kunnen schetsen.

Verder merkte hij op:

"De dominante cultuur in de Riagg Zuidoost is er een van volstrekte individualisering, verregaande onaanspreekbaarheid op gedrag en kwaliteit, verbittering naar elkaar en naar het management, en ongeloof in enige mogelijkheid tot verbetering. Deze sfeer van ontevredenheid, cynisme en zelfbeklag blijkt al jaren te kunnen voortduren. Veel hulpverleners trekken zich op hun individuele vakuitoefening terug en zijn niet meer gemotiveerd voor kwaliteitsbewaking of innovatie." "Het klimaat is onveilig, verbitterd en apathisch". 

Over de volwassenzorg schreef de organisatieadviseur onder meer:

"De collectieve verantwoordelijkheid voor het hulpverleningsbeleid is gering." "Men kankert veel op allerlei zaken rondom de hulpverlening en de organisatie, en maakt daarover afspraken, maar vindt het gewoon dat niemand zich daar vervolgens aan houdt."

Over de directie:

De directeur wordt ervaren "als weinig inspirerend, als ver van de inhoud (hulpverlening en preventie) afstaand, als manipulerend in allerlei bilateraal 'geritsel'."

De adviseur was wel te spreken over mijn afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek:

"De cohesie is er groot, evenals het elan met betrekking tot het eigen werk. Het overleg is zakelijk van aard. Het afdelingshoofd geniet veel vertrouwen." "Een kleine oase temidden van de verder chaotische en hopeloze jungle.Ē

Herkenning. De Riagg-medewerkers herkenden zich in de beschrijving van de organisatieadviseur. Men was opgelucht dat de misstanden eens helder op papier waren gezet, ook al ging het volgens hen om een bevestiging van een eerder rapport.

Verbeteringsprogramma.
De adviseur beval een "intensief verbeteringsprogramma in de hele instelling" aan. Een simpele vervanging van de directeur achtte hij niet zinvol want "de problematiek zit veel dieper verweven in de instellingscultuur". Desondanks besloot het bestuur om de arbeidsovereenkomst met de directeur per 1 april 1992 te ontbinden en een nieuwe directeur aan te stellen. Deze ontwikkelingen gaven mij hoop op veranderingen ten goede. 

Ook misstanden in andere Riagg's. De organisatieadviseur werd destijds in meerdere Riagg's binnengehaald. Want ook in andere Riagg's woedden ernstige organisatieproblemen. 

Hoe gezond is de ggz voor de geest? Ik vroeg mij af hoe een hulpverlener in zoín geestelijk ongezonde werksfeer zorg dragen voor de geestelijke gezondheid van anderen? Hoe een hulpverlener de cliŽnt kan helpen diens problemen op te lossen als hij of zij de problemen met zijn/haar collegaís niet eens aankan?

 

Hulpverlener met Onbewuste

GeÔnspireerd op de ets van Goya El SueŮo de la razůn produce monstruos (De slaap van de rede brengt monsters voort) uit diens serie Los Caprichos. Op die ets beeldt Goya zich af als iemand die droomt, omringd door vleermuizen, symbolen van duisternis en onwetendheid, en uilen, symbolen van wijsheid.

 

De zondebokken van de Riagg's

Veel Riagg-medewerkers waren niet opgewassen tegen het bovenbeschreven werkklimaat: uit het onderzoeksrapport van het Trimbos-instituut Aan het werk uit 1993 bleek dat juist in de geestelijke gezondheidszorg veel werknemers wegens psychische problemen langdurig ziek of afgekeurd zijn. Zieke en voormalige werknemers hebben vaak kritiek op de organisatie. De onderzoekers van het Trimbos-instituut merkten op dat afwezige werknemers door hun collega's meestal werden gezien als de oorzaak van de slechte werfsfeer. Met andere woorden: ze werden gebrandmerkt als zondebok.

 

 

Het betere werk

Als het met de arbeidssatisfactie van veel Riagg-medewerkers niet bijster goed was gesteld, is niet verwonderlijk dat zij geen adequate hulp verleenden bij arbeidsproblematiek. In 1994 zou uit het onderzoeksrapport van het Trimbos-instituut Riagg en werk blijken dat bij 81% van de werkende Riagg-cliŽnten sprake was van arbeidsgebonden problemen maar dat de hulpverleners niet in staat waren praktijkgerichte hulp te bieden. 

Uit recent onderzoek blijkt dat arbeidshulpverlening nog steeds een thema is waaraan de ggz aandacht zou dienen te besteden.

In januari 2020 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht. Daarin stelt de Raad: "Mensen werken om geld te verdienen, maar werk geeft ons ook zelfrespect, een identiteit en het gevoel deel uit te maken van de samenleving". Volgens de WWR is er in Nederland te weinig aandacht voor de kwaliteit van werk. Zo ervaart de helft van de werkenden in ons land een gebrek aan autonomie. Dit houdt onder meer verband met het toenemende aantal
mensen met burn-out klachten. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schat dat ongunstige arbeidsomstandigheden in ons land ongeveer 5 procent van de totale ziektelast veroorzaken.

Engbersen, G. e.a. (2020). Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht. Den Haag: Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

 

Emotioneel uitgeputte psychiaters anno 2020

Een enquÍte in 2020 onder meer dan 800 psychiaters (in opleiding) in de Nederlandse en Vlaamse ggz  leert dat 30 procent zich emotioneel uitgeput voelt. Dit wijten de psychiater aan de bureaucratie, de administratieve druk, de lange wachtlijsten en het gebrek aan autonomie.

www.dejongepsychiater.nl/images/Vaste_links/Psychiater_Thermometer_verslag_final-1.pdf

 

Bureaucratische bolwerken

In 1987 had de organisatieadviseur, die in diverse Riagg's werkzaam was (geweest), in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid een artikel over de 59 Nederlandse Riagg's geschreven met de titel Riagg's onder druk. Toen ik met de adviseur kennismaakte, las ik het artikel geboeid. Ik herkende wat hij schreef. Hij constateerde dat de Riaggís waren ontstaan uit fusies van aparte instellingen die binnenshuis waren uitgegroeid tot koninkrijkjes. Samenwerking binnen de Riaggís was schijn en bestond alleen op papier. Overleg over randvoorwaarden zoals werkverdeling, huishoudelijke kwesties en de 'huisstijlí waarmee de instelling zich naar buiten presenteerde, vormde de enige binding tussen de koninkrijkjes. De Riagg-directie had slechts een voorwaardenscheppende taak: ze hield zich voornamelijk bezig met zaken als financiŽn, personeelsbeleid en huisvesting, waardoor de inhoud van het werk weinig of niet aan de orde kwam. De Riagg's waren bureaucratische bolwerken waarin te weinig vanuit de cliŽnt werd gedacht en teveel vanuit de belangen van de hulpverlener.


Analyse: Profijt gaat boven moraal*

Ik verdiepte mij nu verder in het bureaucratische organisatiemodel, als volgt.

Geen kwaliteit maar kwantiteit
De Riagg-medewerkers waren verplicht om dagelijks per tijdseenheid te registreren wat zij die dag hadden gedaan, in sommige gevallen zelfs per tien minuten. Daarvoor waren speciale formulieren ontworpen die bij de boekhouder moesten worden ingeleverd. Het product van de Riagg werd dus niet uitgedrukt in kwalitatieve eenheden zoals toegenomen 'welzijn' of 'geestelijke gezondheid' van de cliŽnt (overigens moeilijk meetbare eenheden) maar in kwantitatieve eenheden, dat wil zeggen: in het aantal contacten tussen hulpverleners en cliŽnten. De doelmatigheid van de organisatie werd afgemeten aan de mate waarin een instelling in staat was de productienorm te halen zoals die met de zorgverzekeraars was afgesproken. Loyaliteit en wederzijdse verplichting vormden sleutelbegrippen in de organisatie omdat het anders niet mogelijk was de vereiste productienorm te halen.

"Lastige" cliŽnten kosten meer dan ze opleveren
In een bureaucratische organisatie kunnen 'mensen' een storende factor vormen. CliŽnten met complexe problemen of trauma's zoals vluchtelingen en cliŽnten met geweldservaringen zijn in de ogen van de hulpverleners "lastig". Deze cliŽnten kosten de organisatie meer dan dat zij opleveren. Immers, voor hulp aan deze cliŽnten dienen de hulpverleners hun werkwijze aan te passen. Zij dienen Ė tegen hun gewoonten in Ė samen te werken met personen en instanties in de buitenwereld en zich bovendien bij te scholen in behandelmethoden die beter zijn afgestemd op de hulpvraag van de cliŽnt. Dit gaat ten koste van de 'output': per 'contact' dienen de hulpverleners relatief veel tijd en energie in de hulpverlening te steken. 

De stem van het geweten volgen is immoreel
In deze context vragen veel werknemers zich niet meer af of ze iets goed of fout hebben gedaan maar of zij door hun meerderen als goed of fout worden beoordeeld. In de praktijk betekent dit dat 'correct' gedrag veelal samenvalt met conformisme en gehoorzaamheid aan de regels en richtlijnen van de bureaucratische organisatie. Aldus worden de medewerkers ontmoedigd de stem van hun geweten te volgen en uit een innerlijke overtuiging te handelen. Ongehoorzaamheid is in de bureaucratische organisatie 'immoreel'Want profijt gaat boven moraal. (Zie ook hieronder: "Substituutgeweten")

*Passage uit Is dit geestelijke gezond. Saar Roelofs, Partner Productions (1998). Ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek.

 

Anno 2020 nog steeds geen plek voor grote problemen 

Al sinds mijn Riagg-tijd, rond 1992, speelde de kwestie van de te lange wachtlijsten. Sindsdien zijn de wachtlijsten langer en langer geworden.
Bijna 30 jaar later, in 2020, schreef de Algemene Rekenkamer in het rapport Geen plek voor grote problemen, Aanpak van wachttijden in de specialistische ggz dat er nog steeds onvoldoende remedie bestaat voor het belangrijkste knelpunt, te weten verkeerde financiŽle prikkels die zorgaanbieders stimuleren om cliŽnten met een relatief lichte hulpvraag eerder te helpen dan cliŽnten met een zwaardere hulpvraag. De tot dan toe genomen maatregelen om dit probleem te verhelpen, waren onvoldoende, aldus de Rekenkamer. Anno 2020 gaan 'gemakkelijke' cliŽnten dus nog steeds voor.

www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2020/06/25/geen-plek-voor-grote-problemen

 

Terug naar mijn persoonlijke ervaringen in de Riagg Zuidoost.

 

Gebrek aan relativeringsvermogen

Op 1 april 1992 vierden de andere 58 Riagg's hun tienjarig jubileum. Tot de feestelijkheden in de Utrechtse Jaarbeurshallen behoorde een optreden van het Werkteater (een theatergezelschap dat van 1970 tot 1987 bestond) met een aantal sketches over de hulpverlening. Ik vond ze raak en geestig, en lachte dan ook hartelijk. In de bomvolle zaal kon de voorstelling nog twee of drie andere personen een lach ontlokken maar verder bleef het doodstil. Dit gebrek aan humor en relativeringsvermogen heb ik ook in de Riagg Zuidoost vaak gesignaleerd. De auteurs van het hierboven genoemde rapport Aan het werk noemden dit gebrek zelfs als een van de ziekmakende factoren in de ggz.

 

Lachen als medicijn

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat humor de zorg ten goede kan komen.

De universitair docent gezondheidspsychologie aan de universiteit van Utrecht, Sibe Doosje, schreef een proefschrift over humor en gezondheid. Hij concludeert: wie lacht, voelt minder pijn. Ook versoepelt lachen de wand van de slagaders tijdelijk waardoor het bloed beter doorstroomt, en ontspant lachen de spieren. Op zijn website De humoracademie* somt Doosje een aantal wetenschappelijke studies op naar het gebruik van humor in de zorg. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat humor mensen met een klinische depressie helpt meer inzicht in hun problemen te krijgen.

Een dosis humor aan het ziekbed of in de spreekkamer kan bovendien de tevredenheid van patiŽnten vergroten en dat heeft een positief effect op hun therapietrouw. Een patiŽnt is kennelijk geneigd om de adviezen van een joviale arts eerder ter harte te nemen.** 

Verpleegkundigen Marcellino Bogers en Fransiska Kleijer schreven een boek over humor als medicijn. Zij stellen: humor vermindert de stress, verbetert de communicatie en maakt ingewikkelde onderwerpen zoals seks en de dood opeens bespreekbaar. Bogers geeft het volgende voorbeeld:

Zijn hele leven had hij alles voor het bedrijf gegeven, nu was hij terminaal ziek en had de zaak alleen een lullige ansichtkaart gestuurd: de patiŽnt die Bogers jaren geleden op zijn afdeling trof, leed zichtbaar onder dat gebrek aan waardering, maar erover praten kon hij niet. En toen werd er op een ochtend toch een bloemstuk bezorgd, een lelijke bak chrysanten. Bogers liep ermee naar het bed en zei: ĎNou je kunt zeggen wat je wilt, maar met deze graftak zijn ze wel op tijd.í De man begon te lachen, daarna te huilen en toen te praten.

Volgens de schrijvers is humor voor hulpverleners zelf een goede remedie tegen burn-out.

*Website van Sibe Doosje en Martha de Jong: Humoracademie. Maakt serieus werk van humor.
** Berger, J.T. e.a. Humor in the physician-patient encounter. Archives of Internal Medicine 2004, 26
*** Bogers, M. & F. Kleijer (2018). Humor als verpleegkundige interventie 2.0. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.. / Visser, E. (2019, 6 juli). Zieke grappen. De Volkskrant.

 

Grimmig en anarchistisch

Zoals gezegd, naar aanleiding van het organisatieadviesrapport over de Riagg Zuidoost De toekomst kijkt achterom besloot het bestuur de arbeidsovereenkomst met de directeur te ontbinden. Deze vertrok pas tien maanden later. Hangende zijn ontslag ontstond in de Riagg een machtsvacuŁm. Er was verwarring over de status van het managementoverleg. Toen de directiesecretaresse ontslag nam, besloot de demissionaire directeur zelf te notuleren. Het afdelingshoofd Psychotherapie was achterdochtig en maakte "schaduwnotulen". Het afdelingshoofd Jeugdzorg zei zijn vertrouwen in de directeur op en zag af van deelname aan het centrale management. Het afdelingshoofd Sociale Psychiatrie meldde zich ziek.
Tussen de muren van de veelal inpandige ruimtes broeiden de emoties. Gefluister en gekonkel in de gangen en de kantine. Kliekjes werden gevormd en vielen weer uit elkaar. Overal ontstonden ontstekingshaarden. Die laaiden regelmatig hoog op. Op de meest onverwachte plekken ontstonden uitbarstingen.
De sfeer was, kortom, grimmig en anarchistisch. Hieronder volgt een voorbeeld.


Rel

Ten behoeve van een groepstraining voor vrouwen had ik de groepsruimte op de woensdagochtend vanaf negen uur gereserveerd. Een psychiater die de gewoonte had daar iedere ochtend om negen uur met een paar anderen een half uur te overleggen, sprong uit zijn vel. Als de maatregel niet ongedaan werd gemaakt, zou hij serieus overwegen uit de Riagg op te stappen. In een gesprek met hem probeerde ik uit te leggen dat alle procedures voor reservering van de ruimte waren gevolgd en dat de groepstraining in geen enkele andere ruimte kon plaatsvinden. Ook dat de training niet later kon beginnen vanwege de kinderopvang van deelnemende moeders. Daarop werd hij witheet. In een gang waar hulpverleners en cliŽnten af en aanliepen, schreeuwde hij luidkeels tegen mij dat groepstrainingen hem "geen ruk en geen fuck" konden schelen en dat wat ik vond hem "worst zou wezen". Daarna beende hij driftig weg. Het werd een rel waaraan in diverse geledingen van de Riagg meerdere vergaderingen werden gewijd. Uiteindelijk kon ik de groepsruimte gebruiken waarvoor hij was bedoeld: voor groepsbijeenkomsten.

 

Psychoterreur

Ik vroeg me af hoe zo'n heetgebakerde psychiater zijn cliŽnten zou behandelen. Later hoorde ik hem toevallig in de kantine tegenover collega's eens opscheppen over hoe hij een cliŽnt had behandeld. Tijdens een van de hulpverleningssessies vermoedde hij dat zijn cliŽnt - tegen de afspraak in - heroÔne had gebruikt. Dit wilde hij via de urine controleren. De vrouw weigerde deze controle. De psychiater zette haar extreem onder druk door te zeggen: "O, ik heb de tijd! Dan wachten we rustig een uurtje of drie..." Hier is in het geheel geen sprake meer van hulpverlening. Dit is psychoterreur. 


Psychoterreur


Verzoek om notities over de Riagg-cultuur

In deze explosieve periode gaf de organisatieadviseur in het kader van zijn verbeteringsprogramma individuele begeleiding aan de directeur en de afdelingshoofden. Hij verzocht de afdelingshoofden hun visie op de Riagg-cultuur op schrift te stellen. Ik werkte toen inmiddels een half jaar in de Riagg Zuidoost. Hieronder mijn notities:

Zwemmen in stroop. De Riagg-medewerkers zijn meer met elkaar bezig dan met hun taak om mensen in psychische nood adequate hulp te verlenen. Om die reden wordt er veelvuldig gepraat, vergaderd en overlegd over procedures, regels, grenzen en onderlinge machtsbetrekkingen. Hierover ontstaat vaak een Babylonische spraakverwarring. Over meningsverschillen kan niet worden gesproken zonder te verzanden in procedures en regels. Interpretatieverschillen en onenigheid hierover vormen aanleiding tot nůg strakkere regels, voorschriften, procedures en vele lijvige beleidsnota's. Zoals gezegd, gaat dit ten koste van de inhoud van het werk. Ik moet zwemmen in stroop.

Riagg-taal. Het jargon waarvan men zich in de Riagg bedient is ondoorzichtig, dor, onpersoonlijk en bomvol afkortingen; is ver verwijderd van concrete onderwerpen die er in de hulpverlening toe doen en niet in de werkelijkheid verankerd. Bijzaken worden verward met hoofdzaken. Teksten hebben vaak kop noch staart. Een heldere analyse, een duidelijke visie en ondubbelzinnige conclusies zal men in de Riaggís zelden op papier aantreffen. De Riagg-taal camoufleert het gebrek aan communicatie en visie en maskeert het onvermogen om zich met de inhoud van de hulp bezig te houden.

Papiermolen. In de Riagg leggen de medewerkers alles op papier vast. Dagelijks worden er stapels formulieren ingevuld, beleidsnotaís, concepten, pro memories en prioriteitenlijsten opgesteld, verslagen en aantekeningen gemaakt, en agendaís samengesteld. Van iedere vergadering, al is die nog zo onbeduidend, worden notulen gemaakt. Wat niet opgeschreven is, bestaat niet. Iedere medewerker krijgt niet alleen alle verslagen, beleidsnotaís, notulen, concepten enzovoort van zijn eigen afdeling in zijn postvak, maar ook de paperassen van alle andere afdelingen. Dit alles in Riagg-taal en doorspekt met afkortingen. Hierdoor devalueert het geschreven woord. Men gaat onzorgvuldig lezen. Of leest helemaal niet meer.

Creatief boekhouden. Iedere Riagg-werknemer is verplicht om dagelijks per tijdseenheid te registreren wat hij of zij die dag had gedaan - in sommige gevallen zelfs per iedere tien minuten [zie ook hierboven]. De medewerker moet bijvoorbeeld aangeven hoe lang een contact met een cliŽnt duurde, wat de aard van dat contact was, dat wil zeggen: ging het om een 'intake', om een 'begeleidend gesprek', om een 'preventieve ingreep', om een 'behandeling', enzovoort. Van de overige activiteiten dient hij of zij na te gaan of die vallen in categorieŽn als 'signaleren en doorgevení, 'beleidsontwikkeling', 'verslaglegging', 'overleg', 'voorlichting', 'consultatie', 'netwerkontwikkeling' en ga maar door. Beslist geen elkaar uitsluitende categorieŽn. Tussen het werk door steeds aantekeningen van de tijdsbesteding maken, is voor de werknemer lastig. Om aan het eind van de dag nog te registreren hoeveel tijd hij of zij aan wat had besteed, is ook ondoenlijk. De werknemer is moe en wil naar huis. Hij/zij is al bekaf van het voortdurende getouwtrek in de organisatie. Zoín registratiesysteem wekt alleen maar extra irritatie op. Het is dan ook geen wonder dat lang niet alle Riagg-medewerkers hier een gewetenskwestie van maken. Of dat sommigen er gewoon de hand mee lichtten. Iemand die een half uurtje lekker met een collega heeft zitten kletsen, noteert drie maal tien minuten 'signaleren en doorgevení. ''Creatief boekhouden' noemen de Riagg-medewerkers dat. 

Verzonnen productiecijfers. Soms voeren  medewerkers uit een afdeling systematisch uren op voor werkzaamheden, die in die afdeling in werkelijkheid niet of nauwelijks worden verricht. Dit om die werkzaamheden en de daarbij behorende geldpot van een andere afdeling af te troggelen. Meestal is de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek daarvan de dupe. Als hierover meningsverschillen ontstaan, komen verzonnen productiecijfers op tafel, de 'berekeningen', de 'statistieken' en de 'tabellen'.
Voor de financiers zijn de productiecijfers van de Riaggís indrukwekkend. Het aantal gedraaide uren zegt echter niets over (de inhoud van) het werk. Maar misschien wel iets over de creativiteit van de Riagg-medewerkers.

Waar blijft de eigen identiteit? Een eigen visie op de hulpverlening wordt niet aangemoedigd. Integendeel. De werknemer kan over bijna geen enkel onderwerp zelfstandig een beslissing nemen. Iedere activiteit dient in uiteenlopende teams, commissies en overlegorganen met anderen besproken te worden. Wie zich onderscheidt, wordt door zijn of haar collegaís onder druk gezet om zich naar de meerderheid te voegen. Nieuwe, frisse ideeŽn worden in rituele vergaderingen net zolang vermalen totdat ze zijn 'wegvergaderd'. Vrijwel niemand staat nog op om een persoonlijk geluid te laten horen. 

 

Verzoek om cartoons

Omdat ik ook beeldend kunstenaar ben en - in de woorden van de organisatieadviseur - "over distantie en humor beschikte en niet door het Riagg-virus was besmet", verzocht de adviseur mij als "cultuurinterventie" cartoons over het reilen en zeilen in de Riagg te maken en die te exposeren in de hoop dat ze een verandering van de Riagg-cultuur in gang konden zetten. Ik nam de uitdaging met plezier aan. Ik baseerde de prenten op eigen observaties in de Riagg Zuidoost en de vier overige Amsterdamse Riaggís (waar ik regelmatig met collegaís overleg pleegde) alsmede op de kritische vakliteratuur over de Riaggís in het algemeen. Ook liet ik me inspireren door Los Caprichos, een reeks van 80 etsen door de Spaanse kunstenaar Goya (1746-1828) waarin hij de misstanden van zijn tijd aan de kaak stelt, waaronder arrogantie, hypocrisie, vooroordelen en machtsmisbruik. Er ontstonden 40 cartoons. Sommige cartoons voorzag ik van korte onderschriften. 

"Daar komt heibel van". Van de organisatieadviseur mocht ik echter alleen de cartoons over de Riagg-organisatie exposeren. De prenten over het contact tussen hulpverlener en cliŽnt moesten het ontgelden. "Want daar komt heibel van", aldus de adviseur. Ik was het met deze selectie niet eens: de wijze waarop de hulpverlening wordt georganiseerd mag wel aan de kaak worden gesteld, maar de hulp zelf Ė de bestaansreden van de organisatie Ė niet. Alsof organisatie en hulpverlening losgekoppeld konden worden. Alsof "een sfeer van onveiligheid, verbittering, cynisme en apathie" Ė woorden uit het organisatieadviesrapport Ė geen invloed hadden op de kwaliteit van de hulpverlening. Ik zag af van een expositie die slechts een beperkt beeld van de Riagg-praktijk gaf. Ik bundelde kopieŽn van de prenten in een ringband met de titel Toren van Babbel: de Riagg in beeld. De bundel werd gewaardeerd door zowel de medewerkers in mijn afdeling als door mijn collega-afdelingshoofden Preventie, Innovatie & Onderzoek in de vier overige Amsterdamse Riaggís.

Vier jaar later en vele ervaringen rijker zou ik een nieuwe serie cartoons in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam exposeren, met een verrassend resultaat.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

2. DE HULPVERLENING: IS DIT GEESTELIJK GEZOND


A. Ondermaatse hulp

Schokkende dossiers
De hulpverlening in de Riagg's was veelal ondermaats. In de jaren 1992-1996 verscheen een aantal wetenschappelijke studies over de Riagg's die de meeste van mijn observaties in de Riagg Zuidoost bevestigde (zie bronnen). 

Ik kreeg een diepgaand inzicht de hulpverlening door een dossieronderzoek dat ik begin 1993 naar aanleiding van de Bijlmervliegramp op verzoek verrichtte. Ik bestudeerde toen de dossiers van alle volwassenen die zich voor de ramp hadden aangemeld en vergeleek ze met de dossiers van mensen die in de voorgaande jaren voor andere problemen naar Riagg waren gekomen. Aldus nam ook kennis van de reguliere hulpverlening voorafgaande aan de Bijlmerramp. De dossiers waren choquerend. De houding van de hulpverleners jegens de cliŽnten, zoals die uit de dossiers sprak, was doorgaans kil en superieur, en getuigden niet zelden van therapeutisch onvermogen dat op de cliŽnten werd afgewenteld. Enige vorm van empathie was meestal ver te zoeken. 
Als lid van het vrouwenteam heb ik gezien hoe het er in de praktijk aan toe ging.  

Zeldzame uitzonderingen daargelaten, constateerde ik het volgende:

Oppervlakkige diagnostiek
Met de diagnostiek namen de hulpverleners het niet zo nauw. Tijdens het dossieronderzoek concludeerde ik dat cliŽnten na het aanmeldingsgesprek, wanneer ze nog maar nauwelijks hun verhaal hadden kunnen doen, al in een psychiatrische categorie werden ingedeeld. De diagnose was vaak wat ik later in mijn boek Niet storen (1997) een riagnose noemde, een term voor een pseudo-diagnose in de Riagg

De "klinische blik" 
Tijdens het dossieronderzoek zag ik wat een centrale rol het afdelingshoofd Psychotherapie in de Riagg speelde. Als zogeheten spreekuurhouder voerde hij met alle nieuwe cliŽnten de aanmeldingsgesprekken. Die duurden kort. Daarna stelde hij meteen een eerste diagnose, doorgaans een riagnose. Vervolgens werd de cliŽnt doorverwezen naar een behandelingsteam waar een andere hulpverlener een intake deed om meer zicht op de problematiek van de cliŽnt te krijgen. En de behandelaar was vaak weer iemand anders dan de intaker. Zonder de cliŽnt te hebben gezien, waren de intaker en behandelaar via het cliŽntendossier dus al op de hoogte van de riagnose door de spreekuurhouder. In de dossiers zag ik dat de intaker juist die dingen opvielen die in overeenstemming waren met de riagnose van de spreekuurhouder. Evenzo verging het de behandelaar. Een riagnose werd dus steeds opnieuw bevestigd. De cliŽnt kwam er niet meer van af. 

Het psychiatrisch handboek DSM
Vanaf 1991 besloot de Riagg Zuidoost om - zoals overal in de ggz - diagnoses te stellen met behulp van het Amerikaans psychiatrische handboek Diagnostic and Statistic Manual for Mental Disorders (Diagnostisch en Statistisch Handboek voor Geestesstoornissen), afgekort als DSM. Het betrof destijds de derde editie (DSM-III). Ik verdiepte mij in de kritische vakliteratuur (zie bronnen). Tegen het gebruik van de DSM in de diagnostiek bestonden in 1991 grote bezwaren. De DSM is namelijk niet geschikt als diagnostisch instrument. Een 'diagnose' volgens de DSM is slechts een classificatie, een grove indeling in rubrieken aan de hand van een beschrijving van klachten en symptomen en zegt niets over de oorzaken daarvan. Een belangrijk bezwaar dat eveneens in de vakliteratuur werd genoemd, was de schrale psychiatrische terminologie voor trauma's als mishandeling, seksueel misbruik en onderdrukking. Mensen met trauma's kregen (en krijgen nog steeds) niet zelden de DSM-diagnose Persoonlijkheidsstoornis, dat is een duurzaam gedragspatroon dat de 'persoonlijkheidí of het 'karakterí van de cliŽnt vertegenwoordigt (zie ook hieronder: Misstanden in het vrouwenteam).
Daarbij kwam dat de hulpverleners zeer slordig met de richtlijnen van de de DSM omsprongen. Zij stelden zelden of nooit een diagnose volgens de  gebruiksvoorschriften van het handboek. Soms gebruikten ze ook
psychiatrische etiketten die al jarenlang uit de DSM en andere psychiatrische handboeken waren geschrapt, zoals hysterie, masochisme en homoseksualiteit. 

 

Een mondige cliŽnt (l)

 

Waanzin

De behoefte aan een psychiatrische classificatie volgens de DSM wordt pijnlijk duidelijk in een biografie van een Amerikaanse psychiater over de fameuze danser van de Ballets Russes, Vaslav Nijinsky, getiteld: Vaslav Nijinsky, A leap into madness. Psychiater Peter Ostwald vertelt een fascinerend verhaal over een man die als kind geslagen, emotioneel verwaarloosd en gepest is, die als jongeman met zijn dans mensen over de hele wereld in verrukking bracht en die de laatste dertig jaar van zijn leven voornamelijk in psychiatrische inrichtingen doorbracht. De talrijke psychiatrische etiketten die de behandelaars op Nijinsky van toepassing achtten, maken niets duidelijk aldus de auteur. We dienen ons te verdiepen in Nijinskyís levensgeschiedenis. Maar, helaas, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: aan het einde van zijn lijvige boek stelt de auteur de definitieve diagnose: 'Schizo-affectieve stoornis in een narcistische persoonlijkheidí.

In 1919 richt Nijinsky de volgende hartenkreet tot ťťn van zijn psychiaters: "I wanted you to feel what I was feeling, but you failed, as you thought that I was mad.Ē

De huidige versie van de DSM en de Diagnose Behandeling Combinatie

De DSM wordt steeds verder uitgebreid en aangepast. Anno 2021 is de vijfde versie van het handboek, de DSM-5, in gebruik. Hierin is de rubriek Persoonlijkheidsstoornissen ten opzichte van de DSM III zo goed als onveranderd.
Sinds 2008 dient aan een DSM-classificatie een standaardbehandeling te worden gekoppeld, willen zorgverzekeraars de behandeling vergoeden. Zoín combinatie van een DSM-classificatie en een behandeling noemt men een Diagnose Behandeling Combinatie (DBC). Voor iedere DBC biedt de verzekeraar een standaardvergoeding, een all-inprijs van diagnostiek tot en met nazorg. Aan zoín DBC zijn speciale regels verbonden.
In mijn boek Wie is er nu gek? Over kronkels inde therapeutische relatie (2008) zet ik uiteen welke bezwaren ik tegen de Diagnose Behandel Combinatie heb.

 

Ziek van de diagnose

Uit een wetenschappelijke studie bij zorginstelling GGNet, die binnenkort gepubliceerd wordt in het blad European Psychiatry, bleek dat de helft van de cliŽnten met ernstige psychiatrische aandoeningen een verkeerde diagnose had. Waarom knappen onze chronisch patiŽnten maar niet op van de behandeling, vroegen de hulpverleners zich af. Ze keken nog eens naar de diagnoses van bijna duizend cliŽnten. Bij 27% bleek de DSM-diagnose niet (meer) te kloppen, bijvoorbeeld omdat een depressie niet het belangrijkste probleem was, maar een trauma. Bij ruim de helft van de onderzochte cliŽnten ontstonden nieuwe inzichten met consequenties voor de behandeling. Bij tweederde van de cliŽnten werd de behandeling aangepast en de medicatie fors afgebouwd. Menigeen slikte meer dan twintig pillen per dag, een enkeling meer dan dertig. Vier van de tien cliŽnten zijn daarna dusdanig hersteld dat ze uit de kliniek zijn ontslagen. 

Visser, M. (2018, 14 augustus). Bij ggz-patiŽnten klopt de diagnose vaak niet (meer). Dagblad Trouw.

Timmermans, M. (2020, 29 mei). Een psychiatrische instelling onderzocht patiŽnten opnieuw, en de helft van de diagnoses bleek niet te kloppen. Dagblad Trouw.

 

Weerstand tegen de behandeling van concrete problemen  
Evenals in andere Riagg's stond in de volwassenzorg van de Riagg Zuidoost niet de hulpvraag van de cliŽnt centraal maar de voorkeur van hulpverleners voor de behandeling van relatief jonge, goed opgeleide, witte cliŽnten met vage klachten. Zoals eerder vermeld, bestond er weerstand tegen de hulp aan zowel cliŽnten met een migratieachtergrond (in de Riagg Zuidoost ruim 50% van de cliŽntŤle) als cliŽnten met trauma's en sociaal-maatschappelijke problemen. In die gevallen meenden de hulpverleners meestal dat er onvoldoende aanknopingspunten voor een behandeling waren. (Zie ook het wetenschappelijke rapport van het Trimbos-instituut Vraag en aanbod in de Riagg.)

"Puzzelen"
Hulpverleners uit de beide afdelingen voor de volwassenzorg hadden een voorkeur voor wat ik later in mijn boek Niet storen (1997) "puzzelen" zou noemen. "Puzzelen" is een werkwijze die tegemoetkomt aan de voorkeur van de hulpverlener om zich met een quasi Freudiaanse dieptepsychologie te onderscheiden. In het verlengde van deze voorkeur was er in de behandeling zelden of nooit sprake van concrete, klachtgerichte oefenprogrammaís of trainingen. Want daarvoor is een systematische, protocollaire aanpak nodig waarbij de hulpverlener de cliŽnt stapje voor stapje begeleidt om zijn of haar psychische problematiek om te buigen naar gezonder gedrag. Dat prikkelde de nieuwsgierigheid van de hulpverleners onvoldoende. Op zo'n pragmatische aanpak keken ze neer. Aldus maakten de hulpverleners van de therapie een puur intellectuele aangelegenheid, op zoek naar een vermeend verdrongen trauma in de kindertijd van de cliŽnt dat diens huidige problematiek zou kunnen verhelderen en tevens de nieuwsgierigheid van de hulpverlener naar het persoonlijk leven van de cliŽnt kon bevredigen. Daarbij was de hulpverlener geneigd de directe hulpvraag van de cliŽnt, die in de regel betrekking op actuele psychische en/of sociale problemen, te negeren. Zoals gezegd, ging de behoefte om zich met wat doorging voor "dieptepsychologie" te onderscheiden gepaard met een regelrechte minachting voor het werk van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek.
Als puntje bij paaltje kwam, had de dieptepsychologische benadering van hulpverleners uit alle afdelingen echter niet veel om het lijf: die benadering bleef meestal steken in een vrijblijvend gepeuter in het verleden van de cliŽnt.
Lees verder over "puzzelen".

 

Sigmund Freud

 

Sigaar

De behoefte van hulpverleners aan "puzzelen" deed me denken aan mijn ervaringen tijdens mijn studie klinische psychologie. De docenten namen als vanzelfsprekend aan dat ik psychotherapeut wilde worden. Ik wilde echter geen beroepsbehandelaar zijn. Ik ben beschouwelijk van aard en was - naast therapie - geÔnteresseerd in theorie en wetenschappelijk onderzoek. Ik wilde weten of en waarom een bepaalde therapie effectief is. Mijn medestudenten waren echter bijna zonder uitzondering uit op een exclusieve loopbaan als behandelaar. Sommigen jongens werkten zelfs al aan een imago van succesvolle psychotherapeut: ze verruilden hun trui en spijkerbroek voor een pak met vest en stapten van zelf gerolde sigaretten over op sigaartjes. Aldus identificeerden ze al jong zich met een sigaarrokende Freud.

 

CliŽnt (l) en hulpverlener met masker van Freud (r)

GeÔnspireerd op de ets La filaciůn (De afstamming) van Goya uit diens etsenreeks Los Caprichos. Die ets verbeeldt de maskerade in de maatschappij. IJdele mensen doen alsof zij van belangrijke personen afstammen. Men moet echter goed kijken om ook maar een verre verwantschap te ontdekken.

 

Minder hoge verwachtingen van therapie

Hulpverleners in de curatieve afdelingen waren er in principe op uit om hun cliŽnten van hun psychische problematiek te genezen, het liefst via een quasi dieptepsychologische benadering. Zoals gezegd, vielen cliŽnten met concrete, in de buitenwereld opgelopen trauma's en sociaal-maatschappelijke problemen hierdoor buiten de boot. Op de aanpak van de hulpverleners viel echter wel meer af te dingen dan hun behandelvoorkeur alleen. Zo zei een Riagg-directeur in 1996 in een interview: "Mensen grondig reviseren is een verkeerd idee van wat therapie vermag. Vaak lukt het niet om mensen definitief van hun problemen af te helpen."

Recent geeft ook arts en systeemtherapeut Flip Jan van Oenen in zijn boek Het misverstand psychotherapie** een tegenwicht tegen al te hoge verwachtingen van de hulpverlener. Hij betoogt dat het een groot misverstand is om therapie te zien als een universeel redmiddel waarmee je ingrijpende veranderingen teweeg kunt brengen; dat de hulpverlener dient te beseffen dat zijn of haar invloed beperkt is. 

* Braams, R. (1996). De klant wil liever korte therapieŽn. Intermediair, juninummer, 26-28
.** Van Oenen, F.J. (2019), Het misverstand psychotherapie. Utrecht: Boom/De Tijdstroom

 

Geen aandacht voor lichaamsbeleving
Een psychologie zonder lichaam bestaat niet. Toch hadden de hulpverleners geen aandacht voor de psychosomatische klachten van hun cliŽnten dat wil zeggen voor lichamelijke klachten die samenhangen met psychische problemen zoals hartkloppingen, druk op de borst, maag- en darmstoornissen en hoofdpijn. Ook hadden ze geen oog voor overmatig alcoholgebruik of seksuele problemen. 

Lange wachtlijsten (1)
Zowel de verkeerde diagnoses die tot verkeerde behandelingen leidden als het vaak vruchteloos gepuzzel konden gemakkelijk worden gezien als de oorzaak van de lange wachtlijsten in de ggz.


Discriminerende hulpverlening 

Al in 1982 merkte Ad Beenackers, onderzoeker aan de universiteit van Amsterdam, in het Tijdschrift voor Psychiatrie* op dat cliŽnten in de ggz niet allemaal evenveel kans maken. De reden is dat hulpverleners een voorkeur hebben voor cliŽnten die aansluiten bij hun eigen therapeutische belangstelling waaronder "het veranderen van persoonlijkheid van de cliŽnt". Gezien de voldoening die deze benadering de hulpverleners geeft en de autonomie in de behandelkamer is te verwachten dat dit proces zich voorlopig wel voort zal zetten, aldus Beenackers. Daarin heeft hij gelijk gekregen. 

*Beenackers, A.A.J.M. (1982). Discriminerende hulpverlening. Tijdschrift voor psychiatrie 24, 36-48.

 

Taken van Riagg's overgenomen door landelijke centra

Aangezien Riagg-hulpverleners weinig aandacht schonken aan de schokkende ervaringen of trauma's van hun cliŽnten werden in de beginjaren van de Riagg's landelijke instellingen als het Instituut voor Psychotrauma, Pharos (destijds voor hulp aan vluchtelingen en migranten), Stichting Centrum '45 (voor hulp aan mensen met een oorlogstrauma) en het Sinai Centrum (voor hulp aan mensen met trauma's van iedere aard) opgericht. Die centra gingen de leemten die de Riagg's het gebied van traumabehandeling achterlieten, opvullen. Inmiddels zijn daar instellingen als ARQ Centrum 45 en Psytrec bijgekomen.    

 

Terugblik

Hoe kon een uitsluitend op het innerlijk van de cliŽnt gerichte hulpverlening in de Riagg's zo'n stevige voet aan de grond krijgen? Om dat te begrijpen, is het nodig om terug te gaan in de tijd.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, kort na de Duitse invasie, werden ten behoeve van de hulp aan oorlogsslachtoffers Instituten voor Medische Psychotherapie (IMP's), opgericht. In een publicatie uit 1990 in het Maandblad Geestelijk volksgezondheid met de titel Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip, betoogt de hoogleraar psychiatrie in het Academische Medisch Centrum (AMC) Berthold Gersons dat psychotherapeuten destijds echter weinig aandacht voor de oorlogstrauma's van hun cliŽnten hadden:

"In de beslotenheid van een instituut of praktijk waar de samenleving verder geen deel meer aan had en ook geen berichten meer over ontving, vond een psychotherapeutische interventie plaats, veelal ontkoppeld van een traumatisch oorlogsverleden."

Het trauma van de oorlog werd Ė in termen van Gersons Ė ingeruild voor een "vroegkinderlijke emotionele oorlog" met psychoanalytische theorieŽn als uitgangspunt. Toen de IMPís - onder de gewijzigde naam Instituut voor Multidisciplinaire Psychotherapie - vervolgens als afdelingen Psychotherapie in de Riaggís terechtkwamen, schonken ze dan ook weinig aandacht aan schokkende gebeurtenissen en trauma's.

Vanwege de status van het voormalige IMP identificeerden de hulpverleners van de afdeling Sociale Psychiatrie die tot taak had zich te richten op de sociaal-maatschappelijke problemen van de cliŽnt zich met de psychotherapeuten.

Gersons, B. (1990). Posttraumatische stress-stoornis: de geschiedenis van een recent begrip. Maandblad Geestelijk volksgezondheid, 45, 891-907.


Toedekken van trauma's
Hulpverleners spitten graag in het onbewuste van hun cliŽnt op zoek naar eventuele diep begraven traumaís. Maar de trauma's die de cliŽnt zelf aandroeg, werden meestal toegedekt (trauma's niet behandelen maar onder de oppervlakte houden). De hulpverleners meenden in de regel dat de psychische draagkracht van de cliŽnt om de traumatische gebeurtenis te verwerken te gering waren. Met een hulpverleningsmethode die 'steunen en structureren' werd genoemd, probeerden hulpverleners vervolgens helderheid te brengen in het actuele, dagelijkse functioneren van de cliŽnt. Vaak kwam dit neer op pappen en nathouden.

Lange wachtlijsten (2)
Vaak druiste de het 'toedekken' van trauma's in de Riagg anno 1992 regelrecht in tegen de hulpvraag van de cliŽnten, ook bij cliŽnten die duidelijk te kennen gaven dat ze hun traumatische herinneringen niet meer konden en wilden onderdrukken. Deze cliŽnten werden draaideurgevallen: zij deden soms lange tijd terugkerend maar tevergeefs een beroep op de ggz. Ik constateerde dat de klachten bij iedere nieuwe aanmelding in ernst waren toegenomen. Deze inefficiŽnte handelwijze was - samen met verkeerde diagnostiek en het vruchteloos gepuzzel - moeiteloos te zien als een van de oorzaken van de lange wachtlijsten. 

 

Zie de analyse hieronder voor de stand van zaken in de huidige ggz m.b.t. de behandeling van een PTSS.

 


De schaduw van het verleden

Hierboven zijn drie redenen genoemd waarom de behandeling van een PTSS in de gzz rond 1992 niet vanzelfsprekend was: 

 

1) Een voorkeur voor "gemakkelijke" cliŽnten vanwege de lagere kosten (zie Analyse: Profijt gaat boven moraal).

 

2) De vermeende geringe psychische draagkracht van de cliŽnt leidt vaak tot "toedekken" van het trauma.

 

3) Weerstand tegen hulp bij concrete problemen waaronder trauma's. Zie Innovatie van de hulpverlening, "Puzzelen", Vraag en aanbod in de Riagg en Terugblik.

 

Nu, bijna 30 jaar later, worden de eerste twee punten nog steeds  als reden aangevoerd om trauma's niet te behandelen.

 

Hieronder worden meer - met elkaar samenhangende - factoren genoemd ter verklaring van de heden nog steeds ontoereikende traumabehande-ling. Ook worden ook de gevolgen daarvan aangestipt. Dat doe ik onder meer aan de hand van relatief recent wetenschappelijk onderzoek. 
Tot slot belicht ik een zelden genoemde reden voor de onderbehandeling van trauma's


Gebrek aan deskundigheid

In 2011 presenteerde de Gezondheidsraad, een wetenschappelijk adviesorgaan voor de regering, het rapport Behandeling van de gevolgen van kindermishandeling.* In dat rapport concludeerde de raad dat in de kinderjaren mishandelde en seksueel misbruikte volwassenen in de ggz vaak traumabehandelingen van volstrekt onvoldoende omvang, kwaliteit en duur krijgen en van het kastje naar de muur worden gestuurd. Ze worden soms zelfs buiten de instellingen gehouden. De reden die de Gezondheidsraad noemt, is dat het de hulpverleners ontbreekt aan deskundigheid. Om de situatie te verbeteren drong de raad onder meer aan op de evaluatie van de dagelijkse behandelpraktijk, meer opleiding in diagnostiek en behandeling, en wetenschappelijk onderzoek. 

Dat dit broodnodig is, blijkt volgens de Gezondheidsraad ook uit grootschalige overzichtsstudies van onder meer het Trimbos-instituut: circa 50 tot 70% van de mensen in Nederland met ernstige psychische stoornissen heeft een geschiedenis van kindermishandeling en seksueel misbruik in de jeugd. Bij in de kinderjaren chronisch getraumatiseerde volwassenen is het risico op zelfdoding ruim tweemaal hoger dan bij mensen die geen jeugdtraumaís hebben. Ze zijn de hoogste gebruikers van de gezondheidszorg.** 

Lijm de zorg
In
2020 werd het manifest Lijm de zorg*** opgesteld, een initiatief van cliŽnten met complexe trauma's ter verbetering van de ggz. Volgens dat manifest dienen er onder meer normen met betrekking tot de kwaliteit van de zorg te worden afgedwongen. 

Opnieuw een roep om gespecialiseerde traumacentra
Zoals hierboven aan de orde kwam, werden in de beginjaren van de Riagg's gespecialiseerde landelijke centra opgericht die zich bezighielden met hulp aan getraumatiseerde cliŽnten, een taak die de regionale Riagg's lieten liggen. Inmiddels zijn daar instellingen bijgekomen zoals ARQ Centrumí45 en Psytrec. Mogelijk beantwoorden die instellingen onvoldoende aan de vraag want het Discussiestuk Zorglandschap ggz van 19 mei 2021 klinkt opnieuw een roep om landelijke instellingen voor hulp aan mensen met ernstige trauma's.**** 

*www.gezondheidsraad.nl

** - Verdurmen J, e.a. (2007).  Psychische gevolgen van kindermishandeling op volwassen leeftijd. Resultaten van de 'Netherlands mental Health Survey and Incidence Study' (NEMESIS).  Utrecht: Trimbos-instituut.
- Have, M. ten e.a. (2006). SuÔcidaliteit in de algemene bevolking: gedachten en pogingen. Resultaten van de ĎNetherlands Mental Health Survey and Incidence Studyí(NEMESIS). Utrecht: Trimbos-instituut.

***www.lijmdezorg.nl

****Discussienota Zorglandschap ggz.  Paul Blokhuis, demissionair staatssecretaris VWS, 19 mei 2021.

 

Hulpverleners houden niet van protocollair werken

In 2015 bleek uit een inventarisatie onder hulpverleners* dat een minderheid van cliŽnten met een PTSS een behandeling volgens de door het Trimbos-Instituut aanbevolen en effectief gebleken richtlijnen** ontvangt. Een van de redenen is dat hulpverleners niet van protocollair werken houden, d.w.z van een klachtgerichte, methodische aanpak volgens richtlijnen. Mogelijk heeft dat te maken met hun voorkeur voor "puzzelen".

2016: confrontatie met het trauma is voor de cliŽnt te belastend
In 2016, zo'n 25 jaar na mijn observaties in de Ragg Zuidoost, bleek uit een wetenschappelijk onderzoek* dat bijna de helft van de hulpverleners bij cliŽnten met een PTSS vond dat de confrontatie met het trauma voor cliŽnten te belastend is. Als contra-indicaties voor een traumabehandeling noemen hulpverleners meestal: een psychotische stoornis, een dissociatieve stoornis, verslaving en ernstige depressie met suÔcidaliteit. "En dit zijn nou juist klachten die typisch veel bij een PTSS voorkomen", aldus de onderzoekers. Tegenover de bezwaren van hulpverleners staat een toenemend aantal studies waarin wordt aangetoond dat twee beproefde traumabehandelingen - Imaginaire Exposure (IE) en Eye Movement Desensitsation Reprocessing (EMDR)** - ook bij complexe, chronische traumaís veilig en effectief toegepast kunnen worden. Vermijding van het trauma houdt het probleem juist in stand. "Wanneer traumatische herinneringen worden opgeroepen in een gecontroleerde, veilige omgeving met een heldere rationale en doel, help je je patiŽnt om te ervaren dat herinneringen weliswaar vervelend maar niet gevaarlijk zijn", aldus de onderzoekers.

* Thijssen, G. (06-06-2016). Bang voor het trauma? Behandeling van PTSS: ontvangen patiŽnten in Nederland behandeling conform de richtlijn? Gwen Thijssen in gesprek met Manou van den Berg. Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapieŽn. Www.vgct.nl.

Nieuwenhuis, E, Van der Vleugel, B & Van der Gaag, Mark (2015). Maar dat kunnen ze toch helemaal niet aan?!? Ė Over het recht op een protocollaire behandeling van PTSS bij psychose.  Tijdschrift Directieve Therapie, 35 (2), 94-104.

Van den Berg, D. e.a. (2018). Long-term outcomes of trauma-focused treatment in psychosis. British Journal of Psychiatry, 212(3), 180-182.

** Multidiciplinaire Richtlijnen Angststoornissen (3e revisie 2013), Hoofdstuk 9 Behandeling - Posttraumatische stressstoornis (PTSS) (versie 2009). Utrecht: Trimbos-Instituut.


De gevolgen van trauma's worden niet altijd herkend

In 2018 sprak Zorginstituut Nederland in haar rapport Screeningsfase, Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg* zijn zorg uit over patiŽntengerichtheid, effectiviteit en doelmatigheid van de zorg voor mensen met een PTSS, als volgt:

Aantallen. Ruim 80% van de Nederlanders maakt in het leven ten minste ťťn traumatische ervaring mee. Ruim zeven procent ontwikkelt op een bepaald moment een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). 
Ernst. Uit Europees bevolkingsonderzoek blijkt dat een PTSS tot de vijf psychische aandoeningen behoort die zowel het psychisch als het lichamelijk functioneren het meest ongunstig beÔnvloed.
Onbehandelde PTSS. Bij cliŽnten die zich met psychische problemen voor hulp melden, worden de gevolgen van traumatische ervaringen niet altijd herkend en behandeld.
Geen hulp volgens de richtlijnen. De behandeling gebeurt vaak niet volgens de richtlijnen. Ook de zorg van mensen met PTSS die daarnaast andere psychische stoornissen hebben, kan beter. Er zijn immers effectieve behandelingen voor een PTSS beschikbaar.

Het resultaat:

Slechte prognose. Een niet behandelde PTSS leidt tot een slechtere lange termijn prognose. M.a.w. relatief lichte problemen die niet (goed) worden behandeld kunnen veranderen in een zwaardere psychische problematiek.
Hoge kosten. Een niet ontdekte PTSS leidt tot tot hogere zorgkosten.

*Screeningsfase. Systematische analyse geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Zorginstituut Nederland, 3 juli 2018.

 

 


In 2019
constateerde ook psycholoog David van den Berg, als onderzoeker werkzaam bij een ggz-instelling en gepromoveerd op het onderwerp 'trauma en psychose', dat slechts een deel van de mensen met PTSS volgens de richtlijnen wordt behandeld. De onderzoeker geeft trainingen om hulpverleners een 'traumasensitieve attitude' aan te leren. Hij vindt de terughoudendheid om traumaís te behandelen omdat zo'n behandeling te belastend zou zijn menselijk, maar niet professioneel. "Sommige patiŽnten zijn boos dat ze 25 jaar hebben rondgelopen met traumaís waar niets mee is gedaan. Een enkeling is al naar de rechter gestapt." De onderzoeker spreekt over een stille ramp.*

*Timmermans, M. (2019, 20 april). De huidige zorg voor traumaís schiet tekort. Hoe kan deze stille ramp plaatsvinden? De Volkskrant.

 

 

Kinderen zouden uit eigen beweging over trauma's beginnen

Uit promotieonderzoek uit 2017 van Carlijn de Roos blijkt dat ongeveer 16% van de kinderen die zijn blootgesteld aan traumatische gebeurtenissen een PTSS ontwikkelt. Aan het onderzoek deden 103 kinderen tussen de 8 en 18 jaar mee. Ze hadden een eenmalig traumatische gebeurtenis meegemaakt als een verkrachting, een ongeluk, mishandeling of de dood van een ouder. Een kwart van de kinderen was seksueel misbruikt. Volgens De Roos krijgen kinderen in de ggz vaak als diagnose een 'stoornis' zonder dat wordt gezocht naar de reden waarom die stoornis is ontstaan. 

Waarom wordt niet gezocht naar de bron van de stoornis?

Kinderen die seksueel zijn misbruikt of mishandeld worden vaak te complex gevonden om te behandelen (Iva Bicanic, hoofd van het landelijk Psychotraumacentrum).

Hulpverleners durven vaak niet naar het trauma te vragen omdat ze bang zijn dat het dan erger wordt (Agnes van Minnen, hoogleraar aan de Radboud Universiteit).

Hulpverleners menen vaak ten onrechte dat kinderen het zelf wel vertellen als er iets ergs is gebeurd (Agnes van Minnen, hoogleraar aan de Radboud Universiteit).

Kinderen met een PTSS die niet worden behandeld, lijden onnodig, ontwikkelen steeds meer problemen en lopen verhoogd risico om opnieuw getraumatiseerd te worden. Om die reden moeten kinderen in de zorg standaard op een PTSS worden onderzocht. Als PTSS wordt vastgesteld, kan een kortdurende traumabehandeling leiden tot grote klachtvermindering. Snel ingrijpen en snel behandelen vermindert het lijden van kind en gezin en levert bovendien een enorme kostenbesparing op in de zorg, aldus De Roos

Effting, M. & W. Feenstra (2017, 29 juni). Psychologen: veel gedragsproblemen zijn te voorkůmen. 'Elk kind in de jeugdzorg onderzoeken op trauma' De Volkskrant.

https://www.uva.nl/content/nieuws/persberichten/2017/06/
posttraumatische-stress-bij-kind-in-een-paar-uur-succesvol-te-behandelen.html

 

 

Onverwerkte emotionele problemen van de hulpver-lener zelf staan een traumabehandeling in de weg

 

Na de bovengenoemde opsomming is er een verklaring voor de onderbehandeling van PTSS'en mogelijk die in de regel niet wordt gehoord, al volgt: de emotionele ballast van de hulpverlener zelf verstoort of blokkeert het hulpverleningsproces. Zo kan een hulpverlener die hetzelfde trauma als zijn of haar cliŽnt heeft ondergaan maar dat trauma niet (voldoende) heeft verwerkt ervoor terugdeinzen het trauma van de cliŽnt te behandelen; dit uit angst om in contact te komen met de eigen pijn. Er is dan sprake van wat tegenoverdracht wordt genoemd, een fenomeen van alle tijden. In mijn boek Wie is er nu gek? (2008) ga ik daarop dieper in. 

- Zie De therapeut op de divan,
ingekorte passages uit Wie is er nu gek? 

- Zie ook het praktijkvoorbeeld hieronder

 

 

Theoretische kennis is niet genoeg voor vakkundige hulp Een tuchtzaak uit 2019 toont aan dat theoretische kennis op het gebied van traumabehandeling geen garantie is voor een deskundige hulpverlening: een (inmiddels emeritus) hoogleraar in chronische traumatisering, die diverse standaardwerken over trauma en dissociatie schreef, wereldwijd bekendheid geniet en als psychotherapeut in diverse ggz-instellingen werkte, viel in de behandeling van een cliŽnt op een desastreuze wijze ten prooi aan tegenoverdracht. Volgens het tuchtcollege was er sprake van aanzienlijke en volstrekt onaanvaardbare afwijkingen van de normen binnen de beroepsgroep. 

Lees de reactie van de cliŽnt in deze tuchtzaak: "In de war" op de webpagina De therapeut op de divan.

 

 

 

"Een patiŽnt komt niet verder dan zijn therapeut"

Therapie kan een hulpmiddel zijn om psychisch leed te verzachten, mits in handen van een vakbekwame hulpverlener die bereid is tot zelfreflectie. 
Het credo van prof. dr. Jos H. Dijkhuis (1929-2018), 'de godfather van de psychotherapie in Nederland' luidt dan ook: "Een patiŽnt komt niet verder dan zijn therapeut."*

*In: Tijdschrift voor Psychiatrie 27, 2001, Paul Anzion

 


Terug naar mijn ervaringen in de Riagg Zuidoost.

Slordige dossiers, geen behandelplan, geen verantwoording
De dossiers waren volstrekt onsamenhangend. De behandelingen hadden soms kop noch staart. De diagnose bestonden niet zelden uit een negatieve kwalificatie ven de cliŽnt. Er werden geen behandelplannen opgesteld. Bij wijze van 'behandelplan' stonden in de dossiers meestal slechts een paar notities als 'relatietherapieí, 'toedekkení, 'ontdekkende therapie', 'laten spuiení, 'steunen en structureren', 'paradoxale benaderingí en dergelijke. Daarna begonnen de hulpverleners met de behandeling. Ze zouden wel zien waar het schip strandde.
Er werden geen voortgangnotities gemaakt. De behandeling werd noch tussentijds noch na afloop geŽvalueerd. Van een verantwoording in de behandelteams was vaak geen sprake. 

Ontkenning door de ggz

Ik was destijds niet de enige die de dossiers beneden alle peil vond. Zo waarschuwde de CliŽntenbond in de GGZ cliŽnten die hun dossier wilden inzien dat het schokkende gegevens kon bevatten. De bond liet dit in januari 1993 in een brief aan alle Riagg-directies weten.

In 1995 zou mijn collega Ad Beenackers, destijds werkzaam in een andere Riagg, in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid een onderzoek naar de dossiervoering in de Riaggís publiceren met de titel Riagg-dossiers nader bekeken. Zijn bevindingen kwamen grotendeels overeen met mijn observaties. Het onderzoek deed in de ggz veel stof opwaaien, vooral omdat het de aandacht van de landelijke pers trok. De ggz reageerde met verontwaardiging en ontkenning. Zo verweet GGZ Nederland de onderzoeker "kromme redeneringen en gebrek aan kennis" waarmee hij zou proberen "de hele Riagg-sector onderuit te halen."* Het Nederlands Psychoanalytisch Instituut wierp Beenackers voor de voeten dat hij zich achter een "wetenschappelijke schijnneutraliteit" verschool
en door zijn benadering van het onderwerp bewust het risico had genomen dat er in de pers een karikaturale beeldvorming van de ggz ontstond".**

* Verburg, H. (1995). RIAGG-dossiers nader bekeken. Reacties op het artikel `RIAGG-dossiers nader bekekení van A.A.J.M. Beenackers in MGv 6-95. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 7/8.

** Beenen, F. (1995). RIAGG-dossiers nader bekeken. Reacties op het artikel `RIAGG-dossiers nader bekekení van A.A.J.M. Beenackers in MGv 6-95. Maandblad Geestelijke volksgezondheid 50.

 

Weinig respect en inlevingsvermogen
In mijn dossieronderzoek stuitte ik regelmatig op een gebrek aan respect en inlevingsvermogen, soms zelfs op cynisme. Een cliŽnt die in haar jeugd was mishandeld, werd laatdunkend "een theatrale tante" genoemd, iemand die hulp vroeg voor terugkerende mishandeling en verkrachting in haar jeugd had last van "masochistische problematiek" en een Afrikaanse vluchteling die met weemoed terugdacht aan zijn leven voor de politieke problemen in zijn vaderland had "narcistische verhalen". Dergelijk kwalificaties getuigden niet alleen van een gebrek aan respect en inlevingsvermogen maar boden ook geen enkel aanknopingspunt voor de behandeling. Voor de cliŽnten was een dergelijke diagnostiek zout in de wonden.

"Oprotcontact"
Tot een respectloze houding behoorde ook wat in de Riagg Zuidoost een "oprotcontact werd genoemd, dat was een zodanige behandeling dat de ongewenste cliŽnten al in een vroeg stadium zelf afhaakten (1, 2).

 

 

De hulpverlener acht zich onmisbaar
De hulpverleners waren geneigd zichzelf een centrale rol in het leven van de cliŽnt toe te schrijven. Ze zagen hun cliŽnten niet zelden als hulpeloos en onmondig, en vonden het soms moeilijk zich voor te stellen dat de cliŽnt, los van de hulpverlening, een eigen leven had en zelf beslissingen nam.

De hulpverlener acht zich onfeilbaar 
De hulpverleners vonden in de regel dat ze geen fouten konden maken. Als cliŽnten ontevreden over hun behandeling waren, werden hun klachten door de hulpverleners naar hen teruggespeeld: de klachten zouden een onderdeel zijn van de psychische problemen waarmee de cliŽnten zich voor therapie hadden aangemeld. Dan meenden de hulpverleres dat er sprake is van 'overdracht', 'weerstand' of 'ageren', van 'een dominante persoonlijkheid', 'onverwerkte agressie' of 'een aanklagende houding'. Door gebruik te maken van zijn/haar status als 'deskundige' ging de hulpverlener iedere vorm van communicatie over de hulpverlening uit de weg.  De klachten over de hulpverlening keren bij de cliŽnt terug als een boemerang.
Kritische rapporten van cliŽnten(organisaties) werden niet serieus genomen. Zo werd door een van de gezondheidscentra in de regio aan de Riagg Zuidoost meermalen tevergeefs een zwartboek ter bespreking aangeboden.*

*Gezondheidscentrum Holendrecht, C. Zuidervaart, arts. Mondelinge mededeling.

 

De zelfingenomenheid van hulpverleners

In de ggz is het omgaan met ontevreden klanten voor hulpverleners moeilijk. Velen nemen een arrogante houding aan: Hoe komt u erbij? Waar heeft u het over? Ik ben de beste hulpverlener van Nederland! Terwijl cliŽnten met klachten vaak maar ťťn ding willen, namelijk dat de behandelaar zegt: Ik heb het fout gedaan. Of: Ik had het anders kunnen doen. Het spijt me. Helaas zijn er maar weinig hulpverleners die hun grenzen en beperkingen hardop durven toe te geven.

Bron: Maatwerk? Knelpunten in de geestelijke gezondheidszorg (1995). Amsterdam: Stichting Pandora.

 

OfficiŽle klachten over de ggz-hulp 2017-2019

Bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ), een onderdeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, kunnen cliŽnten klachten over de zorg deponeren. Over de ggz komen de meeste klachten binnen. In 2018 maakte het LMZ bekend dat het in 2017 1168 klachten over de ggz had ontvangen. De cliŽnten zijn het bijvoorbeeld niet eens met het behandelplan of de voorgeschreven medicatie. Ze klagen over het feit dat de richtlijnen niet worden gevolgd, over de bejegening, de dossiervoering en de mogelijkheden om het dossier in te zien en aan te vullen. Honderd van de 1168 klachten werden voor nader onderzoek voorgelegd aan de Inspectie.*

Ook bij tuchtcolleges voor de gezondheidszorg worden klachten over ggz-hulpverleners ingediend. Tussen 2017 en 2019 werden zaken gegrond verklaard die betrekking hadden op de volgende schending van de beroepscodes: seksueel overschrijdend gedrag, seksueel getint Whatsapp-verkeer, onzorgvuldige dossiervorming, gebrekkige regie over de behandeling, gebrekkige overdracht na de behandeling en schending van het beroepsgeheim. De maatregelen van het tuchtcollege varieerden van een waarschuwing of berisping tot uitschrijving uit het BIG-register en schorsing.**

*
www.landelijkmeldpuntzorg.nl
** www.tuchtrecht.overheid.nl. Zaken 2017, 2018 en 2019.

 

De hulpverlener sluit zich af van de buitenwereld
Zoals hierboven onder Samenwerking aan de orde kwam, zochten de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek vaak contact met personen en instanties in de buitenwereld, onder wie huisartsen, bedrijfsartsen en werkgevers. De hulpverleners hadden daar echter geen boodschap aan. Zij sloten zich het liefst op tussen de vier muren van de behandelkamer achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen. Ze waren niet gewend aan slagvaardig optreden. Dat gold vooral voor de hulpverleners in de afdeling Psychotherapie. Dat leidde in de buitenwereld soms tot wanhoop. Zo schreef een huisarts in de GGZ Gazet, een uitgave van GGZ Nederland, over de Riagg in zijn regio: 

"Eerst probeer je het met communicatie. Daarop wordt door de Riagg steeds gereageerd met krommunicatie. Dat leidt bij mij ten slotte tot verdommunicatie."

 



B. Misstanden in het behandelteam voor vrouwen en meisjes 

Intro
Zoals eerder vermeld, vormden de (meestal kleine) teams voor hulp aan vrouwen en meisjes in de Riagg's een reactie op de werkwijze van de gevestigde ggz waarin klachten van vrouwen over (seksueel) geweld vaak niet serieus werden genomen. Naar deze teams werden dan ook veelal cliŽnten met trauma's als mishandeling, verkrachting en seksueel misbruik verwezen. Hieronder ga dieper op de vrouwenhulpverlening in omdat ik als adviseur rechtstreeks bij cliŽntbesprekingen was betrokken en er veel heb gezien en gehoord. Maar eerst volgen de grondslagen van het de vrouwenhulpverlening.

 

De vrouwenhulpverlening en overlevingsstrategieŽn

Machtsverschil. In de vrouwenhulpverlening wordt expliciet aandacht besteed aan het machtsverschil en de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Tussen 25 en 40% van de volwassen vrouwelijke Riagg-cliŽnten heeft [rond 1990] een verleden van cumulatieve trauma's. Inzicht in de mogelijke reacties op traumatische ervaringen is dan ook van essentieel belang. Vaak zijn de cliŽnten verstrikt geraakt in machtsrelaties, zoals dat bij mishandeling in het huwelijk of bij seksueel misbruik het geval is.

OverlevingsstrategieŽn. Binnen de vrouwenhulpverlening staat de hulpvraag van de cliŽnt centraal. De analyse van wat er met een cliŽnt aan de hand is, de diagnose, bestaat uit een samenvatting van de klachten van de cliŽnt, een hypothese over het ontstaan van die klachten, een hypothese over de factoren die de klachten instandhouden en een vooruitblik op de behandeling. De diagnose en het daaruit volgende behandelplan worden aan de cliŽnt ter toetsing voorgelegd. De klachten en problemen van de cliŽnt worden gezien als het resultaat van strategieŽn om in een bepaalde situatie te overleven. OverlevingsstrategieŽn zijn aangeleerde gedragspatronen en gewoonten die cliŽnten zichzelf in het verleden hebben aangeleerd om in bepaalde situaties te kunnen 'overleven', bijvoorbeeld fysieke en/of psychische mishandeling of seksueel misbruik. Om de illusie van een goede ouder te bewaren brengt een kind zijn hele binnenwereld in het geding. Dissociatie (het buiten het bewustzijn brengen van emoties na een traumatische ervaring) en zichzelf de schuld geven van een ondergane mishandeling zijn voorbeelden van overlevingsstrategieŽn. Maar met dergelijke overlevingsstrategieŽn verloochenen kinderen zichzelf: ze stemmen hun gedachten en gevoelens af op de door hun omgeving gestelde eisen, geven hun eigenheid op om 'erbij te horen', om liefde en erkenning te krijgen, omdat hun leven anders onleefbaar zou worden. Aldus wordt de aanpassing aan de buitenwereld  belangrijker dan de trouw aan zichzelf. 
Voor de volwassen cliŽnt zijn die overlevingsstrategieŽn vaak tot ballast geworden. De schuldgevoelens en het afsplitsen van ondraaglijke emoties uit de voorbeelden hierboven zijn niet meer nodig. Deze ooit nuttige mechanismen maken nu deel uit van het probleemgedrag.

Lichaamsbeleving. De hulpverlener is zich bewust, dat wil zeggen van de gevolgen van haar eigen opvoeding als meisje voor haar belevingswereld en maatschappelijke positie. Wegens het veelvuldig voorkomen van seksueel misbruik en fysiek geweld bij vrouwen en meisjes is er expliciet aandacht voor de lichaamsbeleving en psychosomatische klachten van de cliŽnt, en voor traumaverwerking. De hulpverlener stimuleert de gezonde en sterke kant van haar cliŽnt.

Inspiratiebron. De vrouwenhulpverlening vormt een inspiratiebron voor een meer cliŽntgerichte houding in de ggz in het algemeen. De belangrijkste kenmerken van deze hulp Ė aansluiting bij de hulpvraag van de cliŽnt, een respectvolle bejegening en samenwerking tussen hulpverlener en cliŽnt Ė lopen immers dwars door alle leeftijden, problemen en therapievormen heen.

 

De hulpverlening in het vrouwenteam van de Riagg Zuidoost was echter niet veel beter dan hierboven beschreven. Mijn collega's in dat team waren namelijk niet bekend met de literatuur over de vrouwenhulpverlening. Want zoals ook later aan de orde komt, hadden de meeste hulpverleners geen belangstelling voor vakliteratuur.

Voor spek en bonen
Behalve ikzelf zaten in het vrouwenteam twee hulpverleners uit de afdeling Psychotherapie, een maatschappelijk werker uit de afdeling Jeugdzorg en een psychiater en twee sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen uit de afdeling Sociale Psychiatrie, allen vrouw. Ook al had ik mij op het gebied van de vrouwenhulpverlening goed ingelezen en was ik een ervaren gedragstherapeut, als lid van de geminachte afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek had ik geen status. Ik zat er voor spek en bonen. Aldus moest ik met lede ogen aanzien hoe in dit team het gebrek aan inzicht soms aan onnozelheid grensde. Soms kon ik mijn eigen oren niet geloven. Hieronder enkele van mijn observaties.

Opnieuw de status van Freud
Zoals gezegd, zaten in het vrouwenteam twee psychotherapeuten. Een van hen was evenals ik gedragstherapeut. De vrouwen waren van mijn leeftijd. Het is daarom aannemelijk dat zij Ė net als ik in mijn opleiding Ė kennis hadden gemaakt met Rogeriaanse counseling (een niet sturende therapie waarin de hulpverlener actief naar de cliŽnt luistert en hem/haar onvoorwaardelijk accepteert) of op zijn minst geoefend waren in eenvoudige gesprekstechnieken. De gedragstherapeut moest in haar opleiding net als ik een training hebben gehad in het maken van een zogeheten functionele analyse, een methode waarmee wordt ontrafeld wat er aan een bepaald probleemgedrag voorafgaat en welke factoren een probleem in stand houden. Ook zou zij getraind moeten zijn in technieken ter behandeling van uiteenlopende angststoornissen. Maar ik merkte niets van vakkennis.
Waarom werkten mijn collega's niet systematisch en zorgvuldig zoals ze in hun opleiding hadden geleerd? Omdat zij Ė evenals als de overige hulpverleners in de Riagg Ė liever vrijblijvend puzzelden dan methodisch te werk gingen. Omdat puzzelen naar Freudiaanse dieptepsychologie rook. En die had status. 

Theekransje
Het onsamenhangend gepuzzel ging nogal eens gepaard met geroddel zodat een cliŽntbespreking soms de gedaante van een theekransje aannam.

 

CliŽntbespreking

 

"Een psychisch beschadigde vrouw kan een prima therapeut zijn."
 Mijn collega's in het vrouwenteam opperden eens dat een vrouw met een - wat destijds heette - Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis (een gevolg van een ernstig trauma waarbij iemand meerdere persoonlijkheden kan aannemen die niet van elkaars bestaan weten) een prima therapeut kan zijn als ťťn van de afgesplitste persoonlijkheden therapeutisch geschoold was. Met andere woorden: iemand die geestelijk ernstig beschadigd is, kon volgens mijn collega's naar tevredenheid als hulpverlener functioneren.

"Ze is niet verkracht want ze toont geen emoties."
Mijn teamgenoten hadden geen inzicht in het verschijnsel dissociatie, dat is het buiten het bewustzijn brengen van emoties na een traumatische ervaring. Toen een cliŽnt eens emotieloos over een verkrachting vertelde, geloofden ze haar niet omdat ze geen emoties toonde. 

 

"Geen verwerkproces maar een vergeetproces"

Volgens Iva Bicanic, landelijk coŲrdinator Centrum Seksueel Geweld en hulpverlener, is volgens recente schattingen ťťn op de vijf vrouwen vůůr hun zestiende jaar door een verwant Ė oom, broer of (stief)vader Ė misbruikt. Tijdens de hulpverlening na een verkrachting borrelen soms herinneringen aan incest naar boven die iemand al haar leven lang probeert te verdringen. Bij hen zien we meestal geen uitgesproken emotionele reacties op die laatste verkrachting waarvoor ze zich bij het Centrum melden, aldus Bicanic. Ze hebben hun gevoel als het ware al lang geleden uitgeschakeld om zichzelf te beschermen. De mensen die ik in behandeling heb gehad, deden hun uiterste best om het misbruik te vergeten, zegt Bicanic. "Ze hebben geen verwerkproces gehad maar een vergeetproces."

- Bloemink, S (2016). De trauma-paradox. De Groene Amsterdammer.
- Veen. E. van (2019, 31 mei). Iva Bicanic over seksueel misbruik: ĎVertel je dat je bent aangerand dan krijg je een spervuur aan kritische vragen. De Volkskrant.

 

Niobe

In Niobe, een verhaal uit de Metamorfosen van de klassieke, Latijnse schrijver Ovidius, wordt beeldend beschreven hoe Niobe na een groot trauma haar gevoel uitschakelt.

Niobe is afkomstig uit Klein-AziŽ en huwt met de koning van Thebe in Griekenland. Zij krijgt zeven prachtige zonen en dochters. In haar trots schept zij hierover op tegenover de godin Leto die maar twee kinderen heeft, onder wie de god Apollo. Hierover verbolgen, doodt Apollo met pijl en boog eerst Niobes man en dan al haar zonen en dochters. Zij valt heftig snikkend te midden van haar dode man en kinderen neer. Afgemat en gebroken door haar verdriet wordt zij stiller en stiller. Totdat zij in haar lijden totaal verstomt en verstart, en ten slotte versteent. 

Hieronder volgt de passage waarin Niobe tevergeefs poogt haar jongste dochter te redden.

Toen er reeds zes bezweken waren aan een zestal wonden, was er nog eentje over. Niobe beschermde haar met heel haar lichaam, al haar rokken. 'Spaar er ťťn, mijn kleinste', riep zij, 'ik vraag alleen die kleinste van mijn kindertal!' Reeds bij het vragen sterft het kind voor wie ze 't vraagt. Daar zit zij kinderloos tussen dode man en zoons en dochters in, versteend in haar verdriet. De wind speelt niet meer in haar haren, de kleur van haar gelaat is bloedeloos, de ogen staan starend in bleke kassen; niets in haar lijkt nog te leven, inwendig ook niet, want haar tong verstart tegen een hard gehemelte, haar bloed kan niet meer stromen en haar hals niet draaien, armen kan zij niet meer heffen, met haar voeten niet lopen, en van binnen is zij helemaal van steen. Wel huilt zij nog. Een harde windvlaag heeft haar meegevoerd en naar haar vaderland gebracht. Genageld aan een bergtop kwijnt zij daar weg. Haar marmersteen traant tot op heden voort.

 

Geen inzicht in de psychische gevolgen van seksueel misbruik
Tot de gevolgen van seksueel misbruik behoren angst, woede, wanhoop, machteloosheid en gevoelens van schuld, schaamte en minderwaardigheid. Mijn collega's meenden eens dat het seksueel misbruik van een kind niet zo ernstig was omdat haar genitaliŽn niet waren beschadigd.

"Wat niet verdrongen is, is niet traumatisch." 
Vonden mijn teamgenoten seksueel geweld niet zo erg zolang de geslachtsdelen niet waren gehavend, als dat wel het geval was, meenden ze ook dat er geen sprake was van een ernstig trauma: ze vonden dat vrouwenbesnijdenis in de jeugd "niet traumatiserend is als het maar liefdevol gebeurt". De verminking van de genitaliŽn van meisjes kon ik niet rijmen met het woord "liefdevol". Vrouwenbesnijdenis kan ernstige trauma's veroorzaken en gebeurt in vele gevallen onder dermate onhygiŽnisch omstandigheden dat er meisjes zijn die de ingreep niet overleven. Zij die de ingreep wel overleven, worden er dagelijks aan herinnerd: ze hebben er hun verdere leven pijn en ongemak van. Het heeft mij nogal wat hoofdbrekens gekost om te snappen hoe mijn collega's tot hun overtuiging waren gekomen. Uiteindelijk viel het kwartje. Wegens de hoge status van Freuds psychoanalyse dachten mijn collega's graag Freudiaans maar tegelijkertijd verhaspelden ze zijn theorie. Uit Freuds leer dat traumatische gebeurtenissen in de jeugd vaak worden verdrongen, leidden mijn collega's af dat gebeurtenissen die niet zijn verdrongen niet traumatisch zijn.

 

  

CliŽnt (links) en GGZot

                                    

Gestoord en onveranderbaar 
Zoals gezegd, werd (en wordt) als hulpmiddel bij de diagnostiek alom gebruik gemaakt van de DSM, het Diagnostisch en statistisch handboek voor geestesstoornissen, ook in het vrouwenteam. Mijn collega's in dit team waren niet bekend de kritiek op de DSM vanuit de vrouwenhulpverlening. Verkrachte, seksueel misbruikte of mishandelde cliŽnten kregen - in plaats van de DSM-diagnose Posttraumatische Stress-stoornis (PTSS) - doorgaans het label Persoonlijkheidsstoornis, dat is in termen van de DSM een duurzaam gedragspatroon dat nauwelijks voor verandering vatbaar is en de 'persoonlijkheidí of het 'karakterí van de cliŽnt vertegenwoordigt. In deze visie is het  slachtoffer van een misdrijf gestoord. Een persoonlijkheidsstoornis biedt bovendien geen aanknopingspunten voor de behandeling. Immers, waarom zou de hulpverlener zich inspannen als de cliŽnt toch niet te veranderen is? Een PTSS biedt daarentegen wel uitzicht: de hulp is gericht op psychische problemen die na ('post') een trauma zijn ontstaan. Toch werd deze diagnose in het vrouwenteam zelden of nooit gesteld. 

Met de diagnose 'persoonlijkheidsstoornis' gaven mijn collega's blijk van hun behoefte aan het veranderen van de persoonlijkheid van hun cliŽnt in plaats van de systematische, planmatige behandeling van trauma's. Zoals gebruikelijk werd die diagnose echter niet in een behandelplan vertaald. 


CliŽnt (links) en hulpverlener

 

Verdrongen trauma's
Vaak is het bij volwassen cliŽnten lastig vast te stellen of er in de jeugd sprake was van seksuele traumatisering of incest, zowel voor de cliŽnt zelf als voor de hulpverlener. Volwassen geworden, kampt het ooit misbruikte kind met ernstige psychische problemen zoals een negatief zelfbeeld, eetproblemen, verslaving, zelfverwonding, depressie of destructieve relaties. Maar concrete herinneringen aan het onderliggende probleem, het seksuele misbruik, zijn er vaak niet. Want seksueel misbruikte kinderen hebben - zoals Iva Bicanic het zegt - "geen verwerkproces maar een vergeetproces" doorgemaakt. De hulpverlener dient dan ook voorbij de problemen te kijken waarmee een cliŽnt zich aanmeldt.

 

Het verhaal van Griet Op de Beeck

De bekende Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck (1973) had geen herinnering aan de incest in haar kindertijd. Wel had ze altijd geweten dat er iets niet klopte. Zo had ze zich als kind Ė in haar woorden Ė "grondeloos eenzaam" gevoeld, had ze als tiener last gehad van ernstige anorexia, haatte ze zichzelf en zocht ze steeds de verkeerde partners. Maar ze had nooit de vinger op de wond kunnen leggen. Na een aantal mislukte therapieŽn vond ze eindelijk een hulpverlener die doorvroeg naar haar psychische klachten. Toen ontdekte ze geleidelijk dat ze voor haar tiende jaar door haar vader was misbruikt. Waarom wist ze dat niet eerder? In september 2017 gaf ze in de televisietalkshow De wereld Draait Door (DWDD) de volgende verklaring: "Bij vroegkinderlijk misbruik zijn je hersenen letterlijk niet genoeg ontwikkeld om talig op te slaan wat er precies gebeurt, omdat het gewoon te ingewikkeld is." Herinnerde ze zich niets van het misbruik, ze had daar wel ruim honderd "secundaire bewijzen" voor, dingen die vreemd waren en in die richting van incest wezen. "Er kwamen beelden terug van een walgelijke merkwaardigheid die je niet zou verzinnen als je zoiets niet hebt meegemaakt", vertelde ze. Verder had ze wetenschappelijke literatuur over de gevolgen van incest gelezen en zo goed als alles herkend. Op de tafel van DWDD zag ik een boek van de gezaghebbende psychiater en incestdeskundige Judith Lewis Herman liggen.

BNNVara. Talkshow De wereld draait door (25 september 2017). Nieuw boek Griet Op de Beeck over incest. Zie video van het complete gesprek tussen presentator Matthijs van Nieuwkerk en Griet Op de Beeck op de website: https://www.bnnvara.nl/dewerelddraaitdoor/videos/294010


Niet verder kijken dan de neus lang is
De therapeut van Griet Op de Beeck was in staat voorbij de problemen waarmee haar cliŽnt zich had aangemeld te kijken en kon aldus zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke trauma komen.
In het vrouwenteam keken de hulpverleners echter niet verder dan hun neus lang was. Hoewel ze bij klachten zoals hierboven genoemd, konden vermoeden dat de cliŽnt ernstig was getraumatiseerd, waren zij niet geneigd door te vragen. Ze negeerden vaagheden, onvolledigheden en tegenstrijdigheden in het verhaal van hun cliŽnt. Zoals gezegd, zagen ze de problematiek in de regel aan voor een Persoonlijkheidstoornis of een innerlijk psychisch conflict zonder in staat te zijn die problematiek te behandelen. De hulp bestond dan ook uit "steunen en structureren" dat - zoals hierboven al aangegeven - doorgaans verzandde in pappen en nathouden.
(Zie ook de passage uit Niet storen
PTSS vaak ten onrechte als Persoonlijkheidsstoornis gezien.)

 

De twee gezichten van Freud

De beperkte visie op de problemen van seksueel getraumatiseerde vrouwen heeft een lange voorgeschiedenis die teruggaat op Sigmund Freud (1856-1939). Aan Freud hebben we inzicht in het belang van de vroege kindertijd en het onbewuste te danken. Daarop is niets af te dingen. Dat geldt echter niet voor zijn Oedipuscomplex.

In zijn eerdere Verleidingstheorie uit 1895 stelde Freud dat veel problemen van zijn vrouwelijke patiŽnten een gevolg waren van seksueel misbruik in de kindertijd. De "verleider" was volgens hem meestal de vader. Later verwierp Freud die theorie echter. Vervolgens beweerde hij dat de herinnering aan het misbruik op fantasieŽn van de patiŽnt berustte. Die fantasieŽn zouden voortspruiten uit seksuele en agressieve driften. Daarop formuleerde Freud zijn beroemde Oedipuscomplex. Dit complex houdt in dat kleuters van drie tot zes jaar seksuele verlangens ten opzichte van de ouder van het andere geslacht koesteren. In die fase ziet het kind de ouder van hetzelfde geslacht als rivaal en heeft het vijandige gevoelens ten opzichte van hem of haar. Als de kleuter het Oedipuscomplex niet goed doorkomt, ontstaan in het latere leven gevoelens van schuld, angst en agressie. Nadat hij zijn Verleidingstheorie had vervangen door het Oedipuscomplex geloofde Freud zijn seksueel misbruikte patiŽnten per definitie niet meer. Hij verving het trauma van het seksueel misbruik door een innerlijke psychische stoornis. De traumatische herinneringen zou berusten op fantasie. 

Waarom Freud op zijn Verleidingstheorie terugkwam, zou pas een eeuw later uit zijn geheim gehouden privť-correspondentie blijken. Jeffrey Masson, psychoanalyticus en directeur van de Sigmund Freud Archives in Washington, had toegang tot alle geheime brieven en documenten in de archieven. In Freuds brieven las Masson dat Freud er belang bij had om zijn verleidingstheorie te laten schieten: de theorie viel niet goed bij zijn collegaís en hij wilde bovendien de mannen van zijn generatie niet voor het hoofd stoten. 

Masson openbaarde zijn ontdekkingen. In 1981 deed hij in een artikelenreeks in de New York Times verslag van zijn bevindingen. In 1984 publiceerde hij zijn ontdekkingen in het boek Traumatische ervaring of fantasie. Freuds rampzalige herziening van de verleidingstheorie (1984).* De onthullingen werden hem niet niet dank afgenomen: ze dreigden het hele bouwwerk van de psychotherapie ter discussie te stellen. Masson werd als directeur van de Sigmund Freud Archives ontslagen en door psychoanalytici verketterd.

Freuds theorieŽn over innerlijke psychische stoornissen zijn onverminderd populair.

* Masson J. (1984). Traumatische ervaring of fantasie. Freuds rampzalige herziening van de verleidingstheorie. Alkmaar: Van Gennep B.V.


Nog steeds een taboe op incest

De laatste jaren is er veel publieke aandacht voor seksuele intimidatie en machtsmisbruik: in de rooms-katholieke kerk, in de kinderopvang, op sportclubs, in het leger, bij de Jehova's Getuigen en bij boeddhistische trainingen. Onthullingen van seksschandalen in de filmwereld hebben geleid de #MeToo-beweging, waarin mannen en vrouwen hun misbruikervaringen wereldwijd delen. Maar seksueel misbruik binnen het gezin door vader, stiefvader of andere huisgenoten Ė waarvan volgens het veel geprezen wetenschappelijk onderzoek van Nel Draijer uit 1990* een op de zes ŗ zeven vrouwen als kind de dupe was en volgens recente schattingen zelfs een op de vijf - komt vaak niet openlijk ter sprake.

"Hervonden herinneringen"
Met verwijzing naar Griet op de Beecks ontboezemingen in De wereld draait door wijdde de Volkskrant in november 2018 een bijna vijf pagina's tellend artikel aan het taboe rond incest. Het artikel geeft een goed overzicht van de historische ontwikkeling rond dat taboe, als volgt.
Tot het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw was incest in Nederland niet bespreekbaar. In 1982 werd de Vereniging voor Seksuele Kindermishandeling opgericht. Toen kwam er middels krantenartikelen, tv-uizendingen, boeken en films brede aandacht voor het probleem. Daarop volgde een golf van nieuwsberichten over vaders die verklaarden door hun dochters valselijk van incest te zijn beschuldigd. Sinds 1996 spreken geheugenonderzoekers over zogeheten "hervonden herinneringen", dat zijn pseudo-herinneringen aan seksueel misbruik in de kindertijd die in een latere levensfase in therapie opduiken. De onderzoekers stellen dat seksueel misbruik zo traumatisch is dat herinnering hieraan nooit helemaal kan worden vergeten. Hervonden herinneringen zouden dan ook niet betrouwbaar zijn en door de hulpverlener aangepraat. Nadat incest kort bespreekbaar was, is het nu iets geworden waar je maar beter niet zo snel geloof aan kunt hechten.

Op incest rust, kortom, nog altijd een taboe. Net als in Freuds tijd.

*Nel Draijer (1990). Seksuele traumatisering in de jeugd. Gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten.  Uitgeverij SUA.
**Van de Griend, R. (2018, 3 november). Waarom we niet over incest praten. De Volkskrant.

 

"Dan maak je mannen van ze"
 Onzinnige opvattingen over de hulp aan vrouwen waren natuurlijk niet voorbehouden aan hulpverleners in het team voor vrouwen en meisjes. De overige hulpverleners maakten het ook vaak bont. Toen het vrouwenteam eens het plan opperde een assertiviteitstraining te organiseren, zei een vrouwelijke psychiater uit de afdeling Jeugdzorg geschrokken: "Maar dan maak je mannen van ze!" Gelukkig kon iedereen in het vrouwenteam daar hartelijk om lachen.

 

Een training in lichaamsbewustzijn

Samen met twee sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen uit het vrouwenteam gaf ik een groepstraining aan vrouwen met psychosomatische klachten zoals hoofdpijn, hyperventilatie, rugklachten en pijn in nek en schouders, een initiatief van mijn voorganger dat paste bij de principes van de vrouwenhulpverlening. Via lichaamsgerichte oefeningen zouden de cliŽnten kunnen leren welke lichaamshouding samengaat met welke emotie en aldus een verband leren leggen tussen hun lichamelijke klachten en hun psychische toestand. Aldus poogden we de noodzaak van een dure, individuele behandeling te voorkůmen. Ik vond het zinnig werk en deed het graag.
Hoon. Voor toekomstige deelnemers schreef ik een folder met uitleg die werd verspreid in onder meer huisartspraktijken en bij het maatschappelijk werk. Voor de cover tekende ik een vrouw die terugging op de bekende tekening van Leonardo dat Vinci waarin hij het menselijk lichaam in ideale verhoudingen weergeeft, de Homo universalis: een man in een cirkel met twee gespreide armen en benen die de rand van de cirkel raken. Van Da Vinci's man maakte ik een vrouw. Dat kwam mij op hoon van mijn collega's in het vrouwenteam te staan. Ik zou plagiaat hebben gepleegd door gebruik te maken van het (inmiddels niet meer bestaande) logo van uitzendbureau Manpower, een sterk gestileerde versie van Da Vinci's tekening: een in een cirkel gevatte T-vorm met daarop een zwart bolletje. Kennelijk kenden mijn collega' s Da Vinci's beroemde tekening niet. Zo zag ik dat het Riagg-medewerkers niet alleen ontbrak aan gevoel voor humor maar ook aan rudimentaire kennis van kunst.
Bestraffende houding en geroddel. Al spoedig bleek dat ik mij niet kon vinden in de manier waarop mijn collega's de cliŽnten bejegenden. Ze stelden zich soms bestraffend tegenover de vrouwen op en labelden hen op een laatdunkende manier. Ze becommentarieerden hun uiterlijk en speculeerden giechelend over hun seksleven. Tussen mijn collega's en mij ontstonden fricties. Mijn voorstellen om tot een oplossing te komen, waren vergeefs. De spanningen namen toe en ondermijnden de hulpverlening nog verder. In het belang van de cliŽnten trok ik mij - met instemming van afdelingshoofd Sociale Psychiatrie - terug uit de groep en liet de voortzetting over aan mijn twee collega's. In een brief aan het vrouwenteam zette ik uiteen wat mijn argumenten waren. Dat nam het team mij niet in dank af. 
Bijna twee jaar later zou een nieuwe directeur mijn besluit om met de training te stoppen tegen mij gebruiken.

 

Onverschillig tegenover behandeladviezen

In januari 1992 verscheen mijn artikel Angst: Oorzaak en gevolg van overmatig alcoholgebruik in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid. Ik had het artikel geschreven op verzoek van de redactie van het vakblad toen bekend werd dat ik na mijn promotie over alcoholisme in de algemene ggz ging werken. In het artikel vatte ik mijn promotieonderzoek op overzichtelijke wijze samen en wees ik op de relevantie voor de algemene ggz. Zo maakte ik duidelijk dat katers van overmatig alcoholgebruikers een grote gelijkenis vertonen met psychische klachten waarmee cliŽnten zich in de Riagg's melden waaronder angst, paniek, fobieŽn, depressie en verwarring. Ik concludeerde dat men in de ggz alert dient te zijn op een meer dan matig alcoholgebruik en deed aanbevelingen voor de behandeling. De publicatie van het artikel ontlokte de hulpverleners in de Riagg Zuidoost geen enkele respons. Toen ik nog deel uitmaakte van het vrouwenteam, hield ik een spreekbeurt over overmatig alcoholgebruik en psychische klachten. Daarin vertelde ik ook over die ene cliŽnt die ik niet van zijn paniekstoornis had kunnen genezen wegens zijn overmatig alcoholgebruik. De voordracht stuitte op desinteresse, vermoedelijk omdat overmatig alcoholgebruik een systematische behandeling vereist waarvoor mijn collega's geen belangstelling hadden. Daarbij kwam dat er - evenals in de wetenschap - in de zorg een strikte scheiding tussen alcoholisme en geestelijke gezondheid bestond. 

 

Een positieve ervaring met een collega

In het vrouwenteam had ik ook een hoopgevende ervaring. Toen ik tijdens de een cliŽntbespreking eens een kanttekening maakte bij het besluit van de teampsychiater om het oorlogstrauma van haar cliŽnt toe te dekken in plaats van te behandelen, viel ze ongemeen fel tegen mij uit. Ik schrok en legde na afloop een brief in haar postvak waarin ik uitlegde dat ik haar niet persoonlijk dwars had willen zitten maar als teamlid alleen mijn mening had gegeven. Ik lichtte mijn standpunt nog eens toe en sprak de hoop uit dat we in het vrouwenteam, ondanks ons meningsverschil, konden blijven samenwerken. De psychiater schreef mij terug. Ze bedankte me voor mijn brief en drukte me op het hart niet over haar uithaal in te zitten: ze voelde zich even aangevallen maar dat was in het vuur van het moment. Ze vond het juist belangrijk dat de discussie over herbeleving van trauma's of 'toedekken' bij herhaling werd gevoerd. Tot mijn verrassing nodigde ze me in de vijf dagen daarop na het werk steeds een uurlang op haar kamer uit om haar levensverhaal te vertellen. Uiteindelijk bleek dat een omslachtige manier te zijn om mij duidelijk te maken dat ze zich bewust was van haar tegenoverdracht, dat wil zeggen van het verlies van haar invoelende, neutrale positie als hulpverlener in de betreffende casus. Haar voorkeur voor 'toedekken' van het oorlogstrauma bleek voort te komen uit haar eigen negatieve ervaringen met haar door de oorlog getraumatiseerde echtgenoot. Ik begreep dat ze liever niet met oorlogstrauma's werd geconfronteerd; dat ze zich machteloos voelde ten overstaan van oorlogsproblematiek. Ik had bewondering voor haar openhartigheid.
Kort daarop ging de psychiater met pensioen. In haar afscheidsrede poogde ze "een ideaal therapeutisch werkverband te schetsen waarin je niet alleen veel over je patiŽnten leert, maar ook over jezelfĒ. Na afloop overhandigde ze mij ten overstaan van een bomvolle zaal haar handgeschreven tekst. Een mooiere verzoening kon ik me niet voorstellen.
Later zou een nieuwe directeur daar geen spaan van heel laten.

 

"Geen duidelijke visie op de vrouwenhulpverlening"

Ongeveer een jaar na mijn aanstelling in de Riagg Zuidoost besloot ik in overleg met het centrale management uit het vrouwenteam te stappen. Al een half jaar eerder had het afdelingshoofd Sociale Psychiatrie, onder wier verantwoordelijkheid dat team viel, een nota geschreven waarin zij opmerkte dat "de hulp in het vrouwenteam niet voortvloeit uit een duidelijke visie op de vrouwenhulpverlening". Naar aanleiding daarvan besloot het management in september 1992 het vrouwenteam op te heffen. 

 

Gespecialiseerde hulp bij recent seksueel geweld

In 2012 bestonden de tekortkomingen in de ggz op het gebied van hulp na seksueel geweld nog steeds. Dat was een reden voor de oprichting van nieuwe, gespecialiseerde behandelcentra. In 2012 opende het eerste Centrum Seksueel Geweld voor slachtoffers van een recent ondergane aanranding of verkrachting. Inmiddels zijn er verspreid over het land zestien locaties. In 2018 meldden zich op alle locaties tezamen in totaal 1.641 slachtoffers.

Stoffelen, A.( 2019. 9 juli). Aantal acute meldingen van verkrachtingen gestegen. De Volkskrant.
www.centrumseksueelgeweld.nl

 

In de ggz geen goede hulp voor als kind misbruikte volwassenen

Zoals hierboven al vermeld, presenteerde de Gezondheidsraad in 2011 het rapport Behandeling van de gevolgen van kindermishandeling* waarin werd geconcludeerd dat in de kinderjaren mishandelde en seksueel misbruikte volwassenen in de ggz vaak traumabehandelingen van volstrekt onvoldoende omvang, kwaliteit en duur krijgen, en van het kastje naar de muur worden gestuurd.

In 2019 publiceerde de Commissie De Winter het rapport Onvoldoende beschermd, Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden. Hierin staat dat een op de tien personen die vanaf 1945 in de jeugdzorg verbleef als kind stelselmatig te maken heeft gehad met fysiek, psychisch en seksueel geweld. Volgens de Commissie kunnen de getraumatiseerde mensen moeilijk goede hulp vinden.**

*www.gezondheidsraad.nl

** - Commissie De Winter. Onvoldoende beschermd. Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden. 
- Stoffelen, A. (2019, 13 juni). Kinderen in jeugdzorg stelselmatig vernederd en mishandeld.  De Volkskrant.

 


 

C. Gebrek aan zelfreflectie

CliŽnten als voorbeeld

Zoals eerder opgemerkt, waren de hulpverleners in de Riagg Zuidoost geneigd zichzelf te overschatten en zelfs als onfeilbaar te beschouwen. Zelfreflectie behoorde niet tot de Riagg-cultuur. Van de cliŽnten die in de behandelkamer in alle openheid over hun persoonlijke tekortkomingen vertelden, konden de hulpverleners nog veel leren.


Geen belangstelling voor vakliteratuur

In de herfst van 1992 verscheen het eerder genoemde rapport van het Trimbos-instituut, Vraag en aanbod in de Riagg. Daarin concluderen de onderzoekers dat in de Riaggís niet de hulpvraag van de cliŽnt centraal staat maar de voorkeur van de hulpverlener voor een bepaald type cliŽnt (relatief jong, wit, goed opgeleid met vage problemen) en een diepgravende, op groei en inzicht gerichte behandeling. Ze zagen het als een uitdrukkelijke taak van de Riagg's om een hulpaanbod te ontwikkelen dat niet losstaat van de sociaal-maatschappelijke context en de leefsituatie van de cliŽnt. Het rapport werd breed in de Riagg's verspreid. Behalve ikzelf besteedde niemand in de Riagg Zuidoost er ook maar de geringste aandacht aan. Dat gold zelfs voor de medewerkers in mijn afdeling.

 

Hulpverleners zijn weinig beschouwelijk

In 1995 merkte de bijzonder hoogleraar Ambulante geestelijke gezondheidszorg Aart Schene in zijn oratie op dat Riagg-hulpverleners in de regel weinig beschouwelijke mensen zijn. Ze hebben geen belangstelling voor wetenschappelijke kennis. Eenmaal in de praktijk werkzaam lezen zij doorgaans geen vakliteratuur meer met uitzondering van handboeken als de DSM.*

In 2019 vermeldde arts en systeemtherapeut Flip Jan Oenen, als wetenschappelijk onderzoeker werkzaam bij Arkin Amsterdam, in zijn boek Het misverstand psychotherapie op dat de meeste hulpverleners weinig onderzoeksartikelen lezen.** 

*
Oratie bij de aanvaarding van zijn ambt als bijzonder hoogleraar Ambulante geestelijke gezondheidszorg aan de Universiteit van Amsterdam, getiteld Grenzen: over de identiteit van de geestelijke gezondheidszorg, 15-09-1995

** Flip Jan Oenen, Het misverstand psychotherapie. Amsterdam: Utrecht: Boom/De Tijdstroom, 2019. 

 

Vreemde eend in de bijt

Toen de directeur tijdens het sollicitatiegesprek opmerkte dat ik een vreemde eend in de bijt was, had hij gelijk. Niet - zoals hij meende - wegens mijn hoge opleiding maar wegens mijn beschouwelijke aard. Ik toonde meer verwantschap met de onderzoekers zoals hierboven in de witte kaders geciteerd dan met de meeste van mijn collega's in de Riagg. Maar in tegenstelling tot de genoemde onderzoekers stond ik midden in een zorginstelling. In mijn veelzijdige functie verkreeg ik rechtstreeks informatie over vele aspecten van de zorg die onderzoekers in de regel alleen indirect verwerven (zie ook hieronder: Bonte baan). Ik had me in die functie graag ingezet om, samen met de medewerkers in mijn afdeling, de hulpverlening te verbeteren. Maar, zoals gezegd, de hulpverleners tolereerden weinig of geen bemoeienis in de behandelkamer. 

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

3. EEN NIEUWE DIRECTEUR: GEEN VERBETERING

 

Per 1 april 1992 werd een nieuwe (vrouwelijke) directeur aangesteld. Onder haar leiding koesterde ik op verschillende momenten de hoop dat er verbeteringen in gang zouden worden gezet. Uiteindelijk werd al mijn hoop de grond ingeboord. 

 

"Dat akelige rapport van die nare man"

Ondanks de kritiek van de organisatieadviseur op de vorige directeur "als ver afstaand van de inhoud (hulpverlening en preventie)" hadden het bestuur en mijn collega-afdelingshoofden gekozen voor een socioloog zonder ervaring in de ggz. Hoewel ze op grond van het organisatieadviesrapport De toekomst kijkt achterom van het bestuur de opdracht had gekregen "een interne reorganisatie in de Riagg-structuur en -hulpverlening op gang te brengen", had ze voor het werk van de organisatieadviseur echter geen goed woord over. Ze sprak over diens verslag als "dat akelige rapport van die nare man". Aldus sloot ze de ogen voor het feit dat de problemen in de Riagg Zuidoost hardnekkig en diepgeworteld waren. 
Daarmee in tegenspraak had ze waardering voor Toren van Babbel: de Riagg in beeld, de ringband met kopieŽn van mijn veertig cartoons over de Riagg. Ze noemde de cartoons "visionair"
. Hoe ongeloofwaardig het ook klinkt, ze wilde dat boekwerk als jaarverslag 1991 naar de zorgverzekeraar opsturen. Voor die misstap wist ik haar te behoeden. Later zou ze de cartoons echter tegen mij keren.

 

Autoritaire trekjes

Desondanks was ik blij met de wisseling van de wacht. De nieuwe directeur creŽerde een gemoedelijke sfeer. Ze stelde zich eerder op als vriendin dan als baas. Na het grimmige en chaotische jaar dat achter mij lag was ik blij met het elan dat ze meebracht. 
Al snel werd echter duidelijk dat ze autoritaire trekjes had: verzet uit de organisatie tegen managementbesluiten dienden we te zien als "top-down-agitatie", als onruststokerij van de werknemers die we niet serieus hoefden te nemen. 

 

Opnieuw een ontluisterend rapport

Omdat het afdelingshoofd Sociale Psychiatrie na een lange ziekteperiode ontslag had genomen, trok de nieuwe directeur in mei een interim-afdelingshoofd voor negen maanden aan - een ervaren klinisch psycholoog. Het interim presenteerde in juli 1992 een nota over de volwassenzorg waarin hij onder meer wees op de gebrekkige diagnostiek, de geringe afstemming van het hulpaanbod op de hulpvraag, de verregaande autonomie van de hulpverlener in de behandelkamer, de ontoereikende cliŽntbesprekingen, het behandelen zonder behandelplan en de geringe bereidheid tot het bieden van hulp aan cliŽnten met een migratieachtergrond. Met andere woorden: van de goede voornemens om de hulpverlening te verbeteren was een jaar na het organisatieadviesrapport nog niets terechtgekomen. 

 

"Schandalige berichtgeving over de Riagg's"

Niet lang daarna verscheen het eerder genoemde rapport van het Trimbos-instituut, Vraag en aanbod in de Riagg over de geringe afstemming van het hulpaanbod op de hulpvraag in de Riagg's. Zoals gezegd, was ik de enige medewerker in de Riagg Zuidoost die het las. Het rapport zou geen opschudding hebben veroorzaakt, ware het niet dat het de landelijke pers bereikte. Toen de Volkskrant op 16 december 1992 neutraal verslag van het onderzoek deed, meende de directeur dat er sprake was van "schandalige berichtgeving over de Riagg's". Ze overwoog serieus om tegen de Volkskrant stappen te ondernemen.

 


GeÔnspireerd op de ets van Goya
Hasta su abuelo (Zo was zijn grootvader) uit diens serie Los Caprichos.

 

Propaganda

Hoe zwaarwegend het naar buiten gerichte gezicht van de Riagg was, bleek ook jaren later uit een verslag in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid van een door de Riagg Zuidoost georganiseerde studiemiddag. Het verslag, getiteld Mythe, missers en mogelijkheden, sloot als volgt af: 

"Ronduit storend was het verzoek [van de Riagg Zuidoost] om door middel van applaus steun te betuigen aan een persbericht dat namens het publiek zou worden uitgegeven. De voorgekookte verklaring werd dermate snel voorgelezen dat de inhoud niet te volgen was. Pogingen tot discussie werden resoluut afgewezen."

Aldus poogde de Riagg Zuidoost zelf positieve publiciteit te genereren. Met andere woorden: propaganda.

L. Macnack, Mythe, missers en mogelijkheden. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2, 1997.

 

Misleiding en aanzet tot corruptie 

Werd de vorige directeur in het organisatieadviesrapport De toekomst kijkt achterom neergezet als "manipulerend in allerlei bilateraal geritsel", gaandeweg zou blijken dat de nieuwe directeur haar voorganger op dat gebied verre overtrof. Hieronder mijn eerste ervaring met haar "geritsel".

Na een lange werkdag stelde de directeur eens voor samen in een nabijgelegen restaurant te eten. Tijdens wat ik dacht dat een gezellig etentje was, verzocht ze mij om voor het interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie, wiens aanstelling binnenkort zou aflopen en op wie zij bijzonder gesteld was, in mijn eigen afdeling een of ander project te creŽren en daarvoor subsidie aan te vragen. Het afdelingshoofd zou na afsluiting van zijn interim-periode geen andere werk hebben en graag in de Riagg blijven, aldus de directeur. Hij zou met het creŽren van een baantje akkoord zijn. De directeur drukte mij op het hart het project in het geheim uit te voeren, zonder medeweten van wie dan ook, inclusief het interim. 
Ik legde haar uit dat een dergelijk voorstel niet heimelijk kon worden uitgevoerd maar zowel in mijn afdeling als in het centrale managementteam besproken diende te worden. Verder vroeg ik me verbaasd af hoe de directeur op het idee kwam om mij aan te zetten tot corruptie. Ook vond ik het onwaarschijnlijk dat het interim een door mij gecreŽerd baantje zou accepteren waardoor hij bovendien van collega-afdelingshoofd mijn ondergeschikte zou worden. Ik hield me niet aan het verzoek tot geheimhouding en deed navraag bij het vertrekkende hoofd. Mijn collega zei verbaasd dat hij beslist niet in de Riagg wilde blijven werken. De directeur had mij dus niet alleen willen corrumperen, zij had mij ook misleid en tevens mijn collega achter diens rug om onder druk willen zetten om tegen zijn zin in de Riagg te blijven.
Toen ik de directeur meedeelde dat het interim-hoofd niet voor verlenging van zijn werkzaamheden in de Riagg voelde, reageerde ze ontstemd.

Ik vergat het voorval. Maar de directeur niet. Later zou blijken dat ze mij mijn integere opstelling bijzonder kwalijk had genomen. 


Gelijkwaardige gesprekspartner

Als aanzet tot een reorganisatie belegde de directeur enkele studiedagen voor het management onder leiding van een externe adviseur. Daarin passeerden alle misstanden in de Riagg Zuidoost wederom de revue. De directeur en de interim-manager hadden geen van beiden ooit in een Riagg gewerkt en waren Ė net als ik bij mijn sollicitatie Ė onkundig van het alom tegenwoordige belangenconflict tussen de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek enerzijds en de behandelafdelingen anderzijds. Er was bij hen geen sprake van enig dedain jegens mijn afdeling. In hun ogen was ik een gelijkwaardige gesprekspartner.

 

Meer hulp voor en door mensen met een migratieachtergrond

In dit werkklimaat was de tijd rijp om het bestaande migrantenbeleid in de Riagg Zuidoost aan te scherpen.
In de regio Amsterdam Zuidoost had in 1987 40% van de bevolking een migratieachtergrond. Anno 1992 was dat percentage opgelopen tot meer dan 50%. Zoals gezegd, coŲrdineerde de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek de hulpverlening aan allochtonen: ze had behandelmethodes ontwikkeld die op de problematiek van allochtonen waren afgestemd, superviseerde de hulpverlening, verzorgde bijscholing via cursussen, lezingen en workshops, en formuleerde beleidsadviezen. 
Gezien de gestage aanwas van de allochtone bevolking in Amsterdam Zuidoost wijdde ik mij samen met de coŲrdinator Allochtonenhulpverlening in mijn afdeling aan het opstellen een nieuwe beleid. Hierin stelden we dat de hulpverlening aan migranten verder diende te worden verbeterd, dat er meer bijscholing nodig was en dat er nieuw onderzoek gedaan moest worden naar de diverse bevolkingsgroepen in Zuidoost om de hulp aan de actualiteit aan te passen. In de Riagg Zuidoost werkten op een totaal personeelsbestand van ca 60 werknemers slechts vier mensen met een migratieachtergrond. Om die reden stelden we voor meer hulpverleners met een migratieachtergrond aan te nemen.
Ik zette het stuk als beleidsvoorstel terugkerend op de agenda van het centrale management maar de bespreking ervan werd steeds uitgesteld. 
Ik kon toen niet bevroeden hoezeer mijn inzet voor mensen met een migratieachtergrond zich uiteindelijk tegen mij zou keren.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


4. DE ONTWIKKELINGEN na de BijlmerVliegramp


Van het opstarten een mogelijk verbeteringsprogramma in de Riagg was nog steeds geen sprake. De Riagg Zuidoost kreeg de verbeteringen in organisatie en hulpverlening echter in de schoot geworpen, zij het onder uiterst dramatische omstandigheden. De directeur zou daar echter haar ogen voor sluiten.

 

A. De TIJDELIJKE metamorfose na de Bijlmerramp

Op zondag 4 oktober 1992 stort vlakbij de Riagg Zuidoost een vrachtvliegtuig van El Al neer op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg. Er vallen 43 doden. 84% van de slachtoffers heeft een migratieachtergrond. Vele omwonenden worden ernstig getraumatiseerd. 84% van de rampslachtoffers had een migratieachtergrond. 

 

Opzet ramphulpverlening

Het was herfstvakantie. De afdelingshoofden Psychotherapie en Jeugdzorg hadden vakantieplannen. Tot mijn verbazing lieten ze zich niet door de ramp weerhouden om hun geplande reisjes te maken. Op maandag, daags na de ramp, vertrokken ze met vakantie. De eerste opzet van de ramphulpverlening voor volwassenen lag aldus in handen van de afdeling Sociale Psychiatrie en de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek. De rol van de afdeling Psychotherapie - onervaren met praktisch en slagvaardig optreden in de wereld buiten de behandelkamer - bleef steeds minimaal.



Bijscholing over trauma's

In de Riagg Zuidoost werd de directeur van het Instituut voor Psychotrauma, Carlo Mittendorff, binnengehaald om bijscholing te geven over de preventie en behandeling van een
Posttraumatische Stress-stoornis (PTSS). Hij gaf onderricht in een behandelingsmethode die heden Imaginaire Exposure (het in gedachten gedetailleerd herbeleven van het trauma) wordt genoemd. Aan alle Riagg-medewerkers werd een interne reader van het instituut, Crisisinterventie na calamiteiten, uitgereikt. Hierin waren - naast een samenvatting van de kenmerken van schokkende gebeurtenissen - een zestal artikelen over opvang en nazorg opgenomen.

 

Betrokkenheid en samenwerking

Mijn afdeling werkte intensief samen met de afdeling Sociale Psychiatrie en leverde - wegens haar expertise op het gebied van migrantenhulpverlening, voorlichting en preventie - een substantiŽle bijdrage aan opzet en uitvoering van de ramphulpverlening voor ooggetuigen en omwonenden. Zelf schreef ik namens de gezamenlijke ggz-instellingen in Amsterdam Zuidoost voor de inwoners van de regio een (in zeven talen vertaalde) voorlichtingsfolder over de PTSS, die ook binnenshuis bij de hulp aan de rampslachtoffers werd gebruikt. Door de enorme toestroom van getraumatiseerde cliŽnten, waarvan velen een migratieachtergrond hadden, en de grote betrokkenheid bij de naburige ramp verdween de weerstand tegen de behandeling van mensen met trauma's en migranten.



Nieuw migrantenbeleid

Het Riagg-management nam nu het door mijn afdeling opgesteld vernieuwd migrantenbeleid, waarvan de bespreking steeds was uitgesteld, unaniem aan: in de behandelafdelingen zouden in het vervolg meer hulpverleners met een migratieachtergrond in vaste dienst worden genomen en zou de hulp aan migranten via bijscholing worden verbeterd. Dat gold ook voor de afdeling Psychotherapie die tot dan toe geen zwarte mensen behandelde of in dienst had. In afwachting van de uitvoering van het beleid werden er ten behoeve van de vele zwarte rampslachtoffers van buiten extra hulpverleners met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond aangetrokken. 
De directeur was enthousiast over het nieuwe beleid. In een interne brief liet ze alle Riagg-medewerkers weten wat dit nieuwe beleid inhield.
In december 1992 verklaarde ze in een interview met GGZ Gazet, een uitgave van GGZ Nederland:

"We zijn er ons in een wijk met meer dan 50% migranten van bewust dat we de hulpverlening aan en door migranten prioriteit nummer ťťn moeten geven. Niet dat we dat niet deden, maar we moeten dat nog meer doen."

 

Gebeurtenisgericht hulp

In de eerste maanden na de ramp was de hulp in eerste instantie gericht op een groepsgewijze preventie van een PTSS voor ooggetuigen en omwonenden. De groepen werden door steeds twee hulpverleners geleid, in het Nederlands, Engels of Papiamento. CliŽnten die toch een PTSS ontwikkelden, konden een beroep doen op een individuele behandeling bij de (vaste) Riagg- hulpverleners. Op advies van de traumaspecialist was de hulpverlening gebeurtenisgericht, d.w.z. gericht op de verwerking van de schokkende gebeurtenis. Het verhaal van de cliŽnt stond centraal. De Riagg Zuidoost onderging, kortom, een gedaantewisseling waaraan geen organisatieadvies of beleidsstrategie te pas kwam.

Zie ook bronnen over de ggz na Bijlmerramp

 

Voorstel discussie over verbeteringen

In mijn overleg met de directeur maakte ik regelmatig gewag van de kentering die ik in de organisatie en de hulpverlening waarnam. Ik stelde voor om in de Riagg een discussie op gang te brengen om de verworvenheden van het moment een plaats te geven in de gangbare praktijk.

 

De toekomst bleef achterom kijken

Terug naar af
De metamorfose in de organisatie en hulpverlening was van korte duur. Een discussie kwam er niet. Een paar maanden na de ramp gleed de Riagg als vanzelf in haar oude groef. De machtsverhoudingen werden als vanouds. De rol van de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek was uitgespeeld. De hulpverleners trokken zich weer terug tussen de vier muren van de behandelkamers achter de gesloten deuren met de bordjes Niet storen waar zij terugvielen in hun oude, vertrouwde werkwijze. Opnieuw werden er pseudo-diagnoses gesteld.

Censuur
De directeur was inmiddels ruim een half jaar in dienst.
Ze vond de mening van de buitenwacht over de Riagg van groot belang. Daarover wilde ze controle uitoefenen. Ze stelde het afdelingshoofd Psychotherapie aan als haar censor aan wie alle uitgaande berichten en geschriften over de ramp ter beoordeling voorgelegd moesten worden. Daardoor werd duidelijk dat ze haar onafhankelijk positie kwijt was: ze stond niet boven de partijen maar liet zich sturen door de dominante Riagg-cultuur waarin de afdeling Psychotherapie met haar voorkeur voor diepgravende behandelingen van goed opgeleide witte cliŽnten met vage klachten de hoogste status had. 

Het organisatieadviesrapport met de titel De toekomst kijkt achterom werd bewaarheid. De toekomst bleef achterom kijken. 

 

Geschiedvervalsing

Hieronder volgt de beschrijving van een voorval dat exemplarisch is voor de zieke sfeer in de Riagg Zuidoost die na de kortstondige metamorfose ten gevolge van de ramp ontstond. Het voorval vormde een voorteken van wat nog komen zou.

Arglistig
Het afdelingshoofd Psychotherapie liet niet na misbruik van zijn nieuwe positie als censor te maken. In november 1992 schreef een extern manager een rapport over alle extra werkzaamheden van de Riagg in de eerste twee maanden na de ramp. In de conceptversie van het rapport noteerde de manager dat de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek een belangrijke bijdrage had geleverd aan de opzet en uitvoering van de ramphulpverlening. De afdeling Psychotherapie werd niet met name genoemd. Toen ik daags daarop de definitieve versie van het rapport las, bleek het afdelingshoofd Psychotherapie de passage over de bijdrage van mijn afdeling te hebben geschrapt en vervolgens aan zijn eigen afdeling te hebben toegeschreven. Kennelijk vond hij het onverdraaglijk dat de afdeling met de hoogste status niet en die met de laagste status - het "stiefkind" - wel als dienstbaar in de officiŽle stukken over de ramphulpverlening werd genoemd.
Aldus vervalste hij niet alleen de geschiedenis maar haalde hij ook arglistig mijn afdeling onderuit. 

 

 

Angst- en zwijgcultuur
Ik besloot het schrappen van de tekst door de censor in de eerstvolgende vergadering van het centrale management aan te kaarten. Van tevoren vroeg ik het interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie mij tijdens de vergadering te steunen. Hij wist immers dat zijn en mijn afdeling bij de opzet en uitvoering van de ramphulpverlening intensief hadden samengewerkt. Hoewel hij het met mij eens was dat het afdelingshoofd Psychotherapie zich had misdragen en hij bovendien als hoofd van de grootste afdeling in de Riagg zijn gezag kon doen gelden, voelde hij zich machteloos tegenover zijn collega. Hij wilde zich dan ook niet openlijk over diens wangedrag uitspreken en adviseerde mij dat ook niet te doen: "Leg dat stuk maar in de onderste la en vergeet het".
Aldus sloot zijn gedrag naadloos aan bij de bestaande angst- en zwijgcultuur. Maar ik was niet bang en ik wilde niet zwijgen. Ik stond er dus alleen voor.
In de vergadering werd mijn opmerking over het schrappen van de bijdrage van mijn afdeling aan de ramphulpverlening voor kennisgeving aangenomen en verder genegeerd. 

Binnen een dergelijke angst- en zwijgcultuur kon het niet anders of de misstanden in de Riagg Zuidoost zouden blijven bestaan. Want door zwijgen verstart alles, terwijl spreken dingen tussen mensen op gang brengt.

 

Vergadering

 

Dreigement
Tijdens de vergadering had het afdelingshoofd Psychotherapie niets gezegd. Een open vizier was hem vreemd. Maar na de vergadering kwam hij mij in de beslotenheid van mijn kamer de wacht aanzeggen: ik mocht in het management zijn beslissingen nooit meer in twijfel trekken. Ik vroeg mij af hoe hij een dergelijk dreigement tegenover zichzelf verantwoordde. En vooral hoe een cliŽnt in al zijn of haar kwetsbaarheid zich bij zo'n hulpverlener zou voelen.

 

"ParanoÔde karakterstoornis, homoseksualiteit en de hele trits"

Dat het afdelingshoofd Psychotherapie zich ook in de behandelkamer misdroeg, zou ik niet veel later in mijn dossieronderzoek ontdekken. Hij stelde lukraak  riagnoses ofwel pseudo-diagnoses. Een cliŽnt met arbeidsproblemen, bijvoorbeeld, kreeg van het afdelingshoofd na het eerste, korte aanmeldingsgesprek de riagnose: "ParanoÔde karakterstoornis, homoseksualiteit en de hele trits".
Was een dergelijke respectloze houding het resultaat van zijn merkwaardige standpunt dat mensen niet kunnen veranderen? Dat een nauwkeurige diagnose met aanknopingspunten voor de behandeling er daarom niet toe doet? 

 

 CliŽnt (l) en hulpverlener


Samenwerking uitgesloten 

Ook uit andere gebeurtenissen leidde ik af dat de rol van mijn afdeling was uitgespeeld. Gezien de omvang van de problematiek die de Riagg Zuidoost zo plotseling overviel, was de directeur kort na de ramp van mening dat alle hens aan dek nodig waren. Ze nam mijn kwalificaties als ervaren gedragstherapeut serieus en vroeg mij samen met een medewerker uit de afdeling Psychotherapie (die ik nog niet kende) een groepsgewijze rouwtherapie voor nabestaanden van bij de ramp omgekomen mensen op te zetten. De groep zou begin 1993 van start gaan. Nadat we een cursus over rouwtherapie hadden gevolgd, maakte mijn collega mij in december duidelijk welke taakverdeling haar voor ogen stond. Zij zou de groep in haar eentje leiden. De organisatie, publiciteit en verdere secretariŽle ondersteuning zouden voor mijn rekening zijn. Met die taakverdeling was ik het niet eens. Hier deed de minachting voor een medewerker uit de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek zich weer gelden. Ik adviseerde mijn collega iemand anders voor de organisatorische ondersteuning te werven en trok mij - met het fiat van de directeur - uit de opzet van de cursus terug. Nadien is er niets meer van een behandelgroep voor nabestaanden terechtgekomen, hetgeen weer eens duidelijk maakte hoe fnuikend het vermeende standsverschil in de Riagg voor de cliŽnten was.

 

Donkere voorgevoelens

Mijn hoop op structurele verbeteringen in de organisatie was vervlogen. Hoe kon ik mij in die mallemolen nog nuttig maken? Ik had donkere voorgevoelens maar kon er niet de vinger opleggen. Gek genoeg sprong er wel een datum in mijn hoofd: 1 april 1993. En dat zou geen grap worden.
Ik overwoog een andere baan te zoeken. Maar eerst nam ik een lange vakantie op om afstand van de Riagg te nemen en uit te rusten van het vele overwerk na de ramp. 


Verzoek om artikel over de Riagg-hulp na de ramp

Tijdens die vakantie had ik veel geschilderd. Mijn donkere gevoelens waren verdwenen. 
Kort na de ramp had de hoofdredacteur van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid mij gevraagd een artikel over de ramphulpverlening voor volwassenen te schrijven. Kennelijk had hij vertrouwen in mij wegens mijn kort daarvoor in zijn blad verschenen publicatie over alcohol en angst. Wegens tijdgebrek Ė mijn bijdrage aan de opzet en uitvoering van de ramphulpverlening was tijdrovend Ė had ik echter niet op dat verzoek kunnen ingaan. Toen ik in januari 1993 weer opgeladen op het werk kwam, wachtte mij een verrassing: er kwam een tweede verzoek voor een artikel, dit keer van de Riagg Zuidoost zelf. Tijdens zijn afscheidsetentje voor het management opperde het interim-hoofd Sociale Psychiatrie dat ik voor het Maandblad een artikel over de ramphulp zou schrijven. Dat wilde ik graag doen. De directeur en het afdelingshoofd Jeugdzorg waren enthousiast. Het voorstel werd aangenomen. Het afdelingshoofd Psychotherapie had gezwegen. In zijn snel heen en weer schietende ogen las ik protest. Later zou hij kans zien om publicatie van mijn manuscript te blokkeren.

Dossieronderzoek
Voor het schrijven van het artikel kreeg ik toegang tot de dossiers van alle volwassen Riagg-cliŽnten die zich voor de ramp hadden aangemeld. Ik bestudeerde stapels dossiers, niet alleen van cliŽnten die zich in verband met de ramp voor het eerst aanmeldden maar ook van diegenen die reeds in behandeling waren (of waren geweest) en vergeleek ze met de dossiers van cliŽnten die zich in de jaren voorafgaande aan de ramp voor andere problemen aangemeld. Hierbij raakte ik onder de indruk van de vele pijnlijke ervaringen die menig cliŽnt had ondervonden. Had ik in het team voor vrouwen en meisjes al veel gezien van de hulp in de Riagg, nu kreeg ik ook inzicht in de reguliere hulpverlening binnen de afdelingen voor volwassenzorg. Ik was geschokt door de slechte kwaliteit van de hulp zoals die uit de dossiers sprak. Die was nog bedenkelijker dan de interim-manager in zijn rapport had beschreven. Zie de weergave van mijn bevindingen hierboven: Ondermaatse hulp.

Het beste van de Riagg Zuidoost
Ondanks de terugkeer van de Riagg naar haar oude werkwijze en mijn schokkende ontdekkingen in de dossiers liet ik de Riagg Zuidoost in mijn manuscript van haar beste kant zien: ik beschreef de collectieve empathie in de eerste periode na de ramp. In het manuscript met de titel De Riagg na de Bijlmerramp: een metamorfose beschreef ik hoe de Riagg Zuidoost veranderde van een gesloten en bureaucratische organisatie in een open en slagvaardige instelling waar de hulpvraag van de cliŽnt centraal stond en hoe de doorgaans verdeelde afdelingen intensief samenwerkten om zo snel mogelijk een passend hulpaanbod te creŽren. Ik gaf een beschrijving van de bijscholing over de preventie en behandeling van een PTSS en vatte de belangrijkste kenmerken van die training samen. De belangrijkste kenmerken van het hulpaanbod waren als volgt:

De hulpvraag van de cliŽnt staat centraal. Het vertellen van de schokkende ervaringen vormt het kernproces in de hulpverlening.

Voor de cliŽnt is de diagnose helder: zijn of haar klachten vormen normale reacties op abnormale gebeurtenissen; ze vormen adequate pogingen om aan de in de buitenwereld opgelopen stress het hoofd te bieden. Van de diagnoses die in de Riagg doorgaans worden gesteld - een persoonlijkheidsstoornis of een innerlijk psychisch conflict - is geen sprake.

De hulpverlener legt de nadruk op het gezonde en krachtige deel van de cliŽnt.

Er is aandacht voor zowel de sociale en maatschappelijke situatie als de lichaamsbeleving van de cliŽnt.

Verder maak ik melding van het feit dat er wegens de enorme toestroom van allochtone cliŽnten een beleidsnota werd aangenomen waarin het bestaande migrantenbeleid op het gebied van personeelszaken, hulpverlening, bijscholing en onderzoek wordt aangescherpt; en dat er extra allochtone hulpverleners werden aangetrokken om taal- en cultuurbarriŤres te overbruggen.

Ik concludeerde dat in de Riagg een potentieel aan creativiteit, flexibiliteit en bezieling school dat dwars op het gangbare systeem stond. Daarmee was de Riagg Zuidoost een voorbeeld voor de andere 58 Riagg. Ik beval aan om de verworvenheden van het moment een plaats te geven in de gangbare Riagg-praktijk, hetgeen om een serieuze discours zou vragen.

Voor een samenvatting zie de twee eerste passages uit het slothoofdstuk van mijn later boek Niet storen (1997) De Riagg na de Bijlmerramp: een metamorfose: De organisatie: van binnen naar buiten en De hulpverlening: van diagnose naar verhaal. (De twee laatste passages in deze tekst - Terugkeer naar de oude werkwijze en Hoopvol - zijn geschreven na mijn vertrek uit de Riagg Zuidoost.)

 

Verzoek om toelichting op migrantenbeleid

Toen ik het manuscript over de ramphulpverlening scheef, had ik vrijstelling gekregen van mijn overige taken. In maart 1993 hervatte ik mijn normale werkzaamheden.
Na het schrijven van mijn manuscript kreeg ik meteen een dringend verzoek. In maart was het kort na de ramp unaniem door het management aangenomen nieuwe migrantenbeleid nog steeds niet uitgevoerd. Met andere woorden: het beleid stond op papier maar werd niet waargemaakt. Om die reden verzocht de redactie van de ECB Nieuwsbrief, de interne krant over de hulp aan migranten, mij het beleid voor alle Riagg-medewerkers nog eens toe te lichten en daarbij de aandacht te vestigen op de noodzaak de genomen besluiten daadwerkelijk in praktijk te brengen, hetgeen ik uiteraard deed.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

B. ANGST, onverbloemde rassendiscriminatie EN PUBLICATIEVERBOD

Na het hervatten van mijn reguliere werkzaamheden was de sfeer in het centrale management slechter dan ooit. Mijn collega-afdelingshoofden hadden meer dan tevoren de behoefte mij "op mijn plaats" te zetten en de directeur gedroeg zich vijandig. 

 

Bestraffing

Na zijn vertrek werd het interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie voorlopig vervangen door het afdelingshoofd Jeugdzorg. Toen deze eens - ten onrechte - meende dat ik hem bij een besluit, dat ik als zelfstandig afdelingshoofd had genomen, gepasseerd had, zette hij mij in het centrale management luidkeels op mijn nummer. Bij wijze van straf eiste hij dat ik de taakstelling van mijn afdeling opnieuw beschreef. Dat weigerde ik pertinent: daarover had ik immers al uitputtend verantwoording afgelegd. Dat "agendapunt" werd vooralsnog uitgesteld.

Tijdens het geschreeuw van mijn collega had ik de directeur kalm gevraagd om in te grijpen. Ze negeerde mijn verzoek, hoewel ze als werkgever wettelijk verplicht was mij tegen agressief gedrag van andere werknemers te beschermen. Wel ontving ik volgende dag ik een briefje van het betreffende afdelingshoofd waarin hij zich voor zijn uitval verontschuldigde. Merkwaardig genoeg wist de directeur dit briefje later tegen mij te keren.

 

"Anders breekt de hel los"

Achter de rug van zijn collega's in het managementteam om bleek het afdelingshoofd Psychotherapie het nieuwe migrantenbeleid in zijn afdeling te hebben gepresenteerd als "een uitgangspunt voor discussie". Toen een van de medewerkers in die afdeling de kopij van mijn toelichting op dat beleid voor de ECB Nieuwsbrief in handen kreeg en las dat er sprake was van een definitief vastgesteld beleid, reageerde hij ontsteld. Hij kwam in mijn kamer, hurkte naast mijn bureaustoel en smeekte mij om hulp. De hulpverleners in zijn afdeling wilden namelijk absoluut geen zwarte mensen als collega of cliŽnt. Het nieuwe migrantenbeleid moest en zou van tafel. Want, zo zei hij, "anders breekt de hel los". Er waren al conflicten in zijn afdeling, legde hij uit. En het functioneren van het afdelingshoofd stond ter discussie. Als ik de tekst niet zou aanpassen aan de wensen van de afdeling Psychotherapie zou het afdelingshoofd nog verder onder vuur komen te liggen en zouden de conflicten in zijn afdeling escaleren.

Ik was met stomheid geslagen. Werd er voorheen stilzwijgend weerstand geboden tegen de behandeling van cliŽnten met een migratieachtergrond, nu was er sprake van een onverbloemde rassendiscriminatie. Hoe konden de psychotherapeuten in godsnaam denken dat ik begrip had voor het gekibbel in hun afdeling? Voor hun angst om hun status als superieure witte psychotherapeuten te verliezen wanneer zij zwarte mensen als cliŽnt of collega zouden krijgen? Dat ik mij net als zij tot rassendiscriminatie zou verlagen? Hoe zot!

 

Huichelarij

Onderwijl maakte het afdelingshoofd Psychotherapie in de media goede sier met de hulp aan de voornamelijk zwarte slachtoffers van de ramp. Een selectie: in december 1992 liet hij zich door Het Parool interviewen, in maart 1993 door het tv-actualiteitenprogramma Achter het nieuws en een half jaar later door het Brabantse blad De Stem en de Britse krant Independent.* Ook in 2000 Ė na de Parlementaire EnquÍte naar de Bijlmerramp Ė liet hij weer van zich horen. In een interview met het vakblad Zorg en Welzijn zei hij dat de ramphulpverlening het uiterste van hem had gevergd, met name in de eerste hectische weken na de ramp.** Dit terwijl hij direct na de ramp met vakantie ging. Verder was hij in de spotlights positief over een preventieve therapie voor de rampslachtoffers met voornamelijk een migratieachtergrond. Maar binnenshuis verguisde hij preventiewerkzaamheden en wilde hij geen mensen met een donkere huidskleur als cliŽnt of collega. 

* Edith van Zalinghe (1992, 24 december). De Bijlmer rouwt nog, maar leeft opnieuw. Het Parool / Riagg: telkens gevallen erbij. De Stem (1993, 2 oktober) / Christian Wolmar (1993, 3 oktober) 1992 Amsterdam Plane Disaster, Independent.
** Riagg-medewerkers blikken terug op de hulpverlening na de Bijlmerramp: 'Ik dacht altijd dat ik alles aankon.' Zorg en Welzijn (1 januari 2000).

 

De januskop van de Riagg Zuidoost (1)

 

Officieel beleid gereduceerd tot "discussiestuk"

Op 23 maart, tijdens de eerstvolgende managementvergadering die tevens mijn laatste zou blijken te zijn, wilde ik de warboel over de status van het migrantenbeleid uit de wereld helpen. In reactie op het protest van de hulpverleners in de afdeling Psychotherapie zette de directeur het eerder unaniem aangenomen migrantenbeleid, waaraan ze in de media met geestdrift ruchtbaarheid had gegeven, echter op losse schroeven. Ze reduceerde dat beleid tot een "discussiestuk" waarin de psychotherapeuten veranderingen mochten aanbrengen. Vervolgens gaf ze mij de opdracht om mijn toelichting op het beleid te herschrijven conform de wensen van het afdelingshoofd Psychotherapie. Mijn bezwaar hiertegen werd genegeerd.*

* Zie notulen managementoverleg Riagg Zuidoost dd 23 maart 1993 in bijlage 1 van het e-Document Achter gesloten deuren

 

De januskop van de Riagg Zuidoost (2)

 

"Het zwarte gezicht van de Riagg Zuidoost"

Hoewel de notulen van het centrale management steeds breed in de Riagg werden verspreid en ik de medewerkers in mijn afdeling op de hoogte bracht, protesteerde - behalve ikzelf - niemand openlijk tegen deze plotselinge draai van het management. Ook de zwarte coŲrdinator Allochtonenhulpverlening in mijn afdeling, met wie ik intensief had samengewerkt om het beleid op te stellen, liet niets van zich horen. Kort na de ramp trad zij op verzoek van de directeur nog voor de locale televisie op om Ė zoals de directeur het formuleerde Ė "de Riagg Zuidoost een zwart gezicht te geven". Maar nu cliŽnten met een donkere huidskleur werden gediscrimineerd, zweeg zij in alle talen.

 

Opnieuw in de spotlights

In 1997 zou naar aanleiding van de publicatie van mijn boek Niet storen een kritisch artikel over de Riagg's in De Groene Amsterdammer verschijnen. In reactie daarop schreef de directeur van de Riagg Zuidoost in een ingezonden brief dat - in tegenstelling tot de bewering in het artikel - in de vijf Amsterdamse Riagg's veel nieuwe initiatieven plaatsvonden. In dat kader somde zij vijf projecten op. Alle vijf projecten waren echter initiatieven van de binnenshuis geminachte afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek ten behoeve van cliŽnten met een migratieachtergrond; initiatieven die bij gebrek aan belangstelling van hulpverleners doorgaans op de plank bleven liggen. Met andere woorden: in de spotlights liet de directeur opnieuw haar januskop zien.

*De Groene Amsterdammer. GRRR, 4 juni 1997. Riagg.

 

"Stapels bewijzen"

Aan het einde van mijn laatste managementvergadering op 23 maart deelde de directeur terloops mee dat ze voornemens was bij de kantonrechter het arbeidscontract met het hoofd van de afdeling boekhouding te ontbinden. Hij zou zich schuldig hebben gemaakt aan seksuele intimidatie. Daarover had ik niet eerder iets gehoord. Toen ik de directeur vroeg of ze dat kon onderbouwen, zei ze dat ze "stapels bewijzen" had. Ik wist dat ze niet veel met het afdelingshoofd op had. Gezien de ontwikkelingen die ik hieronder beschrijf, is het niet denkbeeldig dat er sprake was van valse beschuldigingen waarmee de directeur hoopte zich van een man die ze niet mocht, te ontdoen - zoals ze het interim afdelingshoofd Sociale Psychiatrie, een man op wie ze gesteld was, op een oneigenlijke manier had willen binden.
Met haar aankondiging van het voorgenomen ontslag zette de directeur mij  voor het blok. Ik zou me graag in de stapels bewijzen hebben verdiept, ware het niet dat ik daarvoor geen gelegenheid meer had.

 

Censuur van mijn manuscript

In dezelfde managementvergadering van 23 maart, waarin ik protest aantekende tegen het terugdraaien van het migrantenbeleid, overhandigde ik de directeur mijn voltooide manuscript De Riagg na de Bijlmerramp: een metamorfose. Ze verzocht mij het stuk te laten beoordelen door het afdelingshoofd Psychotherapie annex censor. Die was mijns inziens niet de juiste persoon. Kort na de ramp was hij immers met vakantie gegaan terwijl het artikel vooral de eerste periode na de ramp beschreef. Verder werkte hij niet in de Bijlmermeer maar in een dependance van de Riagg Zuidoost in Diemen, op kilometers afstand van het hoofdgebouw waar de ramphulpverlening plaatsvond. Daar had hij weinig contact met de wereld buiten de behandelkamer. Voorts wilde hij in zijn afdeling Psychotherapie geen mensen met een migratieachtergrond als cliŽnt terwijl 84% van de rampslachtoffers van allochtone afkomst was. Bovendien had hij allerminst waardering voor de inzet van mijn afdeling na de Bijlmerramp  (zie Geschiedvervalsing). Hij was dan ook stilzwijgend gekant geweest tegen de opdracht voor een artikel aan mij. Tot slot waren mij geen publicaties van zijn hand bekend zodat ik vraagtekens had bij zijn redactionele vaardigheden. Maar ik had weinig in te brengen: hij was de censor. Dus overhandigde ik hem mijn manuscript met het verzoek zijn opmerkingen op schrift te zetten. 
De volgende dag ontving ik zijn commentaar. Samenvattend, was zijn kritiek als volgt:

  1. Na de ramp had zich geen metamorfose voltrokken: de Riagg deed het altijd goed. 

  2. Diagnostiek volgens het handboek DSM of andere psychiatrische labeling speelde in de Riagg geen belangrijke rol. 

  3. De behandeling van een PTSS zoals ik die in het artikel beschreef, was een gangbare methode in de afdeling Psychotherapie en niets.nieuws. 

  4. Ik mocht niet spreken over een nieuw migrantenbeleid want dat was er niet.

    De censor concludeerde dat het stuk voortkwam uit "persoonlijke frustratie" en niet publicabel was. 

Gezien zijn houding tegenover mij had ik van het afdelingshoofd Psychotherapie niets anders dan een onzuiver oordeel verwacht. Zijn mening kon mij dan ook niet teleurstellen. Wel vond ik zijn argumentatie wonderlijk.

Ad 1. Ontkenning misstanden. Met zijn bewering dat de Riagg Zuidoost het altijd goed deed, ontkende het afdelingshoofd glashard dat er al jaren misstanden in de Riagg bestonden en dat die misstanden nog niet zo lang geleden tijdens de studiedagen voor het management opnieuw luid en duidelijk waren uitgesproken, ook door hemzelf. 

Ad 2. Ontkenning gebruik psychiatrische labels.
Zoals gezegd, was het psychiatrisch handboek DSM een jaar eerder in de Riagg Zuidoost als diagnostisch instrument ingevoerd.
Een beduimelde Mini-D, de beknopte uitgave van de DSM, lag op het bureau van iedere hulpverlener. Mijn dossieronderzoek wees uit dat de hulpverleners zeer slordig met de richtlijnen van de DSM omsprongen en soms labels gebruikten die allang uit de DSM waren geschrapt. Ook bedienden ze zich van zelf verzonnen psychiatrische etiketten. Zie ook de 'diagnose' van de censor: "ParanoÔde karakterstoornis, homoseksualiteit en de hele trits"

Ad 3. Ontkenning onvermogen tot behandeling PTSS.
Dat de psychotherapeuten in zijn afdeling adequate PTSS-behandelingen gaven, klopte evenmin. In zowel mijn dossieronderzoek als in het team voor vrouwen en meisjes had ik geconstateerd dat zij alles behalve in staat waren om traumaís te behandelen. 

Ad 4. Ontkenning migrantenbeleid.
Ik begreep dat vooral mijn beschrijving van het nieuwe migrantenbeleid het punt was waar de schoen wrong. Dat beleid was immers daags tevoren in het managementoverleg op initiatief van de censor
gereduceerd tot "discussiestuk" omdat de hulpverleners in zijn afdeling beslist geen mensen met een migratieachtergrond als collega of cliŽnt wilden. Maar als ik het woord "migrantenbeleid" uit mijn manuscript zou schrappen, dan zou mijn tekst nog steeds getuigen van een nieuwe koers na de ramp waarbij sprake was van meer hulp voor en door mensen met een migratieachtergrond. Dus als de censor akkoord zou gaan met een aangepast manuscript zonder de term "migrantenbeleid" dan zou in zijn afdeling nog altijd "de hel losbarsten" en zijn wankele positie als afdelingshoofd verder worden ondermijnd. Dat argument kon hij uiteraard niet openlijk aanvoeren. 

 

Angst en machtsmisbruik

Bij de censor was sprake van angst. Angst voor vernieuwingen die mijn afdeling voorstond, te weten meer aandacht voor concrete, in de buitenwereld opgelopen trauma's en sociaal-maatschappelijke problemen. Plus angst voor een nieuw migrantenbeleid dat ook zijn afdeling betrof, waardoor hij zijn positie als hoofd zou kunnen verliezen. De censor wilde publicatie koste wat kost blokkeren. Bij gebrek aan steekhoudende, inhoudelijke argumenten had hij maar ťťn middel om dat te doen. En dat was mij in diskrediet brengen. Dat deed hij door te beweren dat het manuscript het resultaat was van "persoonlijke frustratie". Hij gaf echter niet aan wat mij frustreerde en waarom. 

 

 

Psychiatrische duiding als censuur

Zoals hierboven - onder De hulpverlener acht zich onfeilbaar - vermeld, waren Riagg-hulpverleners geneigd ontevredenheid van cliŽnten over de behandeling psychiatrisch te duiden: de klachten zouden een onderdeel zijn van de psychische problemen waarmee ze zich voor therapie hadden aangemeld. Op deze wijze kapten de hulpverleners iedere vorm van communicatie over de geboden hulp af. De vergelijking met censuur is niet ver weg. Het afdelingshoofd Psychotherapie duidde een hem onwelgevallige tekst als voortkomend uit "persoonlijke frustratie" en ontweek aldus een open gesprek over de hulpverlening.

 

Onkunde

Van de directeur verwachtte ik meer dan van de censor. Ik had haar immers verteld hoe ik over de kentering in de organisatie na de ramp dacht en een voorstel gedaan daarover een discussie aan te gaan. Ze onderschreef het verbod van de censor echter blindelings. Voor dat verbod voerde ze steeds wisselende argumenten aan. Aanvankelijk was ze van mening dat het stuk "schadelijk en subversief" was. Kort daarna vond ze dat "een beschouwing over diagnostiek uitsluitend intern diende plaats te vinden". Vervolgens meende ze dat ik "willens en wetens in strijd met de geheimhoudingsplicht had gehandeld". Ook hier was weer sprake van het uitoefenen van macht zonder enige inhoudelijke onderbouwing. Alsof een machtspositie op zich ieder mogelijk besluit legitimeert. Later zou blijken dat dit inderdaad het standpunt van de directeur was. 
Mijns inziens liet de directeur zich klakkeloos sturen door de dominante krachten in de Riagg wegens 1) haar gebrek aan ervaring in de ggz, 2) haar onbekendheid met de vakliteratuur over de Riagg's en 3) haar weigering de diepgewortelde problemen in de Riagg Zuidoost serieus te nemen. 

 

Vrij naar de ets Volaverunt (Weggevlogen) van Goya uit diens serie Los Caprichos. 
In die ets laat een vrouw zich in de lucht voortstuwen door heksen. Haar vlucht lijkt een neergang te zijn. 

 

Drie vliegen in ťťn klap

Nu had de censor drie vliegen in ťťn klap geslagen: 
1) in de media genoot hij erkenning voor hulp die hij binnenshuis verguisde, te weten een preventieve hulp aan de voornamelijk allochtone rampslachtoffers, 2) hij schakelde mij als drijvende kracht achter een betere hulp voor en door allochtonen uit en 
3) zijn eigen afdeling Psychotherapie bleef spierwit. 

 

Logica

Intussen spande de directeur zich in voor een betere huisvesting voor de Riagg Zuidoost. Dat zou een verdienste zijn geweest als haar inspanningen niet ten koste waren gegaan van de inhoud van het werk. Ze had een fraai pand op het oog in Diemen. De koop ging echter aan de neus van de Riagg voorbij. Het pand werd verkocht aan de Stichting 1940-1945. Ik zag daar een logica in: waar de Riagg zich afzijdig hield van traumahulpverlening, zette de Stichting 1940-1945 zich in voor hulp aan getraumatiseerden.

 

Liever een baas met verstand van zaken

Janka Stoker en Harry Garretsen, beiden hoogleraar aan de Rijks-universiteit Groningen, wijzen op het grote belang van inhoudelijke kennis voor leiders. De afgelopen jaren werd de betekenis van inhoudelijke kennis vaak gebagatelliseerd en wonnen de generalisten het van mensen met vakkennis. Zo werden er vooral leiders aangesteld die goed waren in het zogeheten 'procesmanagement', dat is aansturen op output, processen, voortgang, people-management et cetera. De hoogleraren vinden echter dat management niet een vak is dat je kunt kunnen uitoefenen zonder verstand van de inhoud. Zij spreken in dat verband over de 'koekjesfabriek'-metafoor: de gedachte dat een succesvolle manager net zo goed een universiteit als een koekjesfabriek zou kunnen leiden. Die managers weten dan van alles en nog wat maar niet wat met het eigenlijke doel van de organisatie te maken heeft.
Uit diverse onderzoeken blijkt dat medewerkers in professionele organisaties de voorkeur geven aan leiders die inhoudelijk iets te bieden hebben. Dergelijk leiderschap bevordert niet alleen de
tevredenheid onder medewerkers, maar ook de output van een organisatie. Medewerkers willen graag een leidinggevende die weet waar hij of zij het over heeft.

- Stoker, J. I., & A. W de Korte. (2000). Het onmisbare middenkader. Assen: Van Gorcum.
-
Stoker, J.I. & H. Garretsen (2017, 1 februari). Blog van LEAD (Leadership, Evidence, Advice & Data), het expertisecentrum van de Rijksuniversiteit Groningen op het gebied van leiderschap,.
- Stoker J. & H. Garretsen (2018, 19 januari). Blog van AOG School of management. Een baas die zelf ook koekjes kan bakken: de balans tussen expertkennis en procesmanagement.

 

De zwarte hulpverleners zijn de zondebok

Zoals ook hierna onder Het lot van de slachtoffers van de Bijlmerramp wordt beschreven, ging de angst en onkunde in de Riagg Zuidoost ten koste van de hulp rampslachtoffers van wie velen een migratie-achtergrond hadden. 
Het is wrang te moeten constateren dat het tegen zwarte cliŽnten en collega's gekante afdelingshoofd Psychotherapie annex censor de gebrekkige ramphulpverlening een jaar na de ramp toeschreef aan juist de (voornamelijk van buiten aangetrokken) zwarte hulpverleners: deze zouden volgens hem te "wit" zijn, dat wil zeggen te weinig kennis over de culturele achtergrond van hun zwarte cliŽnten hebben gehad.*

*De Stem, 2 oktober 1993, pag. 25: Riagg: telkens gevallen erbij

 

Terug naar inhoudsopgave

 



5. VERZET EN MORELE AUTONOMIE

 

a. zelfrespect

Niets te verliezen

Dit was mijn situatie in de Riagg Zuidoost: 
Iedere vorm van inspraak werd mij ontzegd. Werk dat ik voor cliŽnten deed, werd ongedaan gemaakt of - als het in iemands eigenbelang was - afgepakt en als persoonlijke prestatie gepresenteerd. Bijdragen die ik op verzoek had geleverd, werden onderuit gehaald. In het centrale management werd ik geÔntimideerd en onder druk gezet om tegen mijn geweten in te handelen. Het sprankje collectieve empathie na de Bijlmerramp had plaatsgemaakt voor rassendiscriminatie en censuur. En behalve ikzelf kwam niemand in de Riagg daartegen in opstand.
Ik weigerde mijzelf te verloochenen. Een goede hulp aan cliŽnten was voor mij belangrijker dan de troebele organisatiebelangen. Behalve mijn zelfrespect had ik in de Riagg Zuidoost niets te verliezen. 



Mijn verzet 

Voordat ik in de Riagg kwam werken, had ik nooit te maken gehad met censuur. En nu werd mijn werk gecensureerd op basis van dwang en macht. Ik wilde mij niet de mond laten snoeren omdat hulpverleners in de Riagg Zuidoost geen mensen met een migratieachtergrond als cliŽnt of collega duldden. Of omdat de Riagg zich meer bekommerde om de beeldvorming naar buiten dan om de hulpverlening aan de cliŽnten, onder wie de slachtoffers van de ramp. Bovendien vond ik mijn observaties Ė een onverwachte doorbraak van positieve krachten in een Riagg Ė waardevol omdat de 59 Riagg's al sinds hun oprichting in 1982 onder vuur lagen. 
De medewerker Registratie & Onderzoek in mijn afdeling stond vierkant achter het artikel. In overleg met haar besloot ik het manuscript naar het Maandblad Geestelijke volksgezondheid te sturen, niet als vertegenwoordiger van de Riagg Zuidoost maar op persoonlijke titel. 

Ultimatum. In een brief bracht ik de directeur op de hoogte. Ik liet haar weten dat ik de Riagg Zuidoost met mijn beschrijving van de hulp na de ramp in een positief daglicht had gesteld; dit ondanks alle misstanden die recent in de nota van het interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie en in de studiedagen voor het management nog duidelijk waren benoemd. Ik betoogde dan ook dat het artikel niet schadelijk was. Verder schreef ik dat wanneer het management aan het afdelingshoofd Preventie, Innovatie & Onderzoek de opdracht tot een artikel geeft, men een stuk kan verwachten waarin innovatie van de hulp - waaronder kanttekeningen bij de gebruikelijke psychiatrische diagnostiek - een rol speelt en dat ik dus gewoon mijn werk had gedaan. Tot slot legde ik uit dat ik een bijdrage leverde aan een openbaar debat over de Riagg-hulp waarover al veel was gepubliceerd. Aangezien de directeur niet bekend was met de vakliteratuur (zie ook boven) wees ik haar op een paar kritische artikelen over de (diagnostiek in de) ggz. Tot slot stelde ik voor om het manuscript in overleg op punten te wijzigen teneinde het in mijn ogen toch al positieve beeld van de Riagg na de ramp nog eens aan te scherpen. 
De directeur weigerde echter categorisch ieder gesprek. Ze sommeerde mij het artikel in te trekken op straffe van niet nader omschreven sancties en stelde een ultimatum.
In een mailing aan alle Riagg-medewerkers liet ze weten dat het verboden artikel bij haar ter inzage lag - als de uitstalling van een ontaarde tekst. 

 

"Fascinerend"

Ik stuurde mijn manuscript op naar het pas vertrokken interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie met de vraag wat hij ervan vond. Hij zei het publicatieverbod van de directeur niet te begrijpen. Twee universitaire hoofddocenten psychologie aan wie ik het stuk voorlegde, begrepen het verbod evenmin: zij vonden het inspirerend. Ook stuurde ik het op naar de voormalige organisatieadviseur in de Riagg Zuidoost die na drie organisatieadviesrondes niet in staat was de Ė in zijn woorden Ė "verziekte sfeer" in de Riagg Zuidoost te veranderen. Hij schreef mij het "fascinerend" te vinden dat een externe crisis als de Bijlmerramp dat wel kon.

 

"Levendig en herkenbaar"

Intussen liet de hoofdredacteur van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid mij weten dat een juridisch adviseur van de Riagg Zuidoost hem had gebeld met de mededeling dat ze het manuscript namens mij introk want het stuk zou "subversief" zijn. Het verbaasde de hoofdredacteur omdat de redactie het stuk "levendig en herkenbaar" vond en - na redactionele verbeteringen - graag wilde publiceren. Hij vroeg mij of ik het stuk inderdaad wilde terugtrekken.* 
Ik antwoordde dat er sprake was van bedrog, dat ik niemand had gevraagd om het artikel te herroepen, dat ik het zelf ook niet introk en dat ik het dus graag wilde publiceren. 

* Zie brief hoofdredacteur Maandblad Geestelijke volksgezondheid in bijlage 2 van het e-Document Achter gesloten deuren.

 

Achterklap

 


 

B. VALSE BESCHULDIGINGEN EN VERRAAD

 

Toen het ultimatum na een week was verstreken en ik het artikel niet had ingetrokken, volgde een ontslagprocedure. Die procedure begon grimmig en eindige komisch.

 

Op non-actief

Eerst stelde de directeur mij op non-actief. Ze liet mij weten voornemens te zijn bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. Dit keer waren haar aantijgingen weer van een heel andere aard: er zou sprake zijn van "een cumulatie van voorgaande functioneringsproblemen". Over functioneringsproblemen waren mij echter geen klachten bekend. Op mijn vraag welke de "voorgaande functioneringsproblemen" waren, bleef de directeur mij het antwoord dan ook schuldig. 
Gelukkig had ik in verband met de chaos in de Riagg al aan het begin van mijn aanstelling een rechtsbijstandsverzekering afgesloten. Mijn zaak was nu in handen van een juridisch adviseur. Toen mijn adviseur mij er na korte op wees dat het auteursrecht van het manuscript formeel bij de Riagg Zuidoost lag (omdat ik het in diensttijd had geschreven) trok ik het stuk alsnog in. Want ik wilde me niet schuldig maken aan schending van het auteursrecht. Dat was voor de directeur echter geen reden om van het voorgenomen ontslag af te zien. 

 

Een raadsel

Ook al begreep ik dat de directeur zich inmiddels met de Riagg had geÔdentificeerd en uit onkunde leunde op het oordeel van het afdelingshoofd Psychotherapie, toch was het mij een raadsel waarom ze zulke drastische maatregelen nam. Wat was er in haar gevaren dat ze zich zo tiranniek gedroeg? Dat ze met de ene valse beschuldiging na de andere op de proppen kwam? Dat ze me koste wat koste uit de Riagg wilde bannen? Was hiŽrarchie en macht in de organisatie belangrijker dan de zorg voor de cliŽnten?

 

 

Tassen vol verweer

Kort het de op non-actiestelling fietste ik een paar keer naar de Riagg op en neer om verdedigingsmateriaal te verzamelen Ė notulen van het managementoverleg en andere vergaderingen, diverse interne stukken en rapporten, brieven van de directie, het bestuur en de organisatieadviseur, paperassen van mijn voorganger Ė alles wat mij maar kon helpen om de valse beschuldigingen te ontzenuwen. Ik deed het openlijk en maakte zelfs luchtige praatjes met collega's die mij veroordeelden. Ze snapten niet wat ik in de Riagg kwam doen. Want mensen zien vaak niet wat er pal onder hun neus gebeurt. 'Hiding in plain sight', noemen de Engelsen dat. Met boodschappentassen vol archiefstukken ging ik naar huis. Toen er een paar stukken ontbraken, wilde ik me niet nogmaals aan de afkeurende blikken van de Riagg-medewerkers blootstellen. Om die reden vroeg ik een van de collega's in mijn afdeling de ontbrekende stukken te brengen. Dat deed hij met tegenzin. Hij wilde de archiefstukken niet bij mij thuis afgeven maar in het geheim, ergens op straat, ver van de Riagg. Deze afstandelijke benadering was een voorbode van het verraad van mijn directe collega's dat zou volgen.

Op basis van het archiefmateriaal voltooide ik eind mei 1993 een rapport met de titel Gebroken baan, Over de baanbrekende positie van de afdeling Preventie Innovatie & Onderzoek waarin ik de organisatieproblemen in de Riagg Zuidoost en de netelige positie van mijn afdeling beschreef. Ook noteerde ik daarin mijn ervaringen in het vrouwenteam, de bevindingen van mijn dossieronderzoek en de ontwikkelingen na de Bijlmerramp. Het rapport verwees naar 131 bronnen. 

 

Het schip moet blijven varen

Twee weken na de op non-actiefstelling ontving ik een kopie van een brief van de medewerkers van mijn afdeling aan de directeur waarin zij lieten weten zich zorgen te maken over de continuÔteit van de afdeling. Ze wilden dat ik zo spoedig mogelijk zou terugkeren en vroegen om een gesprek. Ze repten echter met geen woord over de inhoud van het conflict, over de ongerijmde censuur. Ook spraken ze niet tegen dat er functioneringsproblemen zouden zijn. De afdeling had een hoofd nodig. Het schip moest blijven varen. Dat was alles. Ik was benieuwd wat het gesprek tussen de directeur en de medewerkers zou opleveren. Maar mijn collega's lieten niets van zich horen.

 

De trukendoos van de directeur

"De beul en het sigaretje"
Toen ik vijf weken op non-actief stond, nodigde de directeur mij uit voor een gesprek. "Daar zitten we dan met ons verdriet", begon ze en bood mij thee en koekjes aan. Vervolgens nam ze eenzijdig het woord en trok daarbij een rijk gevulde trukendoos open. Ze suggereerde dat ik overspannen was en veinsde dat ze met me te doen had. Eerst meedogenloos en koud, en dan poeslief, een bekende manipulatieve truc om iemand murw te maken. Ik noem zo'n truc "de beul en het sigaretje" naar de kunstgrepen in films en boeken waarin mensen worden gemarteld: de beul onderwerpt het slachtoffer eerst aan een wrede ondervraging en biedt hem vervolgens een sigaret aan. Het slachtoffer, dankbaar dat de marteling wordt onderbroken door een vriendelijk gebaar, is dan vaak bereid zijn verzet op te geven.

 


Maar ik was sterk en strijdbaar, en liet me niet inpalmen. Ik zei dan ook dat ik me prima voelde. 

 

De behoefte aan iemand met wie je kunt praten

In zijn roman 1984 geeft George Orwell een extreem voorbeeld van "de beul en het sigaretje". In het verhaal wordt slachtoffer Winston door beul O'Brien hevig gemarteld. Daarna geeft O'Brien zijn slachtoffer een injectie met een verdovend middel. Hieronder volgt een citaat uit de roman over de manier waarop Winston reageert:

Er gleed een naald in Winstons arm. Vrijwel onmiddellijk verspreidde zich een verrukkelijke, heilzame warmte door zijn hele lichaam. De pijn was al half vergeten. Hij opende zijn ogen en keek dankbaar op naar O'Brien. Toen hij dat massieve, doorgroefde gezicht zag, zo lelijk en zo intelligent, leek zijn hart een slag over te slaan. Als hij zich had kunnen bewegen, zou hij een hand hebben uitgestoken en die op O'Briens arm hebben gelegd. Hij had nog nooit zo innig van hem gehouden als op dat moment (...). O'Brien was iemand met wie je kon praten. Misschien had een mens er niet zozeer behoefte aan te worden bemind als wel te worden begrepen. 


"Voor je eigen bestwil".
Daarna deelde de directeur mee dat ze een gepaste oplossing voor de heikele situatie had: iemand anders in de Riagg Zuidoost zou voor het Maandblad Geestelijke volksgezondheid een nieuw artikel over de hulp na de ramp schrijven. Ik mocht er niet aan meewerken maar zou wel als co-auteur bij het artikel worden genoemd. Ze voegde eraan toe dat dit niets afdeed aan haar voornemen mij te ontslaan. Ik begreep dat ze aldus tegenover het Maandblad gezichtsverlies voorkwam omdat ik het artikel zelf zou hebben herzien. Ook zinspeelde ze op mijn veronderstelde behoefte aan erkenning: die zou ik na mijn ontslag wel kunnen gebruiken. Het was, zo zei ze, voor mijn eigen bestwil om met haar voorstel akkoord te gaan. (Zie ook hieronder De angst voor de vrijheid  > Onderdrukking.)
Ik kon natuurlijk niet blindelings een artikel van een ander onderschrijven. Ook was ik niet uit op een dergelijke vorm van erkenning. Ten slotte, als ik akkoord ging, zou ik toegeven dat het door mij geschreven artikel niet deugde. Dus ik weigerde.

Persoonlijke krabbels als juridisch bewijsmateriaal 
Nadat ik het aanbod om een artikel volgens haar richtlijnen te onderschrijven, had afgeslagen, zei de directeur dat ze voornemens was de arbeidsrelatie wegens functioneringsproblemen te beŽindigen en legde uit hoe dat zijn beslag zou krijgen. Daarvan maakte ze zelf notities die ze na afloop ondertekende. Later zou ze die notities aan de rechter voorleggen als bewijs dat ik met haar voornemens akkoord was gegaan alsof haar krabbels de status van een juridisch stuk hadden. Relevante juridische kennis ontbrak haar echter: ik moest er haar zelf op wijzen dat de maximaal wettelijke termijn van non-actief inmiddels was verstreken. "Dan ga je nu met betaald verlof", was haar reactie.

 

Verraad

Ik bracht de medewerkers in mijn afdeling met enige regelmaat per brief op de hoogte van de ontwikkelingen rond de ontslagprocedure. Ik hoorde of zag echter niets van hen. Geen woord van protest tegen de misstanden in de Riagg Zuidoost. Geen woord over de rassendiscriminatie en de censuur. Geen woord van steun of empathie. Ook hier gold weer: door zwijgen verstart alles, terwijl spreken dingen tussen mensen op gang brengt. Het kon niet anders of de misstanden in de Riagg Zuidoost zouden zo blijven bestaan.
Intriges. Kennelijk werden er met de directeur wel gesprekken gevoerd want daarvan ontving ik plotseling een verslag. De directeur had de medewerkers van mijn afdeling op de mouw gespeld dat ik mij in het centrale management regelmatig had misdragen. Ondanks de jarenlange goede sfeer in mijn afdeling en het vertrouwen dat ik altijd genoot, leken mijn collega's haar te geloven. De directeur had dus met succes een wig tussen mij en mijn collega's gedreven volgens het aloude principe "verdeel en heers", met als doel mij volledig te isoleren. Het enige bericht dat ik daarna nog uit mijn afdeling ontving, was een kaartje van een van hen met beterschapwensen waarin hij suggereerde dat ik overspannen was. Hadden de medewerkers van mijn afdeling wel met mij willen spreken dan hadden ze geweten dat ik me niet ziek maar gezond en sterk voelde. 
Dubbele tong. Zelfs de medewerker Registratie & Onderzoek uit mijn afdeling, met wie ik tien uur per week een kamer deelde en die mij binnenskamers had aangemoedigd mijn manuscript op persoonlijke titel ter publicatie aan te bieden, nam het niet voor mij op. Integendeel. Kort na mijn non-actiefstelling schreef ze - samen met de coŲrdinator Allochtonenhulpverlening uit mijn afdeling - als vervanging van mijn manuscript een droge tekst over de eerste opvang van de rampslachtoffers met getallen en tabellen, en zonder visie.* Aldus werd ik - dit keer volkomen onverwacht - geconfronteerd met de dubbele tong van de Riagg Zuidoost.

*M. L. en J. R., mei 1993. De Bijlmervliegramp. Een preventief hulpaanbod voor ooggetuigen en omwonenden. Riagg Zuidoost, afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek. 

 

Hypocrisie

Mijn voormalige kamergenoot en medewerker Registratie & Onderzoek bleek met alle winden mee te draaien. In 2010 werkte ze bij  Arkin GGZ Amsterdam waarin de Riagg Zuidoost inmiddels was opgegaan. In een interview met Mikado merkte ze op dat ze de samenwerking in de Riagg Zuidoost na de ramp indrukwekkend had gevonden:

"Alle verschillen tussen mensen vielen weg. Elke hulpverlener dacht alleen nog maar vanuit het idee 'wat kunnen we doen'. Ik dacht toen meteen: dit moeten we vasthouden."* 

Ik was verrast aangezien ze mij in 1993 allerminst steunde in mijn pogingen om de positieve veranderingen vast te houden. Toen stond ik er alleen voor. In een andere functie en met een andere baas draaide ze haar januskop opnieuw 180 graden.  

*
Mikado, Kenniscentrum voor interculturele zorg, 18 januari 2010. "Een klimaat van inclusie in de instellingen is erg belangrijk." Interview met M.L., stafmedewerker Kwaliteit en Diversiteit bij Arkin GGZ Amsterdam.

 


Spreekverbod

Alvorens naar de rechter te stappen, legde de directeur mij een minnelijke schikking voor om de arbeidsrelatie in onderling overleg te kunnen beŽindigen. Op 3 juni nodigde ze mij uit om in aanwezigheid van onze juridisch adviseurs over die schikking te spreken. Als trefpunt koos ze de restauratie van het Centraal Station in Amsterdam. Ze vermeldde dat ze twee brieven van buiten had ontvangen waarin bezorgdheid over de gang van zaken werd uitgesproken. Ik vermoedde dat ze afkomstig waren van de platforms waarop ik stedelijk opereerde en was blij te horen dat er nog mensen waren die zich om mij bekommerden. De directeur verweet mij echter dat ik "soldaten rekruteerde om tegen de Riagg Zuidoost in stelling te brengen". Uit haar woordkeuze bleek dat ze waarlijk op oorlogspad was.
De schikking was het tegendeel van minnelijk. Ik zou een ontslagvergoeding van slechts drie maanden salaris krijgen. Verder was in de schikking als bepaling een spreekverbod over de Riagg Zuidoost en de ontslagprocedure opgenomen. Daarmee kon ik niet akkoord gaan. Bovendien, als ik de schikking zou ondertekenen, zou ik zelf ontslag nemen waarmee ik mijn recht op een WW-uitkering verspeelde. 


Hulpverleners door de ggz-directies geÔntimideerd

Een door de directie afgedwongen zwijgplicht over misstanden in de ggz is niet uitzonderlijk. Een paar voorbeelden.


Iedereen de mond gesnoerd (2015). In een psychiatrische kliniek in Heiloo deed een psychiater in 2014 een promotieonderzoek naar het effect van een nieuwe medicijnencombinatie bij psychotische cliŽnten. Aan dit experiment deden onder anderen 22 cliŽnten mee die niet wilsbekwaam waren, dat wil zeggen: ze snapten niet waarover het experiment ging. In dergelijke gevallen dient de familie om toestemming te worden gevraagd. Een persoonlijk begeleider van ťťn van de wilsonbekwame proefpersonen constateerde dat de onderzoeker haar protegť had overgehaald om een informed consent te tekenen waarin hij toestemming gaf voor deelname aan het onderzoek. Daartegen maakte ze tevergeefs bezwaar. Vervolgens lichtte ze haar superieuren en de familie van de cliŽnt in. Haar superieuren vonden deze handelswijze ontoelaatbaar: het onderzoek deugde en de hulpverlener diende zich te schikken. Vermoedelijk speelden hierbij de ambities van de promovendus en het prestige van het wetenschappelijk onderzoek voor de kliniek een rol. Daarna volgden gesprekken met de kliniek die de hulpverlener als vernederend ervoer. Haar superieuren logen haar voor dat niemand van haar collegaís nog met haar wilde werken. Ze concludeerden dat er bij de begeleider sprake was functionerings-problemen en dat een terugkomst in de kliniek onmogelijk zou zijn. Daarna legden ze haar een contract voor waarin zij akkoord ging met ontslag en een spreekverbod over de kwestie, op straffe van een torenhoge boete. Ze was inmiddels overspannen en niet meer tegen de intimidaties opgewassen. Ze ondertekende het contract.
In 2015 deed het tv-actualiteitsprogramma Zembla onderzoek naar de zaak. Daarin kwamen diverse deskundigen aan het woord die de ontslagen begeleider in het gelijk stelden. Hoewel meer hulpverleners kritiek op het reilen en zeilen binnen de kliniek hadden, durfde niemand openlijk met Zembla te praten: dat verbood de kliniek op straffe van ontslag.

Rietveld, S. BNNVARA, Zembla. (2015, 15 april). Experimenteren met patiŽnten.


Angstcultuur (2017). Ruim twintig (oud)medewerkers van de ggz-instelling Pro Persona wendden zich in 2017 met klachten over de instelling tot de regionale krant De Gelderlander omdat ze intern tegen een muur opliepen. Dat deden ze anoniem, uit angst voor verlies van hun baan. De betrokkenen spraken van een angst-, klik- en afrekencultuur, een dictatoriale wijze van leidinggeven, verdeel- en heerspolitiek, onderling wantrouwen en getreiter. Dat leidde volgens hen onder meer tot een oplopend ziekteverzuim, ontslag uit onvrede met het werk en op de werkvloer opgelopen trauma's.

Bolwerk. P. (2017, 18 november). Angstcultuur bij Pro Persona: 'Doel heiligt voor managers de middelen'. De Gelderlander.


Onder druk gezet om beroepsgeheim te schenden (2018). Hulpverleners waren jarenlang verplicht om de gegevens over de behandeling door te geven aan zorgverzekeraars. Wie dat niet deed, zou voor de verleende hulp geen vergoeding krijgen. Een psychiater, die tot 2018 werkzaam was bij Arkin GGZ Amsterdam, vertelde in de Volkskrant dat de directie dreigde met ontslag als ze hierover met haar cliŽnten zou spreken of de zaak publiekelijk zou aanvechten. Ze verliet Arkin en begon een eigen praktijk. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft inmiddels verklaard dat de gegevensverzameling door de zorgverzekeraar illegaal is.

Mesters, B. (2021, 17 april). Maak het land beter met een nationaal zorgfonds. De Volkskrant.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

C. Een klein rechtbankdrama

Tot mijn favoriete films behoren de rechtbankdrama's A few good men, The insider, Runaway jury, The Rainmaker en Erin Brockovich. In alle vijf films neemt een eenling of een kleine groep mensen het in een rechtszaak met succes op tegen een machtige organisatie zoals het leger, een verzekeringsmaatschappij of de tabaksindustrie. Met de Riagg Zuidoost vocht ik mijn eigen kleine rechtbankdrama uit.

 

Karaktermoord  

Nadat ik had geweigerd de schikking te ondertekenen, wendde de directeur zich uit naam van een uitgedund management tot de kantonrechter met een ontslagverzoek. Dat deed ze nadat ik haar had laten weten dat ik wegens vakantie tijdelijk onbereikbaar was. De dag na mijn vertrek stuurde ze haar  ontbindingsverzoek naar het kantongerecht. Na mijn vakantie zouden mijn juridisch adviseur en ik wegens tijdnood met de handen in het haar hebben gezeten, ware het niet dat het belangrijkste materiaal voor een verweerschrift al gereed lag in de vorm van mijn rapport Gebroken baan (zie: Tassen vol verweer).

"Gewichtige en dringende redenen voor ontslag" 
Toen ik thuiskwam, trof ik bij de post een kopie van het verzoekschrift aan. Het verzoekschrift bevatte een lange reeks van onbewijsbare valse beschuldigingen die tezamen een karaktermoord vormden. Er zou niet alleen sprake zijn van "gewichtige" maar ook van "dringende redenen" voor ontslag. "Dringende" redenen waren volgens het Burgerlijk Wetboek anno 1993 redenen voor ontslag op staande voet zoals mishandeling, diefstal, fraude of onzedelijk gedrag waarvoor de betrokkene vervolgd kan worden en een strafblad riskeert. De Riagg vermeldde niet welke die "dringende redenen" waren. Alsof ze de kantonrechter om de tuin kon leiden. Als "gewichtige redenen" voerde de Riagg aan dat er sprake was van ernstige functioneringsproblemen die al vanaf het begin van mijn aanstelling zouden hebben bestaan.*

Een paar voorbeelden:
De rotte appel in de mand.
De Riagg Zuidoost zou een goedlopende organisatie met bekwame en integere medewerkers zijn. Ik was de rotte appel in de mand. 
Querulant.
Ik zou een hardnekkige ruziezoeker zijn die niet in staat was inhoudelijk van gedachten te wisselen. 
Eigenmachtig.
Ik zou niet in staat zijn tot samenwerking met mijn collega-afdelingshoofden en eigenmachtig beslissingen nemen.
Onverantwoordelijk.
Ik zou zonder enige vorm van overleg plotsklaps uit de lichaamsbewustzijnscursus voor vrouwen zijn gestapt en mij aldus onverantwoordelijk tegenover de cliŽnten hebben gedragen en hen daarmee hebben geschaad.
"De mantel der liefde."
Als aanvullend bewijs voor mijn functionerings-problemen bevatte het verzoekschrift notities van de directeur van een "telefonisch interview" met de vorige directeur Ė de man die vond dat ik dat ik in de organisatie "schizofreen moest leren denken" en dat ik er zelf om had gevraagd om door een volstrekt vreemde te worden geslagen. De notitie, die de vorige directeur overigens niet had ondertekend, was een opeenstapeling van verdachtmakingen over mijn vermeende wangedrag die hij steeds "met de mantel der liefde" zou hebben bedekt.

De aap komt uit de mouw: integriteit is verraad
In Gebroken Baan had ik een aantal valse beschuldigingen al voorzien. Eťn aantijging verraste mij echter: ik zou in december 1992 eenzijdig het vertrouwen in de directeur zou hebben opgezegd. Daaraan had ik de consequentie moeten verbinden om ontslag te nemen. Anno 2021 zou men in de geest van het Haagse kabinet zeggen dat ik een "functie elders" had moeten zoeken. Wat was hier aan de hand? Na raadpleging van mijn werkagenda zag ik dat ik in de betreffende maand had geweigerd  om met dubieuze manoeuvres van de directeur mee te gaan: ik had niet op haar voorstel willen ingaan om in het geheim, achter ieders rug om, in mijn afdeling een baantje voor het interim-hoofd Sociale Psychiatrie te creŽren zodat hij na afloop van zijn interim-periode in de Riagg zou kunnen blijven. Kennelijk had de directeur het onverdraaglijk gevonden dat ik - als ondergeschikte - haar op een ondemocratische handelswijze had gewezen en had ze mijn integriteit opgevat als verraad. 

 

Vrij naar een foto van Bart Maat dd 25 maart 2021. Op die foto staat demissionair minister en verkenner voor een nieuw kabinet Kajsa Ollongren met onder haar arm een vertrouwelijke document waarop ingezoomd te lezen is: "Positie Omtzigt, functie elders". Hierover ontstond een politieke rel. Pieter Omtzigt is een kritisch kamerlid dat niet aflatend opkwam voor de gedupeerden in het kindertoeslagschandaal waarbij 48.000 ouders door de overheid groot onrecht is aangedaan.

 

Gedeelde wrok

De directeur en mijn collega-afdelingshoofd Psychotherapie hadden elkaar gevonden in hun gedeelde wrok jegens mij, zo concludeerde ik ten slotte: de eerste wegens mijn weigering haar mee te gaan met haar poging tot corruptie, de tweede wegens mijn weigering akkoord te gaan met zijn rassendiscriminatie. Beiden hadden steun gevonden bij mijn collega-afdelingshoofd Jeugdzorg die kwaad op mij was wegens mijn weigering me als zijn ondergeschikte op te stellen en bij het vrouwenteam dat nog een appeltje met mij had te schillen wegens mijn weigering in te stemmen met hun vernederende gedrag jegens cliŽnten.


Er klopt slechts ťťn aanklacht 


De enige aanklacht in het verzoekschrift aan de rechter die klopte, was dat ik had geweigerd gehoor te geven aan de opdracht om het manuscript over de ramphulpverlening in te trekken. Dat ik het stuk kort na inzending alsnog had ingetrokken, vermeldde de Riagg niet. 

* Verzoekschrift ex Art. 7A B.W. van het Rechtskundig Organisatie Adviesbureau Amsterdam (ROA), gemachtigde Riagg Zuidoost, aan het Kantongerecht van Amsterdam dd 6-7-1993, zaaknummer EA-93-2170.

 

              GeÔnspireerd op het schilderij The amorphic cabinet uit 1936 van Salvador Dali

 

Waarheid

In 399 voor Christus werd de filosoof Socrates in Athene ter dood veroordeeld omdat zijn opvattingen niet strookten met die van de staat. Voordat hij werd gedwongen de gifbeker te drinken, hield hij een pleidooi voor de rechtbank om zichzelf te verdedigen. Dit beroemd geworden pleidooi is door zijn leerling Plato opgetekend als Socratesí verdediging. Hieronder een citaat uit dit pleidooi:

"Daar hebt u de waarheid, mannen van Athene. Ik spreek zonder ook maar het geringste voor u te verbergen of een blad voor de mond te nemen. Toch weet ik bijna zeker dat ik me juist daardoor gehaat maak, wat tegelijk een bewijs is dat ik de waarheid spreek en dat dit is wat mij kwalijk wordt genomen."

 

Schandpaal

Met haar verzoekschrift stuurde de Riagg aan op een verwijtbaar ontslag en een blijvende imagoschade. Als de kantonrechter daarin mee zou gaan, had ik geen inkomsten en was ik als psycholoog en gedragstherapeut uitgerangeerd. De directeur was er onmiskenbaar op uit mij aan de schandpaal te nagelen. Maar ik heb nooit dan ook maar een moment schaamte gevoeld. Integendeel. Want het was voor mij vanzelfsprekend om niet voor de tirannie te zwichten.

 

"Een minderheid van ťťn persoon"

Na het vrouwenteam en het managementteam keerden nu ook mijn collega's in de afdeling Preventie, Innovatie & Onderzoek zich tegen mij: ze waren niet bereid om op mijn verzoek in te gaan om voor de kantonrechter gezamenlijk een schriftelijke verklaring ten gunste van mij op te stellen.
Omwille van onze jarenlange vriendschappelijke samenwerking verzocht ik mijn kamergenoot ter elfde ure persoonlijk een ontlastende brief te schrijven. Het werden een paar plichtmatige zinnen: tijdens mijn aanstelling waren er tussen haar en mij geen problemen geweest. In het briefje ontbrak iedere vorm van protest tegen de valse beschuldigingen en het onredelijke publicatieverbod van mijn tekst over de ramphulpverlening; een tekst die haar instemming had gehad.
Ik had me in de Riagg steeds onafhankelijk opgesteld. Ik bleef de toeschouwer. Probeerde hachelijke situaties telkens weer te doorgronden. Me eruit los te maken. Ik had de medewerkers in mijn afdeling aangemoedigd dat ook te doen; om hun idealen trouw te blijven en zich niet te conformeren aan de dominante Riagg-cultuur. Maar ik was nog niet weg of zij onderwierpen zich aan het systeem. Van de "kleine oase temidden van de verder chaotische en hopeloze jungle"' - zoals de organisatieadviseur mijn afdeling had genoemd - was niets meer over. 

Ik was in de organisatie - in termen van George Orwells roman 1984 - "een minderheid van ťťn persoon". 


 

Loopbaan
GeÔnspireerd op Goya' schilderij La romeria de San Isodoro

                                             

Niets op het spel durven zetten

Een illustratie van hoe in de Riagg Zuidoost eigenbelang en onderwerping aan het gezag boven de zorg van de cliŽnten ging, zag ik jaren later, na de publicatie van mijn boek Niet storen in 1997. 
Voor De Groene Amsterdammer was de verschijning van het boek aanleiding om in de een hoofdartikel aan de Riaggís te wijden.* Het blad vroeg een aantal professionals naar hun reactie op Niet storen. Een psychiater van de Riagg Zuidoost liet weten de door mij aangesneden themaís te herkennen. Hij beaamde dat er in de Riaggís geen reflectie op het werk bestond, dat de beoogde interdisciplinaire samenwerking in de Riagg's was mislukt en besluitvormingsstructuren onhelder waren. Ook onderschreef hij mijn observatie dat er in de Riagg geen intellectuele traditie bestond en dat de hoofden die boven het maaiveld uitkwamen eraf moesten. Ten slotte bevestigde hij dat de Riagg een gesloten instituut was dat weinig deed met kritiek. 
Dat was stevig commentaar. Die had ik in mijn Riagg-tijd echter nooit van hem gehoord. Maar toen ik in De Groene Amsterdammer las dat hij op het punt stond uit Riagg Zuidoost te vertrekken, begreep ik dat hij zich jarenlang had gevoegd naar de zwijgcultuur in de Riagg. Pas bij wisseling van baan en met steun van een opinieblad, toen er niets meer op het spel stond, was hij in staat zijn zwijgen over een aantal misstanden in de Riaggís te doorbreken.

*De Groene Amsterdammer, Riaggnose, 14 mei 1997

 

De loyaliteit onder collega's gaat ver

Wat doet een hulpverlener als een collega zijn boekje te buiten gaat? Een enquÍte in 1994 onder psychologen leerde dat hulpverleners niet zo heldhaftig zijn: als er over een bepaalde collega drie maal het verhaal was gehoord dat deze jegens cliŽnten seksuele avances maakte, nam vrijwel niemand directe stappen. "Het zijn toch je collegaís?Ē Solidariteit is het motto. Niemand wil een matennaaier zijn. 
De Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) schrapten anno 1994 de meldingsplicht bij overtreding van de beroepscodes uit hun reglement: aan nestbevuiling doen we niet.

Bron:
Onder collegaís. Dilemmaís rond een mogelijke meldingsplicht.
Leo de Nobel (van 1986 tot 1997 directeur van het Nederlands Psychoanalytisch Instituut, NPI) in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid 49, 931-948 (1994)

 

Loyaliteit

 

Verweer

Natuurlijk was het niet mijn bedoeling om in de Riagg Zuidoost te blijven werken. Maar ik wilde weg onder voor mij zo gunstig mogelijke voorwaarden. Samen met mijn juridische adviseuralle zette ik alle zeilen bij om een verwijtbaar ontslag te voorkůmen. In slechts een paar weken tijd ontzenuwden we de leugens van de Riagg in een goed onderbouwd verweerschrift waarin we het tegendeel van een disfunctioneren aantoonden. Mijn eerder geschreven rapport Gebroken baan lag immers al kant en klaar. We voegden het rapport als bijlage aan het verweerschrift toe. In het verweerschrift zelf verwezen we daar steeds naar. Verder sloten we als bijlagen kritische vakliteratuur over de Riagg's bij. 

We leverden ook andere bewijzen van de verziekte sfeer in de Riagg Zuidoost waaronder de excuusbrief aan mij van het afdelingshoofd Jeugdzorg/ plaatsvervangend hoofd Sociale Psychiatrie nadat hij mij had geschoffeerd. De verzoenende briefwisseling tussen mij en de voormalige psychiater in het vrouwenteam leverde bewijs dat ik bij meningsverschillen wel degelijk inhoudelijk argumenteerde en niet Ė zoals de Riagg beweerde Ė steevast in de aanval ging. Ook sloten we brieven van zeven voormalige collega's en werkgevers bij die verklaarden op prettige en constructieve wijze met mij te hebben samengewerkt en mij als een bekwaam therapeut en integer wetenschapper met tact en sociale vaardigheden te beschouwden.* 

Het zou overigens merkwaardig zijn geweest wanneer de Riagg zich in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid zou hebben laten vertegenwoordigen door een werknemer die al van meet af aan beneden alle peil functioneerde en bovendien het vertrouwen in de directeur had opgezegd - de verkeerde keuze bij uitstek. 

* Verweerschrift ex Art.7A B.W. van ARAG Rechtsbijstand, gemachtigde van Saar Roelofs, aan het Kantongerecht te Amsterdam dd 28-7-1993, zaaknummer EA-93-2170.

 

Bedrog en dreigement

Ik verzocht het voormalig interim-afdelingshoofd Sociale Psychiatrie om bij de kantonrechter mondeling een positieve verklaring over mijn functioneren in de Riagg af te leggen. Toen hij hierover contact met de directeur opnam, maakte deze hem wijs dat het verzoekschrift geen functioneringsproblemen behandelde maar verschillen van mening over de het psychiatrische handboek DSM. Aldus bediende de directeur zich opnieuw van bedrog om een tegenstander uit te schakelen (zie "Levendig en herkenbaar"). Verder loog ze hem voor dat ze zonder juridisch adviseur en getuigen bij de kantonrechter zou verschijnen. Als hij van plan was zich ten gunste van mij uit te spreken dan zou zij met jurist en meerdere getuigen ter terechtzitting verschijnen en zou hij tegenover zijn voormalig collegaís komen te staan. Na dit dreigement zag mijn ex-collega van een mondelinge verklaring af.
Wel was hij bereid tot een schriftelijke verklaring voor de kantonrechter waarin hij te kennen gaf dat hij mijn inbreng in het centrale management als betrokken en constructief had ervaren, dat ik na de Bijlmervliegramp een substantiŽle en constructieve bijdrage had geleverd aan organisatie, hulpverlening en onderzoek, dat ik over een sterk gevoel voor rechtvaardigheid beschikte en dat hij goed met mij had samengewerkt. Wegens vakanties ontving de brief te laat om nog aan mijn verweerschrift toe te kunnen voegen.

 

De terechtzitting

De terechtzitting waarin het verzoekschrift van de Riagg Zuidoost om het arbeidscontract met mij te ontbinden werd behandeld, vond plaats in een klein, grijs lokaaltje in het kantongerecht van Amsterdam. Er stonden twee rijen met tafels en stoelen. In de linkerrij zaten de directeur, haar juridisch adviseur en het afdelingshoofd Psychotherapie. In de rechter rij zaten ikzelf, mijn juridisch adviseur en mijn echtgenoot. Tegenover de twee rijen zaten op een verhoging de (vrouwelijke) kantonrechter en haar griffier. Het geheel maakt de indruk van een schoolklasje met een paar nablijvers. Naast mij in het middenpad zette ik twee vuistdikke ordners met de 131 bronnen die bij Gebroken Baan hoorden. Toen de rechter vroeg wat dat was, legde ik uit dat het ging om bewijsmateriaal. 

 

"Opdracht is opdracht"

De rechter gaf eerst het woord aan de Riagg in de linkerrij. Daarop hield de jurist van de Riagg een gedreven pleidooi van vijf A-viertjes waarin ik nog verder in diskrediet werd gebracht.* Zijn voordracht was expressief, met brede gebaren en pregnante stiltes, alsof het om een halsmisdrijf ging.

*Pleitnotitie Rechtskundig Organisatie Adviesbureau Amsterdam (ROA), gemachtigde Riagg Zuidoost, dd 6-8-1993, behorend bij het verzoekschrift van de Riagg Zuidoost  aan het Kantongerecht van Amsterdam, zaaknummer EA-93-2170.

 

Cicero was een Romeins redenaar en politicus (106-43 v.Chr.) die bekend staat om zijn hoogdravende retoriek. Zijn belangrijkste redevoering Tegen Catilina begint aldus: "Hoe lang nog, Catilina, zult ge misbruik maken van ons geduld?" 

 

Hij betoogde nog eens met hoeveel consideratie de werknemers van de Riagg Zuidoost mij Ė ondanks mijn permanente wangedrag Ė steeds hadden behandeld. Dat bleek onder meer uit zowel de brief van de psychiater van het vrouwenteam als de excuusbrief van het afdelingshoofd Jeugdzorg/Sociale Psychiatrie, waarnaar ik in mijn verweerschrift verwees: die brieven waren bedoeld om mij te sussen omdat er anders geen land met mij te bezeilen zou zijn geweest. Ook beweerde hij dat de kritische vakliteratuur over de ggz "goedkoop en versleten" was en "getuigde van vooroordeel". Die literatuur was kortom "borrelpraat". Verder bracht hij ter sprake dat ik cartoons over de Riagg had gemaakt. "Goed van haar", zei de rechter. De jurist was echter niet te stuiten. Hij hekelde de prenten alsof het een zwaar vergrijp betrof. Daarop overhandigde hij de rechter een ringband met kopieŽn van de cartoons."Goed van haar", zei de rechter en  maakte tegelijkertijd een afwerend gebaar.
Voorts ging de jurist in op mijn opmerking in Gebroken Baan dat de afdelingshoofden Psychotherapie en Jeugdzorg kort na de ramp met vakantie waren gegaan: "Ronduit grof wordt verweerster in die passages waarin zij de inzet van collega's ten tijde van de Bijlmervliegramp betwijfelt."  
Last but not least wees hij erop dat ik mij niet aan de regel 'opdracht is opdracht' hield, terwijl het mijn plicht was mij te schikken naar het vastgestelde beleid, zelfs al druiste dat regelrecht in tegen mijn gevoel van rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. 

Bij de formulering "opdracht is opdracht" had ik onaangename associaties. In deze visie ontslaat een bevel van hogerhand een ondergeschikte van iedere morele autonomie. Een ondergeschikte dient zich te onderwerpen en wordt aldus - in termen van de beroemde onderzoeker Stanley Milgram - "instrument van het gezag". In mijn visie, echter, is het doen van onrecht ook onrecht als dat door de top wordt afgedwongen. 


"Substituutgeweten"

Welke verregaande consequenties het opgeven van het zelfstandig denken kan hebben, laten de wereldberoemde gehoorzaamheids-experimenten van sociaal psycholoog Stanley Milgram (1933-1984), zien. De in 1961 uitgevoerde experimenten Ė en ook replicaties uit 2008 Ė tonen aan dat onder druk van een gezagspersoon 65% van de proefpersonen bereid is anderen een dodelijke stroomstoot toe te dienen. In zijn boek Obedience to Authority (1974) zegt Milgram hierover het volgende:

Het individu dat zich voegt naar het gezag vervreemdt van zijn eigen handelen. Hij of zij wordt het verlengde van een gezagspersoon. Milgram noemt dat: 'instrument van het gezag zijn'. Instrument zijn, is zeggen: "Ik doe alleen mijn werk", "Ik heb de regels niet gemaakt", "Ik voer alleen opdrachten uit". Dat gebeurt volgens hem in alle beroepen Ė van secretariaatsmedewerker en ambtenaar tot wetenschapper en kunstenaar. Volgens Milgram heeft de mens echter altijd een keuze. Maar als je eenmaal de rol van instrument hebt aangenomen, is er bijna geen weg terug. Het gevolg is mensen het eigen geweten uitschakelen en een substituutgeweten creŽren. Het experiment heeft ons iets geleerd, aldus Milgram. Niet over kwaad, niet over agressie maar over de kneedbaarheid van de menselijke natuur.

Milgram, S. (1974) Obedience to Authority: An Experimental View. London: Tavistock Publications.

 

De jurist sloot zijn pleidooi af met de opmerking dat er door mij veel schade aan de Riagg Zuidoost was toegebracht en dat van het toekennen van een schadevergoeding door de rechter aan mij dus geen sprake kon zijn.
Na zijn betoog legde hij een stapel A-4tjes op de hoge tafel van de rechter. Dat was, zo zei hij, een bloemlezing waarin alle onwaarheden in mijn rapport Gebroken Baan stuk voor stuk werden ontkracht. Hij stond erop dat de rechter de bloemlezing in haar beoordeling meenam. De rechter schoof de stapel echter bruusk van zich af.

 

GeÔnspireerd op de ets van Goya Disparate ridiculo (Belachelijke dwaasheid) uit diens serie Los Disparates (Dwaasheden). In die ets verbeeldt Goya het Spaanse spreekwoord "Tussen de takken zitten", hetgeen "onzin praten" betekent.

 

Het verbaasde mij dat de Riagg steeds weer nieuwe leugens wist te verzinnen. Als ik het lange pleidooi en de "bloemlezing" van de jurist aan de hand van bewijsmateriaal, dat ik in overvloed bezat, zou ontzenuwen, zou ik ongetwijfeld opnieuw worden bedolven onder een stortvloed van leugens. 


Een komische wending

Maar toen gebeurde er iets onverwachts: directeur en afdelingshoofd Psychotherapie werden plotseling bevangen door een vlaag van eerlijkheid, waarmee ze hun eigen verzoekschrift en het vurige betoog van hun jurist compleet ondergroeven, hetgeen de zitting een komische wending gaf.

Toen de rechter het afdelingshoofd vroeg wat hij van mijn beschuldiging vond dat hij zich na de Bijlmerramp onvoldoende zou hebben ingezet, antwoordde hij dat hij daags na de ramp inderdaad met vakantie was gegaan. De directeur vulde aan dat zij het hem, evenals het hoofd Jeugdzorg, had verzocht hun na de ramp geplande herfstvakantie niet te annuleren en hen zelfs met vakantie had gestuurd.  
Vervolgens vroeg de rechter aan de directeur om de aard van mijn functioneringsproblemen nog eens nader toe te lichten. Daarop verklaarde de directeur dat ik in de maanden na de ramp zeer hulpvaardig was geweest, dat ik mijn vertrouwen in haar niet had opgezegd en dat de vermeende functioneringsproblemen pas in het eerste kwartaal van 1993 waren begonnen. Vanaf dat moment was ik onhandelbaar. Voorts had ik geen gehoor gegeven aan een strikte dienstopdracht om mijn artikel in te trekken. Op dat ogenblik onderbrak de rechter haar korzelig: "Ze heeft het artikel toch ingetrokken?!" Daarop zweeg de directeur.

Tegen het feit dat de functioneringsproblemen in het eerste kwartaal van 1993 waren begonnen, had ik mij overigens -
gesteund door bewijs - als volgt kunnen verweren. De eerste drie weken van januari was ik met vakantie. Eind januari kreeg ik het verzoek een artikel over de ramphulpverlening te schrijven waarvoor ik vrijstelling van al mijn overige werkzaamheden kreeg. De "functioneringsproblemen" begonnen dus toen ik mij in de managementvergadering op 23 maart 1993 verzette tegen de rassendiscriminatie en daags daarop tegen de ongerijmde publicatieverbod van mijn manuscript. Een paar weken later zette de directeur mij op non-actief en startte zij de ontslagprocedure.

 

Als bange kinderen in een schoolbank

Waar kwam die plotselinge vlaag van eerlijkheid vandaan? Mijns inziens speelde hier het thema autoriteit een rol. De directeur vond dat ondergeschikten zich zonder meer aan hun superieuren moesten onderwerpen, want Ė zoals haar juridisch adviseur in zijn pleidooi het zei Ė "opdracht is opdracht". Zelf onderwierp de directeur zich ook aan het gezag, in casu aan de in toga geklede rechter. De rechter was nogal nors. Tegenover deze gezagsdrager stelden de directeur en het afdelingshoofd Psychotherapie zich onderdanig op Ė als bange kinderen in een schoolbank. Zij durfden ter plekke niet meer te liegen. 

 

Apenrots (2)

Met andere woorden: de autoritaire inslag van de directeur en haar kompaan die had geleid tot de ontslagprocedure leek nu als een boemerang naar henzelf terug te keren. Ze draaiden 180 graden. (Zie hieronder een uitwerking van deze verklaring: Analyse: De angst voor de vrijheid.)

 

 

Slechts ťťn vraag. De enige vraag die de rechter mij stelde was waarom ik nog in de Riagg wilde blijven werken. Ik legde kort uit dat ik dat niet nastreefde maar ook geen verwijtbaar ontslag wilde riskeren. Verder vroeg ze mij niets. Kennelijk wist ze genoeg.

 

Het oordeel van de rechter: niet verwijtbaar gehandeld

In haar uitspraak stelde de kantonrechter voorop dat mijn inhoudelijk werk niet ter discussie stond. Ze ontbond het arbeidscontract per 1 september 1993. Als reden voerde ze aan dat er sprake was van "een blokkade in de communicatie" tussen de directeur en mijzelf. Ze legde de Riagg Zuidoost een ontslag-vergoeding van zeven maanden salaris op.* 
De uitspraak was gunstig voor mij: er was sprake van een eervol ontslag op basis van wat ook wel "onverenigbaarheid van karakters" wordt genoemd. De inhoudelijke kwaliteit van mijn werk stond buiten kijf, mijn vrijheid van meningsuiting werd niet beknot en ik had recht op WW plus een ruime ontslagvergoeding.

*Beschikking op het verzoekschrift van de Stichting Riagg Zuidoost, zaaknummer EA-93/2170, door mr. M.L. Tan, kantonrechter te Amsterdam, dd 11 augustus 1993.

 

Macht gaat boven zorg

Mijn ruim vier maanden op non-actief en betaald verlof, tezamen met de ontslagvergoeding die de rechter de Riagg oplegde, heeft de Riagg een som ten bedrage van bijna een jaarsalaris voor een middelmanager (drie dagen per week) gekost. Omgerekend naar 2021 is dat bijna Ä 40.000,=. Verder heeft de ontslagprocedure van de Riagg veel tijd en energie gevergd. De organisatie heeft dus kosten noch moeite gespaard om mij te elimineren teneinde haar wanbeleid Ė machtsmisbruik, rassendiscriminatie en censuur Ė ongehinderd in de doofpot te kunnen stoppen. Het geld en de energie die daarin werd gestoken, ging ten koste van de hulpverlening.

 

De medemenselijkheid is de grote verliezer

Ik had nu ongeveer vier maanden zo goed als geen bericht van de medewerkers uit mijn afdeling ontvangen. Ze hadden zich niet verzet tegen het machtsmisbruik, de rassendiscriminatie en de censuur, leken geloof te hechten aan de valse beschuldigingen en weigerden een gezamenlijke verklaring ten gunste van mij af te leggen. Aldus waren zij medeplichtig aan zowel het voortbestaan van de misstanden in de Riagg Zuidoost als aan mijn ontslag en de karaktermoord op mij.

Een paar dagen voor de terechtzitting hadden ze inzage gekregen in het verzoekschrift van de Riagg en mijn verweerschrift. Die inzage had de twee psychologen in mijn afdeling de ogen geopend: ze geloofden niet meer in de valse beschuldigingen. Na de terechtzitting schreven ze mij. De een liet weten dat de Riagg Zuidoost mij niet waard was. Verder meende ze dat voor mij "het beste was gebeurd" en dat het me zou helpen dat te accepteren. Ik was verbaasd dat iemand die zich maandenlang van mij had afgekeerd zich nu quasi therapeutisch over mij ontfermde. De tweede schreef dat de Riagg zich te schande had gemaakt. "Het is allemaal zo min dat ik me er als werknemer plaatsvervangend voor schaam." Hij had de strijd tussen de Riagg en mij echter als zinloos ervaren omdat er alleen sprake was van "verliezers": ikzelf had verloren omdat ik was ontslagen en de Riagg omdat die zich had misdragen. Volgens hem had de strijd niets opgeleverd. Kennelijk begreep hij niet dat het mij niet te doen was om het behoud van mijn baan of ander persoonlijke gewin, maar om ethische principes. Als er sprake was van verlies dan was medemenselijkheid de grote verliezer. Verder drukte hij mij op het hart dat ik zijn brief niet mocht gebruiken in mijn strijd met de Riagg, een strijd die toen overigens al gestreden was. Aldus werd mij opnieuw de mond gesnoerd. Dit keer door een medewerker van mijn afdeling. 
Van de medewerker
Registratie & Onderzoek in mijn afdeling, tevens mijn kamergenoot, met wie ik het steeds prima had kunnen vinden en die vierkant achter het verboden manuscript had gestaan, ontving ik taal noch teken. Totdat ze mij een half jaar na mijn ontslag schreef dat het met de afdeling "heel goed" ging. Wat was de betekenis van die boodschap? Het is goed dat jij weg bent? Tijdens de ontslagprocedure heb ik steeds de juiste keuzes gemaakt? 

Ik kwam tot de slotsom dat mijn voormalig collega-psychologen in de afdeling - ieder op zijn/haar eigen manier - met de feiten rond mijn ontslag in het reine wilden komen maar niet in staat waren de hand in eigen boezem te steken. De medewerker Registratie & Onderzoek draaide echter - zoals ook later bleek - met alle winden mee. 

 

Promotiekans

 


 

D. Het lot van de slachtoffers van de Bijlmerramp

De hierboven beschreven opstelling van de Riagg Zuidoost bleef niet zonder gevolgen voor de cliŽnten. Over het lot van de slachtoffers van de Bijlmerramp is het volgende bekend:

 

Vakkennis PTSS in Riagg Zuidoost was ontoereikend

De vakgroep Psychiatrie van het Academisch medisch Centrum (AMC) schreef in 1995 in een artikel dat anderhalf jaar na de Bijlmerramp nog 34% van de slachtoffers met een verwerkingsstoornis kampte terwijl het merendeel van de betrokkenen was behandeld. De onderzoekers concludeerden dat de behandelexpertise met betrekking tot de Post Traumatische Stress-stoornis in de Riagg Zuidoost ontoereikend was. 

Uchelen van J.J. en B.P.R. Gersons (1995b). De Bijlmermeer-vliegramp; een vervolgonderzoek naar de lange termijn psychische gevolgen en de nazorg bij getroffenen. AMC, Vakgroep Psychiatrie.

Zeven jaar na de ramp nog steeds veel slachtoffers met PTSS

In 1999 zou de Parlementaire EnquÍtecommissie Bijlmerramp in haar eindrapport Een beladen vlucht* constateren "dat de psychische nazorg op een aantal punten tekort is geschoten" en "dat er in 1998 nog zeker 100 mensen rondlopen met een Posttraumatisch Stress-stoornis en hieraan gerelateerde klachten, die een gevolg zijn van de Bijlmerramp".

*
Een beladen vlucht. Eindrapport Bijlmer EnquÍte. Sdu Uitgevers, Den Haag 1999

 

De Riagg na de Bijlmerramp anno 1999: herhaling van een falende hulpverlening?

Naar aanleiding van de Parlementaire EnquŤte Bijlmerramp stonden de slachtoffers van de ramp opnieuw in de publieke belangstelling. De Riagg Zuidoost, in 1998 onder de naam De Meren bestuurlijk gefuseerd met het psychiatrisch ziekenhuis Frederik van Eeden, stuurde in mei 1999 een brief plus folder aan alle betrokkenen bij de Bijlmerramp.* Daarin liet de instelling weten dat ze voornemens was in samenwerking met traumaspecialisten van het Academisch Medisch Centrum een behandelprogramma voor de rampslachtoffers op te zetten waarin aandacht zou worden besteed aan de Posttraumatische Stress-stoornis. Ogenschijnlijk was dit een lofwaardig streven. Zoals de bovenbeschreven ontwikkelingen in de Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp laten zien, viel hier wel een en ander op af te dingen. Immers, ook in oktober 1992, kort na de Bijlmerramp, werd door deze Riagg een speciaal behandelaanbod voor getraumatiseerden opgezet, die keer in samenwerking met traumaspecialisten van het Instituut voor Psychotrauma. Lang konden de cliŽnten daarvan niet profiteren: enkele maanden na de ramp werden de vernieuwingen in de hulpverlening met harde hand de kop ingedrukt. Het mag dan ook niet verbazen dat de Parlementaire EnquÍtecommissie in haar eindrapport concludeerde dat de psychische nazorg tekort was geschoten. Zeven jaar later zette de Riagg zich weer voor de getraumatiseerden in. 

De behandeling van een PTSS dient overigens onderdeel te zijn van standaardpakket van iedere instelling voor ggz. Sterker, de meeste cliŽnten in de ggz zoeken juist hulp voor de verwerking van schokkende of traumatische gebeurtenissen. De ggz komt dus eenvoudigweg haar verplichtingen na wanneer zij mensen met een PTSS behandelt. De opzet van een speciaal programma voor de rampslachtoffers en de inschakeling van externe traumaspecialisten zouden dus niet nodig hoeven zijn. Want zonder een behandelprogramma voor getraumatiseerde cliŽnten functioneert de ggz niet goed.

Hoelang zouden de rampslachtoffers in 1999 baat bij het hulpaanbod hebben gehad? Die vraag is gerechtvaardigd aangezien de behandeling van een PTSS ook heden nog steeds niet vanzelfsprekend is.

*Brief plus folder van de manager bedrijfsvoering van de De Meren aan de betrokkenen bij de Bijlmerramp dd 3 mei 1999.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

ANALYSE


Voor het gedrag van het management en mijn collega's in de Riagg Zuidoost heb ik hierboven al enkele verklaringen aangevoerd. Na mijn ontslag had ik de behoefte om dat gedrag in een breder psychologisch kader te plaatsten. Dat kader vond ik in de theorie
De angst voor de vrijheid van sociaal psycholoog, psychoanalyticus en filosoof Erich Fromm (1900-1980) en in de Cognitieve dissonantietheorie van sociaal psycholoog Leon Festinger (1919-1989). Beide theorieŽn hadden mij al sinds mijn studententijd geboeid. 


De angst voor de vrijheid

Ik herlas twee van Fromms boeken.* Mijns inziens zijn diens denkbeelden nog steeds actueel. Zijn theorie komt in het kort op het volgende neer.

De angst om alleen te staan. Centraal in de theorie staat de behoefte van een kind aan verbondenheid met anderen. De band met ouders of opvoeders biedt een vertrouwde context, zekerheid en houvast. De kans op verlating is de meest ernstige bedreiging van het kinderbestaan.**
Geleidelijk maakt het kind zich vrij van de controle door ouders of opvoeders. Maar die nieuw verworven vrijheid heeft een keerzijde: het kind wordt van zijn vertrouwde omgeving gescheiden. Dat roept gevoelens van eenzaamheid, machteloosheid, angst en onbeduidendheid op. Om daaraan te ontsnappen zoekt de opgroeiende Ė later volwassen Ė mens zekerheid en steun bij anderen. Hij of zij geeft zijn/haar onafhankelijkheid op en identificeert zich met bijvoorbeeld een groep, organisatie, superieur, machthebber, spirituele leider, ideologie of de publieke opinie. Als de angst om alleen te staan maar afneemt. Als je er maar bij hoort.

Autoriteit. Om aan de angst te ontsnappen, willen veel mensen deel uitmaken van een invloedrijk extern systeem. Personen die deze vluchtroute kiezen, nemen de normen van de autoriteit in hun geweten op. Zo worden ze bevrijd van verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en aldus van hun eenzaamheid: ze maken deel uit van een grotere kracht buiten zichzelf.

Onderdrukking. Het maakt dan niet uit of men zich veilig voelt door onderwerping aan of uitoefening van gezag omdat het ene niet zonder het andere bestaat: het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Aldus kunnen gevoelens van eenzaamheid en machteloosheid leiden tot de behoefte anderen aan zich te onderwerpen, van zich afhankelijk te maken, te exploiteren of te misbruiken. Vaak wordt dit gedrag gerationaliseerd: "Het is voor je eigen bestwil", "Ik ben zo aanzienlijk dat ik daartoe het recht heb." Lukt het niet de ander te onderwerpen, dan rest slechts eliminatie van de bedreiging die een onafhankelijk mens voor een onderdrukker is. 
De onderdrukker schikt zich op zijn of haar beurt weer naar een hoger gezag. Want hij/zij wil niet alleen slechts onderwerpen maar ook zelf deel uitmaken van een groter geheel buiten zichzelf.

Conformisme. Het meest voorkomende mechanisme om de angst af te weren is conformisme. De conformistische mens durft niet alleen te staan, geen afwijkende mening te hebben. Hij of zij wil hetzelfde doen en denken als andere mensen om zich heen en klampt zich vast aan het gezag van de publieke opinie.

Schijnoplossing. Op bewust niveau kan het individu zich nu veilig voelen. Maar onbewust beseft hij of zij dat zijn/haar identificatie met anderen, een groep, organisatie of de publieke opinie een schijnoplossing is. Dat hij/zij een hoge prijs voor die zekerheid betaalt: het opgeven van de eigen persoonlijkheid.

Creativiteit. Conformisme, overheersing en onderwerping zijn echter niet de enige manieren om aan angst en isolement te ontsnappen. Mensen kunnen ook verbondenheid met de wereld voelen zonder hun integriteit en persoonlijkheid op te geven, namelijk wanneer zij door eigen spontaan en creatief handelen met iets of iemand verbonden zijn. Onder creativiteit verstaat Fromm: iemands vermogen om vrij en onafhankelijk zijn of haar eigen krachten te gebruiken en zijn/haar capaciteiten tot bloei te laten komen. Daarbij dient de betrokkene niet alleen een doel na te streven maar ook het creatieve proces zelf te waarderen. Een dergelijke zelfverwerkelijking is nooit ondergeschikt aan doelstellingen van anderen. Verbondenheid met de wereld ontstaat wanneer de mens stoffelijke dingen creŽert, kunst en ideeŽn voortbrengt, een ander bemint of de natuur beleeft. Dan overstijgt een individu zichzelf zonder het 'eigen ik' op te geven.
De meeste mensen weten wel wat verbondenheid is, verlangen er ook naar en ervaren die incidenteel in momenten van geluk. Als ze genieten van de natuur en genegenheid voor een ander koesteren. Of als ze op basis van eigen denken en voelen een waarheid ontdekken.
"Niets vervult ons met meer trots en geluk dan te denken, voelen en zeggen wat oorspronkelijk en eigen is", aldus Fromm.*** 

* De angst voor de vrijheid. De vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme (1941). Utrecht: Bijleveld, 1952 en later.
De zelfstandige mens. Sociale karakterologie en psychologe der ethiek (1947). Utrecht: Bijleveld, 1955 en later.

** Wanneer er sprake is van negatieve jeugdervaringen kunnen de hierboven besproken overlevingsstrategieŽn de band met de opvoeders instandhouden.

*** In zijn theorie laat Fromm buiten beschouwing waarom de ene mens meer geneigd is tot dominantie en/of gehoorzaamheid en de andere meer tot creativiteit.


De cognitieve dissonantietheorie van Leon Festinger gaat over de manier waarop mensen omgaan met a) tegenstrijdige (dissonante) denkbeelden of overtuigingen (cognities) en b) handelingen die in strijd zijn met hun overtuigingen. Dissonantie ontstaat als het ene denkbeeld niet logisch voortvloeit uit het andere (a) of als een handeling niet in overeenstemming is met een overtuiging (b). Dissonantie roept ongemak of spanning op. Mensen willen die spanning graag verminderen. Dat doen ze door hun opvattingen onbewust met elkaar in overeenstemming te brengen (a) of door hun overtuigingen onbewust zodanig te veranderen dat die in overeenstemming zijn met hun daden (b). Want volgens Festinger hebben mensen behoefte aan een ordelijke wereld waarin alles klopt. Ze willen consequente, rationele wezens zijn. Wie A zegt moet ook B zeggen. Mensen kunnen dus - zonder dat zelf in de gaten te hebben - irrationele methoden gebruiken om een rationele wereld te scheppen.

Een onalledaags voorbeeld. In de jaren vijftig van de vorige eeuw beweerde een vrouw in Lake City regelmatig boodschappen van hogere wezens te ontvangen. De boodschappen waarschuwden haar voor een zondvloed die zich over het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent zou verspreiden. Dat zou gebeuren op 21 december 1956. Ze verzamelde op die dag een groep aanhangers om zich heen. Drie sociaal psychologen onder wie Leon Festinger sloten zich bij dit gevolg aan om van dichtbij te bestuderen wat er in de groep zou omgaan als de voorspelling niet uit zou komen. Dat zou namelijk een onaangename cognitieve dissonantie veroorzaken. Toen op de verwachtte datum de zondvloed uitbleef, kreeg het medium een boodschap door: de groep gelovigen had zoveel licht op aarde verspreid dat God de zondvloed had afgelast. Zo hield de groep zichzelf voor de gek teneinde haar wereldbeeld in stand te houden.

Een alledaags voorbeeld. Iemand koopt enthousiast een huis. Maar achteraf is hij of zij daar niet tevreden mee: de koopprijs was te hoog. Het aanvankelijke enthousiasme en de ontevredenheid achteraf zorgen voor een onprettige cognitieve dissonantie. De koper zal naar wegen zoeken om zijn/haar aankoop te rechtvaardigen. Hij/zij zal zichzelf bijvoorbeeld aanpraten dat de ligging van het huis uniek is of dat een ander huis van dezelfde prijs nooit zo goed geÔsoleerd kan zijn. Of de koper meent dat hij/zij een verstandig besluit heeft genomen omdat hij nu eenmaal een verstandig mens is.

Misstanden goedpraten. De behoefte aan consistentie kan ook minder onschuldige vormen aannemen dan het goedpraten van een slechte aankoop. Want volgens Festingers theorie zijn mensen soms ook geneigd om misstanden Ė bijvoorbeeld op hun werk of in hun relatie Ė goed te praten. Om een innerlijk conflict tot bedaren te brengen, zullen ze zichzelf ervan proberen te overtuigen dat handelingen die niet stroken met hun overtuiging niet zo erg en misschien zelfs de moeite waard zijn.

Een voorbeeld. Iemand voert op het werk een opdracht van zijn of haar superieur uit die strijdig is met zijn/haar overtuigingen over wat moreel aanvaardbaar is. De uitvoerder van de opdracht kan - zonder dat hij/zij dat zelf in de gaten heeft - positiever gaan denken over de motieven van de superieur. Daarmee gaat hij/zij tevens positiever over zijn of haar eigen handelen denken. En dat vermindert de spanning van de cognitieve dissonantie.

Moeras. Uit de theorie van Festinger kan men afleiden dat mensen stap voor stap tot gedrag kunnen komen dat ver van hun oorspronkelijke overtuigingen afstaat. Een eerste, kleine stap die niet met hun opvattingen strookt, is relatief gemakkelijk gezet. Het kost dan nog niet veel moeite om het ongemak van de dissonantie (onbewust) weg te redeneren. Dat maakt een tweede stap geen onoverkomelijke hindernis. Want als men de eerste stap heeft goedgepraat, begint men bij het zetten van een tweede stap als het ware met een schone lei. Het goedpraten van een tweede stap effent de weg naar een derde stap. Zo kan iemand geleidelijk in een moeras worden gezogen waarvan terugkeer schier onmogelijk is. Hij of zij kan alleen schoon schip maken door het eigen gedrag bewust te verwerpen. 

Verdoezelen van schuldgevoelens. In overeenstemming met Festingers theorie hebben mensen er vaak moeite mee om hun fouten toe te geven of schuld te bekennen. Want het besef een fout te hebben gemaakt, staat haaks op de overtuiging een rationeel en redelijk wezen te zijn.

Van fouten leren. Sociaal psycholoog Elliot Aronson (1932)**, een leerling van Festinger, benadrukt dat mensen, als ze willen groeien of niet steeds dezelfde fouten willen maken, bewust onder ogen moeten kunnen zien dat zij het soms mis hebben, ook al geeft dat spanning. In feite doen mensen dat ook vaak. Omdat het nuttig is en ze er wel bij varen. Dan zijn ze bereid de prijs van de spanning die cognitieve dissonantie oproept te betalen.

Dissonantie en zelfwaardering. Niet iedereen kan even gemakkelijk van zijn of haar fouten leren. Volgens sociaal psycholoog Claude Mason Steele (1946) hebben individuele verschillen te maken met de  mate waarin mensen in staat zijn tot zelfwaardering, als volgt.***
Dissonantie tussen iemands oorspronkelijke overtuigingen en feitelijke daden verlaagt zijn of haar zelfrespect. Om die reden pogen mensen hun overtuigingen onbewust zodanig te veranderen dat ze meer in overeenstemming zijn met hun daden. Mensen die over voldoende zelfwaardering beschikken, zijn echter beter in staat om de spanning van de dissonantie te verdragen. Ze kunnen een fout bewust onder ogen zien zonder dat hun zelfrespect keldert. Met andere woorden: ze hebben minder de neiging om gedrag dat niet strookt met hun overtuigingen goed te praten.

*Festinger, L. (1957). A theory of cognitive dissonance. Evanston, Illinois: RowPeterson & Company.

**Aronson, E. (1969). The theory of cognitive dissonance: A current perspective. In L. Berkowitz (Ed.) Advances in experimental social psychology, (Vol. 4) New York: Academic press.

*** Steele, C. M. (1988). The Psychology of Self-Affirmation: Sustaining the Integrity of the Self. In L. Berkowitz (Ed.), Advances in Experimental Social Psychology, Vol. 21 (pp. 261-302). New York: Academic Press.

 

 

Terug naar inhoudsopgave

 



De huiver van de vakbladen 2

Ik had de laaghartige aanval van de Riagg Zuidoost getrotseerd en was - na mijn vertrek in september 1993 - vrij alsnog een artikel over de metamorfose van de Riagg na de Bijlmerramp te publiceren. Aan mijn oorspronkelijke artikel voegde ik nu toe dat de vernieuwingen in de Riagg na de ramp slechts van tijdelijke aard waren geweest. Verder verwees ik nu naar enkele recente studies van het Trimbos-instituut over het ondermaatse functioneren van de Riagg's in het algemeen (bronnen). Het contrast met de positieve ontwikkelingen in de Riagg Zuidoost na de Bijlmerramp werd daardoor des te groter. Ik sloot af met een aanbeveling tot discussie over de Riagg-hulpverlening. 

Maandblad Geestelijke volksgezondheid

Ik stuurde het manuscript op naar het Maandblad Geestelijke volksgezondheid dat mijn observaties van de Riagg na de ramp eerder "levendig en herkenbaar" had genoemd. De hoofdredacteur draaide nu 180 graden. Hij wilde niet tot publicatie overgaan. De reden was, zo schreef hij mij, "dat bij rampen creativiteit en saamhorigheid extra worden aangesproken en de Anarchistische Mens meer kansen krijgt". Daar kon ik geen touw aan vastknopen. 

 

Miscalculatie
GeÔnspireerd op Portret van Paus Innocentius X van VelŠzquez

 

Als alternatief stelde hij voor dat ik "een egodocument" zou schrijven "van iemand die zich met enthousiasme in een instelling stortte en van een ijskoude kermis thuiskomt". Passages met vakliteratuur over de Riagg's of andere teksten over de Riagg-organisatie en -hulpverlening diende ik te schrappen. 
Het schrijven van een egodocument zonder achtergrondinformatie en analyses achtte ik echter niet zinvol. Daarmee reduceerde de redactie de door mij aangekaarte problemen in de hulpverlening tot een persoonlijk probleem en niet als een visie op de Riagg-hulpverlening. Bovendien drong ze mij een rol op: de redactie zag mij liever als slachtoffer dan als een onafhankelijke geest die een goed gefundeerde tekst over de Riagg's met meningen en conclusies had geschreven.

 

De Dubbeldenker
Vrij naar het beeld De denker van Rodin

'Dubbeldenker' is ontleend aan de term 'dubbeldenken' ('doublethink') uit de roman 1984 van George Orwell. 

 

De Psycholoog

Na de afwijzing door het Maandblad Geestelijk volksgezondheid stuurde ik het manuscript op naar het vakblad De Psycholoog, een uitgave van het NIP, het Nederlands Instituut van Psychologen. Het commentaar van de reviewers was zorgvuldig, opbouwend en stimulerend. Zij verzochten mij te verhelderen waarom ik de Riagg-hulpverlening kritiseer en moedigen mij aan een duidelijke conclusie te trekken. Het stuk zou worden geplaatst "als bijdrage aan de discussie over het functioneren van de Riagg-hulpverleningĒ. Maar ter elfde ure schrok de hoofdredacteur daarvoor terug. De reden - zo schreef hij mij - was dat de reviewers alleen hadden gekeken de stilistische aspecten van het manuscript en niet naar de inhoud. Geen geloofwaardig argument. Bovendien diskwalificeerde de hoofdredacteur daarmee medewerkers in eigen gelederen. Hijzelf vond mijn visie op de metamorfose na de Bijlmrerramp een persoonlijke kwestie die anderen niet zou aangaan. 

 

Niet serieus genomen

Aldus werd mijn bijdrage aan het debat over het functioneren van de ggz - evenals door de Riagg Zuidoost - door de vakbladen actief geblokkeerd. 
Ik herinnerde mij nu wat mijn studievriendin en voormalig redactielid van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid mij ooit had toevertrouwd:
dat de redactie van het blad geen boodschap had aan de mening van medewerkers van de afdelingen Innovatie & Onderzoek in Preventie over de hulpverlening. Ik acht het daarom niet uitgesloten dat er bij de redacties van de bovengenoemde bladen sprake was van angst; angst dat een opinie van een medewerker uit een alom geminachte afdeling die bovendien was ontslagen, door hun lezers niet serieus genomen zou worden. 

 

 

Daarnaast vroeg ik me af hoe lang de arm van de Riagg Zuidoost was. De Riagg had het Maandblad Geestelijke volksgezondheid immers eerder met een leugen benaderd om publicatie van mijn manuscript te blokkeren. 

 

Deviant

In 1994 hoorde ik voor het eerst van een nieuw tijdschrift met de titel Deviant - Tijdschrift tussen psychiatrie en maatschappij, dat zich zegt te richten op "allen die zich betrokken voelen bij de vernieuwing en democratisering van de geestelijke gezondheidszorg". Dat sprak mij aan. Ik stuurde het artikel zoals het na de revisie voor De Psycholoog was geworden ter publicatie op. De redactie wilde dat ik een minder wetenschappelijk idioom zou gebruiken. Hierin kon ik geen bezwaar zien en ik veranderde het artikel op de gewenste wijze. Na mijn revisie ontving ik geen enkel bericht meer tot twee dagen voorafgaande aan de deadline voor de drukker. Toen stuurde de redactie mij ter goedkeuring een door haarzelf compleet herschreven versie van mijn tekst. Ze gaf het de dwaze titel Een Riagg stort neer in de Bijlmer. In deze verminking herkende ik mijzelf allerminst: toon en taalgebruik waren dermate opruiend dat ik mij haastte het tijdschrift een aangetekende brief te sturen dat ik onder geen beding wilde dat het herschreven artikel zou worden geplaatst. 

 

Een ander geluid

Daarna stuurde ik het manuscript naar diverse instanties waaronder de Inspectie voor de gezondheidszorg, het Landelijke Instituut voor Gezondheidsbevordering en Preventie de en de Adviescommissie Levensbeschouwing van het Trimbos-instituut. De instanties noemden de tekst "interessant", "principieel" en "gewetensvol". Ze betreurden het dat het stuk niet als artikel werd gepubliceerd omdat het een interessante discussie over de geestelijke gezondheidszorg op gang zou kunnen brengen

 

Een ongemakkelijke waarheid

Hieronder beschrijf ik een voorval dat aansluit op de boven beschreven huiver van de vakbladen maar dat pas plaatsvond na de publicatie van mijn boek Niet storen in 1997.

Naar aanleiding van Niet storen interviewde het Tijdschrift Gezondheidsvoorlichting (TGV) mij over de functie van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek in de Riagg's. Vlak voor de beoogde publicatie deinsde de hoofdredacteur echter voor plaatsing van het interview terug. Ik zou de vernieuwers in de Riagg's tegen het hoofd stoten door erop te wijzen dat de samenwerking tussen de preventie- en behandelafdelingen moeizaam verloopt. Die moeizame relatie zou van jaren her dateren en de samenwerking zou tegenwoordig meestal buitengewoon succesvol zijn. Aldus poogde de hoofdredacteur de medewerkers van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek uit angst te behoeden voor een ongemakkelijke waarheid. Mijns inziens zou het beter zijn geweest om de feiten onder ogen te zien. Want wie blij is met een dode mus zit op een verkeerd spoor.

 

De teloorgang van de afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek

De geschiedenis toont dat preventie van psychische problemen in de ggz allerminst prioriteit had.

1992. Tijdens een conferentie in 1992 over ggz-preventie werd opgemerkt dat menig Riagg-directeur geen aandacht voor preventie heeft. Sterker, er vonden wel eens verschuivingen binnen de Riagg-budgetten plaats, waarbij het voor preventie bestemde geld voor heel andere zaken werd gebruikt. GGZ-preventie was verworden tot een containerbegrip waaronder van alles viel wat niet tot de behandeling behoorde. Om die redenen dreigde een exodus van preventiemedewerkers. (1)

1996. In een interview sprak bijzonder hoogleraar Preventie Clemens Hosman in 1996 over het alom aanwezige dedain ten opzichte van preventiewerkzaamheden. Hij wees erop dat de ggz-preventie door fusies in de knel kwam (2). 

1997. In een brief aan de Tweede Kamer wees de minister van VWS, 
Els Borst-Eilers, op de te geringe aandacht voor preventie in de ggz (3).

2013. In 2013 deed het Trimbos-instituut onderzoek naar de plaats van preventie in de ggz en concludeerde dat er binnen ggz-instellingen steeds minder plaats is voor aparte afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek en dat preventie-expertise aldus in rap tempo verdween (4).

In de ggz is er van preventie van psychische stoornissen uiteindelijk niet veel overgebleven. 

 


Noodsein: rode cijfers en lange wachtlijsten

2016-2018. Vanaf 2016 schreef GGZ Nederland brandbrieven naar de Tweede Kamer om aandacht voor de preventie van psychische stoornissen te vragen. De organisatie schreef dat preventie een verwaarloosd onderwerp is, terwijl er voldoende bewijs is dat preventie van psychische aandoeningen en verslaving loont. Voorkomen en Ďer vroeg bij zijní leidt tot minder arbeidsverzuim, schooluitval, overlast en criminaliteit. Bovendien vermindert preventie de zorgkosten. (5)

Deze brieven troffen hun doel niet. Want recent klinkt opnieuw een pleidooi voor preventie. 

2019. Volgens de adviesorganisatie KPMG in het rapport Healthcheck GGZ uit 2019 is een ware transformatie van de ggz onontkoombaar, wil ze financieel kunnen overleven. Doorgaan op de huidige voet is onmogelijk. Om uit de rode cijfers te komen beval de KPMG onder meer het volgende aan:
- Het leggen van de focus op gezondheid in plaats van op ziekte.
- Aandacht besteden aan preventie van psychische problematiek en het tijdig signaleren van problemen in de samenleving om zo in een vroeg stadium te kunnen ingrijpen (6).

2021. Demissionair staatssecretaris van VWS, Paul Blokhuis, vond in 2021 dat preventie structureel in de ggz moet worden opgenomen (7).

2021. Vanwege de lange wachtlijsten en het personeelstekort in de ggz was de directeur van de Nederlandse ggz, Veronique Esman, in 2021 van mening dat de ggz moet samenwerken met onder meer huisartsen, gemeenten en onderwijsinstellingen om te voorkůmen dat psychische problemen verergeren (8).

Aldus wordt heden teruggegrepen op de werkzaamheden van de 
in de vorige eeuw in de ggz ondergewaardeerde en vervolgens opgeheven afdelingen Preventie, Innovatie & Onderzoek
.

______________

1. Senhorst, M.M.J. (1992). Rendement en financiering GGZ-preventie. Een verslag van een conferentie. Utrecht: Landelijk centrum GVO.

2. Langelaan, M.(1996). Preventie in de knel door fusies. Interview met hoogleraar Preventie Clemens Hosman Mentaal 6, p.18-19.

3. Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Els Borst-Eilers, aan de Tweede Kamer dd 24 juni 1997.

4. Ruiter, M. e.a. (2013). GGZ- en verslavingspreventie in het nieuwe zorglandschap. Trimbos-intsituut. 

5
. Hoek, J, van den (9 december 2016) en Esman-Peeters, V.J.W.C. (3 mei 2018). Brieven van GGZ Nederland aan de Tweede Kamer.

6. KPMG (2019). Healthcheck. Ontwikkelingen binnen de Healthcheck GGZ .

7. Discussienota Zorglandschap ggz. Paul Blokhuis, demissionair staatssecretaris VWS, 19 mei 2021.

8. TV-actualiteitenrubriek Eenvandaag, 3 augustus 2021. Interview met de directeur van de Nederlandse ggz, Veronique Esman.

 

Terug naar inhoudsopgave

 


 

recht van spreken


Een bonte baan

Mijn veelzijdige baan in de Riagg Zuidoost ó als afdelingshoofd, als deelnemer aan het centrale management en het vrouwenteam, als onderzoeker van cliŽntendossiers en als gesprekspartner van de vier overige Amsterdamse Riagg's ó, mijn noodgedwongen rol als toeschouwer en tot slot de ontwikkelingen in de Riagg na de Bijlmerramp gaven mij een verregaand inzicht in het functioneren van de ambulante ggz. In geen enkele andere positie had ik een dergelijk inzicht kunnen verwerven. Ik wilde echter niet meer in de ggz werken. Wel heb ik mijn inzichten vastgelegd in een serie nieuwe cartoons, twee boeken (1997 en 2008) en een e-Document (2020). 


Exposities cartoons

Expositie AMC. Na het fiasco met de vakbladen wijdde me aan de schilderkunst. Ook tekende een serie van 80 nieuwe cartoons over de Riagg's. Begin 1996 exposeerde ik zowel een reeks nieuwe schilderijen als de serie van 80 cartoons. De expositie van de cartoons vond plaats in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam onder de titel Toren van Babbel: de Riagg in beeld. Bij de expositie legde ik een stapel van het door de vakbladen geweigerde artikel die de bezoekers konden meenemen. De expositie werd druk bezocht en goed ontvangen. 

 

Toren van Babbel

De prent verwijst naar het schilderij Toren van Babel van Pieter Brueghel en de spreekwoordelijke Babylonische spraakverwarring.

 

Expositie Riagg Midden Holland. Een medewerker van de Riagg Midden Holland in Gouda haalde zijn directie over tot een expositie in zijn Riagg. Deze vond plaats in juni 1996. De tachtig prenten vulden hal, wachtkamers en gangen. Reacties in het gastenboek van zowel de Riagg-medewerkers als cliŽnten waren enthousiast. De telefoniste die in de hal getuige was van het commentaar van toeschouwers vertrouwde mij echter toe dat de hooggeschoolde psychotherapeuten meestal niets van de prenten begrepen.

Aankoop prenten. De hoofdopleider Postdoctorale Opleiding Psychotherapie voor Centraal Nederland kocht een tiental prenten aan om permanent tentoon te stellen. "Daar kunnen mijn collegaís nog wat van leren", meende hij. CliŽntenorganisatie Stichting Pandora liet weten: "Uw kritische noten komen overeen met vele cliŽntenervaringen". 

Verzoek om boek. Veel mensen spraken de hoop uit dat de prenten in boekvorm zouden verschijnen. Die gelegenheid deed zich voor toen een uitgever, die de expositie in het AMC had bezocht, mij vroeg er een tekst over de Riagg's bij te schrijven. Aanvankelijk had ik daar geen behoefte aan. Ik hield mij nu liever bezig met de schilderkunst. Maar het feit dat er teksten kant en klaar lagen Ė in de vorm van de aantekeningen die ik tijdens en na mijn Riagg-tijd had gemaakt, Gebroken Baan en het door de vakbladen geweigerde artikel Ė bracht mij aan het twijfelen. Bovendien regende het in 1995 en 1996 kritische publicaties over de Riagg's. Mijn echtgenoot gaf mij het laatste zetje door de eerste zinnen te schrijven:

"De Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, Riagg, is niet meer weg te denken uit de Nederlandse samenleving. Wie kent er niet iemand in zijn vrienden- of kennissenkring die bij de Riagg in behandeling is of er werkt? Zelfs in Madurodam staat sinds 1990 een Riaggje."

Toen sloeg de vonk erin. Dat resulteerde in maart 1997 in de publicatie van Niet storen - Een kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld. 

 

Inzicht in de ggz als insider

Ik betreurde de onzuivere opstelling van de Riagg Zuidoost en de afwijzing door de vakbladen. Maar uiteindelijk kreeg ik daardoor op onverwachte wijze recht van spreken: ik kon mijn vakkennis, observaties en inzichten omtrent de ambulante ggz als insider gedetailleerd vastleggen in een met cartoons geÔllustreerd boek dat voor velen herkenbaar zou zijn.

 

Publicaties over de ggz  

Niet storen - Een kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld biedt op toegankelijke wijze inzicht in de hulpverlening door de Riagg's en is voorzien van achtergrondinformatie en analyses. Ook komt de moeizame relatie tussen de behandelafdelingen en afdelingen Preventie, Innovatie en Onderzoek aan bod. Verder passeert het gebrek aan zelfreflectie in de Riagg's de revue. Met voorbeelden van effectieve behandelingsmethoden laat ik zien hoe het in de Riagg's  beter kan. Mijn eerder door de Riagg Zuidoost verboden tekst over de hulp na de Bijlmerramp nam ik  - aangevuld met een passage over de terugkeer naar de oude werkwijze - nu ongecensureerd in het boek op  
(zie De Riagg na de Bijlmerramp: een metamorfose).

Ik presenteerde Niet storen in een bomvolle zaal van boekhandel Scheltema in Amsterdam. Het boek deed veel stof opwaaien. Voor samenvatting en ontvangst: 
zie Niet storen.

Hulp aan in de ggz teleurgestelde cliŽnten
Nog tien jaar na de publicatie van Niet storen ontving ik reacties van in de ggz teleurgestelde cliŽnten die in het boek herkenning en erkenning vonden, hetgeen regelmatig tot therapeutische gesprekken leidde. 

Onder meer mijn ervaring met deze cliŽnten vormde een aanleiding om de pen weer ter hand te nemen en Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie (2008) te schrijven (geÔllustreerd met 68 cartoons). Het boek plaatst kritische kanttekeningen bij de Diagnose Behandel Combinatie (DBC), laat zien hoe de behandeling kan ontsporen door onopgeloste emotionele problemen van de hulpverlener en beschrijft hoe mensen in psychische nood - ook zonder hulpverlener - in staat zijn onvermoede innerlijke krachten aan te boren. Het boek kreeg positieve recensies. Voor samenvatting en ontvangst: zie Wie is er nu gek? 

Veel thema's uit Niet storen en Wie is er nu gek? zijn nog steeds actueel.

 

E-Document: Achter gesloten deuren
D
e bovenstaande tekst over mijn ervaringen in de Riagg Zuidoost en die met de vakpers vormt een compacte versie van het e-Document Achter gesloten deuren. Een kritische beschouwing over de ggz in heden en verleden. Ervaringen, analyses, achtergronden (mei 2020). A4 formaat, 189 pag. 
Het e-Document is onder meer opgenomen in de bibliotheek van Arkin GGZ Amsterdam (waarin de Riagg Zuidoost is opgegaan) en de Koninklijke Bibliotheek (KB). Op de website van de KB is h
et e-document als PDF te downloaden via de volgende link: http://toegang.kb.nl/dram/service/publication/urn:nbn:nl:kb-1591590603264/

 

Terug naar inhoudsopgave

   


 

info voor CliŽnten over wat wel/geen 
goede hulp is

Wat gebeurt er tussen de vier muren van de behandelkamers achter de gesloten deuren met het bordjes niet storen? Daarop is weinig controle mogelijk. Behalve de hulpverlener is er maar ťťn persoon die kan weten wat zich daar afspeelt. En dat is de cliŽnt. Het verdient dan ook aanbeveling (potentiŽle) cliŽnten middelen aan te reiken om te leren zien of ze bij een bepaalde hulpverlener al dan niet in goede handen zijn. Zij dienen zodanig geÔnformeerd te worden dat ze in staat zijn de hulpverleningsrelatie mede vorm te geven zodat die relatie een samenwerkingsrelatie wordt en niet eenzijdig door de hulpverlener wordt gedefinieerd.

Mijn boeken Niet storen (1997) en Wie is er nu gek? (2008), en het e-Document Achter gesloten deuren (2020) kunnen daarbij mogelijk van nut zijn: die geschriften informeren belangstellenden op een toegankelijke wijze over diagnostiek, hulpverleningsmethoden en de valkuilen van de hulpverlener. Wellicht kunnen ze mensen die in therapie zijn of gaan, sterken in het vertrouwen op hun eigen waarneming, visie en oordeelsvermogen.

Zie ook: Praktische info over de ggz hulp.

Aldus hoop ik een bijdrage te hebben geleverd aan de verbetering van de situatie van cliŽnten in de geestelijke gezondheidszorg zoals ik mij in de zomer van mijn vakantiebaantjes voornam.

 

Terug naar inhoudsopgave

 



33 van de 43 cartoons op deze pagina zijn niet
eerder gepubliceerd.

Op de tekst en de cartoons rusten auteursrechten

©
 Saar Roelofs, mei 2021 

 

 

Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Niet storen. Een kritische beschouwing over de Riagg 
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie

Nog altijd & Cement. Levensverhalen van Auschwitz-overlevenden
Tien componistenportretten in woord en beeld
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen

Praktische 
info over 
de ggz hulp

 CV  
Saar Roelofs

 

 

 


saar.roelofs@xs4all.nl 

© Partner Productions