|
Saar Roelofs
LEVENSVERHALEN
VAN
TWEE
|
|
In
2004 interviewde de auteur twee Auschwitz-overlevenden: Bill
(Sebil) Minco (1922-2006) die vierenhalf jaar concentratiekampen
overleefde en Ronnie Goldstein-van Cleef (1921-2008) die acht
maanden concentratiekampgevangene was.
De volgende vragen vormden hierbij
het uitgangspunt:
Nog Altijd, Ronnie Goldsteins relaas, is neergelegd in boekvorm (Ten Have, 2005). Lees hieronder een samenvatting. Ontvangst.
Cement, het levensverhaal van Bill Minco, is als een van de verhalen opgenomen in Keerpunt (Ten Have 2004). Lees hieronder het complete verhaal. Ontvangst.
De toon van de verhalen is verschillend. Ronnie vertelt levendig en heeft oog voor detail. Bill is naar binnen gekeerd en beschouwelijk.
|
|
Coverillustratie Spaar onze kinderen door Ronnie Goldstein-van Cleef
"Een verrassend boek, heel anders dan andere ooggetuigenverslagen over de Tweede Wereldoorlog. Ongelooflijk overtuigend. Saar Roelofs is een bijzonder goed schrijfster. Zij heeft de goede vragen gesteld. Er staat geen woord teveel in het boek." VPRO-radio OVT, 6 februari 2005. "Een boeiende biografie. Roelofs' opzet om over het hele leven van het kampslachtoffer te schrijven slaagt bijzonder goed en vormt ook echt een toevoeging aan de bestaande literatuur over dit onderwerp." Nieuw Israëlietisch Weekblad NIW, 13 mei 2005, Sara Polak. "Saar Roelofs vertelt het levensverhaal heel sober, met veel aandacht voor de psychologische gevolgen van kille jeugd en oorlogservaringen, waardoor het boek een grote zeggingskracht heeft." NBD/Biblion, Madelon de Swart. "Een
indrukwekkend levensverhaal." "Saar Roelofs has done an excellent job. While it's clear Ronnie's reporting is triggered by questions, the author never gets in the way." Judith van Praag. www.scoop.it/t/holocaust-holland?page=3 Saar Roelofs heeft goed gekeken, goed geluisterd. Ronnie ontroert de lezer en komt tot leven." Zinweb, Marga Haas. "Belangwekkend en waardevol. Psycholoog Saar Roelofs laat onder meer zien dat jeugdtrauma’s de verwerking van oorlogstrauma’s in de weg kunnen staan. Ook van historisch belang wegens de vele bijzondere details over de Tweede Wereldoorlog." Beoordeling op bol.com, 2005. "An important contribution." Brief van Yad Vashem, aan de auteur. Nog altijd is opgenomen in de National Library of Israel
|
Samenvatting van het boek
Van
mei tot oktober 2004 breng ik vele middagen door met Ronnie
Goldstein-van
Cleef (1921-2008).
De gesprekken nemen al snel een intensieve vorm aan. Geleidelijk
doemt een beeld op van een leven dat wordt gedomineerd
door zowel jeugd- als oorlogstrauma's. Ronnie's vergeefse
verlangen naar de liefde van haar moeder loopt als een rode draad
door de gesprekken. Ronnie wordt geboren in Amersfoort en groeit op in een welvarend liberaal joods gezin. Ze vertelt hoe ze zich door haar ouders verrwaarloosd voelt. Een jonger broertje en zusje op wie ze dol is en die beide gehandicapt zijn, sterven kort na elkaar op jonge leeftijd. Ronnie raakt geblokkeerd. Daarna probeerden mijn ouders nog iets van het leven te maken. Maar met elkaar. Niet samen met mij. (...) Niemand vroeg zich af: Wat is er met dat kind aan de hand? Ik creëerde een fantasiekameraad. Een oudere broer - ik meende dat ik hem Hans noemde - tegen wie ik alles kon zeggen (...) In die periode dacht ik vaak: ik wil niet meer leven. Als de oorlog uitbreekt, is Ronnie negentien jaar. Zij sluit zich aan bij een verzetsgroep in Den Haag waarnaar haar ouders inmiddels zijn verhuisd. De groep houdt zich voornamelijk bezig met het verzorgen van onderduikadressen en het vervalsen van peroonsbewijzen. Na drieënhalf jaar in het verzet wordt Ronnie verraden. In 1944 wordt zij via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd.
1941. Ronnie van Cleef en medeverzetsstrijder & vriend Kurt Heinz Reiner. Reiner wordt in 1943 verraden en overlijdt in 1944 in Auschwitz.
Arbeit. Ronnie
komt met haar landgenoten in de Hollandse barak. Het worden haar
"kampmoeders en -vriendinnen". Nog voor zonsopgang moeten ze op
appel staan. Daarna krijgen ze iets dat voor ontbijt doorgaat, een
bruin vocht, en moeten ze werken. Het werk bestaat uit stenen
sjouwen. Opstapelen, sjouwen, onder de poort Arbeit macht frei
door, een eind verderop neerleggen, weer opstapelen en terugbrengen.
Roodvonk. Na twee weken krijgt Ronnie
roodvonk en gaat ze naar de ziekenbarak. Om een selectie door
Mengele te ontlopen wordt ze door een vriendelijke Hongaarse arts,
Julika, heimelijk van de ziekenbarak naar de schurftbarak gebracht
waar Mengele kort tevoren al was geweest. Als er weer een selectie
ophanden is, stuurt Julika haar terug naar de Hollandse barak. Ik keek om mij heen en zag dat sommige vrouwen probeerden over het muurtje te klimmen. Maar de Aufseherinnen sloegen hen er steeds met hun zwepen vanaf. Ik wist me geen raad! Hoe het gebeurd is, weet ik niet... Ik kan het niet verklaren... Maar op een gegeven moment stond ik aan de andere kan van het muurtje. Niemand heeft het zien gebeuren. Na twee maanden wordt zij naar het werkkamp Liebau geëvacueerd. Het kamp bevindt zich nabij concentratiekamp Gross Rosen in het zuidwesten van Polen aan de grens met Tsjechië. Daar verblijft zij een half jaar. "Liebau was een hemel in vergelijking met Auschwitz", hoewel ze ook dagen en nachten op appel stond, gestraft werd en steeds honger had. Sabotage. Zij en haar lotgenoten moeten in een fabriek sneeuwkettingen maken. Dikwijls saboteerden we de boel. Dan drukten we de haken niet helemaal dicht en de meisjes aan de lasmachines soldeerden ze niet. Als de kettingen dan om de wielen van die grote legerwagens werden gespannen, vlogen ze onder het rijden alle kanten uit. Als er geen aanvoer van materialen meer is, moeten de gevangenen helpen bij het aanleggen van een vliegveld door een ongelijk terrein te egaliseren. Daarna worden ze ingezet in een steengroeve waar ze met drillboren gaten in de wanden moeten maken waarin de Duitsers dynamiet stoppen om de zaak te laten springen. Zo kregen de Duitsers stenen voor hun vliegveld. Inwendig onderzoek. In Auschrwitz werden er meisjes door kapo's zwanger gemaakt. In Liebau worden Ronnie en haar medegevangenen regelmatig inwendig onderzocht om te controleren of ze zwanger zijn. Voor het onderzoek moest je aantreden met je onderbroek in je hand. Vervolgens werd je op een keukentafel gelegd en moest je je knieën optrekken. Een Hongaarse deed het onderzoek. Ze beweerde dat ze arts was maar daar hebben we altijd aan getwijfeld. Ze onderzocht ons zonder handschoenen. Zonder water. Van de een naar de ander. Bij een van die onderzoeken heb ik een infectie opgelopen. Ik kreeg een vreselijke bloeding die wekenlang heeft geduurd. Ik was heel ziek. Door die infectie kon ik geen kinderen meer krijgen Cabaret. Samen met kampvriendin Beppie Schelvis die in Nederland in het cabaret had gewerkt, maakt Ronnie musicals. We voerden de musicals op terwijl een van ons op de uitkijk stond om te zien of er geen wachtposten langskwamen. Het publiek zat op de bovenbedden. Ik stond dan met een paar meisjes beneden te zingen. Ik gebruikte bekende oprera- en operettenmelodieën. Ik heb die teksten nog steeds. Ik zal wat voorzingen.
Hoor daar gaat het fluitje weer.
Eerst moeten ze tellen gaan.
Ik heb zo' pijn in mijn maag. Dankzij de sterke onderlinge band tussen de Nederlandse vrouwen heeft Ronnie de verschrikkingen overleefd. Op 8 mei 1945 wordt kamp Liebau door de Russen bevrijd. Uit angst voor verkrachtingen door de Russen blijven de vrouwen nog tien dagen binnen de hekken van het kamp. Uitgehongerd gaan ze daarna op zoek naar eten. Bij het station in Liebau was een grote opslagplaats met allerlei goederen die de Duitsers uit bezette gebieden hadden geroofd: levensmiddelen, meubelen, linnengoed. Je kon het zo gek niet bedenken. Wij vlogen erop af. Pakten een lege kinderwagen en laadden die vol met eten. (...) Ik zocht [ook] dingen uit voor mijn moeder. Ik heb voor haar een mooi wit tasje gevonden en een paar gehaakte handschoenen, wit met groen. En ik vond een SS-broek die ik aantrok.
Op 18 mei vertrok een aantal vrouwen uit Liebau en stapten in een lege trein die hen tenslotte naar Praag bracht. Talloze mensen uit kampen van allerlei nationaliteiten zwierven in Praag rond. De consulaten van de meeste landen boden hulp vanuit het besef dat mensen uit de kampen psychisch en lichamelijk waren vernield. Dat ze geld en identiteitspapieren nodig hadden. Maar van de Hollanders was er niemand en niks! Die waren niet geïnteresseerd. Die lieten ons barsten. Daarover ben ik nog altijd verbijsterd. Het Zweedse consulaat vond het een grof schandaal en nam ons onder de hoede.
De vrouwen zaten wekenlang in Praag vast. Als er op een gegeven
moment een transport naar België gaat, zorgt het
Zweedse consulaat dat ze meekunnen. Ze verblijven een week in een
kazerne in Bamberg, waar ook veel foute Nederlanders waren
ondergebracht. Op verzoek van een Amerikaan typt Ronnie, die een
diploma steno en typen heeft, er verslagen van verhoren uit. Koude ontvangst. Vervolgens komt haar naoorlogse bestaan aan de orde: de koude ontvangst in Nederland en de pijn om het onbegrip van haar (tijdens de oorlog ondergedoken) moeder. Ik was vervuild en sterk vermagerd. Ik had lang op stro in een goederenwagon gelegen en droeg een SS-broek met een of ander gek, blauw geruit bloesje. Zo ging ik naar mijn moeder. Zielsgelukkig! Maar het enig dat ze kon uitbrengen, was: "Goh, kind, wat zie jij eruit!" Ik was totaal verbijsterd. Helemaal kapot. Ik heb haar een kus gegeven. Dat wel... Ik had mij er zóveel van voorgesteld... Ik bevroor helemaal... Verwerking van oorlogstrauma's. Verder vertelt Ronnie over het verlies van haar vader, familie en vrienden, gezondheidsproblemen, psychotherapieën en overlevingsschuld. In tekeningen en gedichten geeft Ronnie uiting aan haar emoties. Voorts vertelt ze over haar eerste mislukte huwelijk en haar tweede huwelijk met Fritz Goldstein met wie ze dertig jaar gelukkig is. Goldstein heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de verwerking van haar oorlogstrauma's Vooral dankzij het begrip en het geduld van mijn tweede man heb ik mijn kampverleden kunnen verwerken. Ik draag de beelden nog altijd bij mij, maar ik kan ze hanteren.
[De wijze waarop Ronnie door haar man wordt geholpen is ook
opgenomen in deel 3 van mijn boek Wie is er nu gek?. Lees:
Terugblik. Tijdens
onze gespreksrondes heeft Ronnie naar eigen zeggen veel zaken van vroeger
uitgezocht en opgeruimd. Zij gaat geleidelijk inzien welke gebeurtenissen
in haar leven beslissend zijn geweest. De liefde van wat zij noemt
"mijn kampmoeders" - de oudere vrouwen in de barakken van
Auschwitz en Liebau - heeft veel goed gemaakt van wat zij thuis
tekort was gekomen. "Thuis was er welstand en overvloed. Het ontbrak me aan niks. Als ik iets wilde hebben, kwam het er. Maar ik leefde in een ijzige eenzaamheid. Ik was soms zo ongelukkig dat ik dood wilde. In het concentratiekamp had ik het koud. Had ik honger. Lag de dood steeds op de loer. Maar er was saamhorigheid, warmte en bescherming. En daar heb ik geknókt om te blijven leven."
Ronnie (links) met twee "kampzusjes" in 1946 Terugblikkend constateert Ronnie: "Het concentratiekamp heeft ontstellend veel kwaad aangericht. Een stempel op mijn leven gedrukt. Geestelijk en lichamelijk. Met die verschrikkingen is niets te vergelijken. Maar toch, terugkijkend besef ik dat ook mijn ongelukkige jeugd een grote schade heeft aangericht. Want er zijn dingen die mij als kind zo hebben vernield." Ronnie probeert zich met haar moeder te verzoenen: Ik geloof niet dat ze zich heeft gerealisseerd hoe hard sommige dingen bij mij zijn aangekomen. Sinds kort heb ik geaccepteerd dat mijn moeder mij gewoon geen liefde te geven had. Ik hoef er niet meer mee te worstelen en kan het met rust laten. Lezingen en exposities. Na het overlijden van Fritz Goldstein in 2001 geeft Ronnie interviews en lezingen over haar oorlogservaringen en exposeert ze haar tekeningen. Wat ik aan mensen zou willen meegeven, is dat je strijdbaar moet zijn. Dat je in het verweer moet komen wanneer je onrecht of misstanden tegenkomt. Toestanden die tegen je gevoel indruisen. En dan bedoel ik allerlei misstanden, ook op het werk, in organisaties en bedrijven. (...) Ik hoop met het uitdragen van mijn ervaringen over het verzet en de solidariteit in het kamp te laten zien hoe belangrijk het is om elkaar bij te staan. Elkaar te steunen. En voor elkaar op te komen.
©
Saar Roelofs
|
|||||||
|
''De geïnterviewden komen voor je ogen tot leven. Als lezer kun je bijna deelnemen aan het gesprek. Keerpunt is een boek dat inspireert." Zinweb, Marga Haas.
"Het boek is vlot leesbaar;
bovendien stemt het tot nadenken over crisis- situaties en hoe je
daar je voordeel mee kunt doen."
“Een serie opmerkelijke
interviews.”
|
Johann Wolfgang Goethe
(vertaling Saar Roelofs) _________________________
INLEIDING
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sluit de zeventienjarige Bill Minco zich aan bij het verzet. Hij komt hij in contact met de Geuzen, een georganiseerde verzetsgroep die in mei 1940 was opgericht door Schiedamse onderwijzer Bernard IJzerdraat. Samen met een klasgenoot maakt hij een spionagekaart van zijn woonplaats Rotterdam met alle militaire gegevens die hij maar te pakken kan krijgen waaronder de plaats van afweergeschut, zoeklichten, militaire voertuigen en schepen met oorlogsmaterieel. Nog geen jaar later wordt deze verzetsgroep door verraad opgerold. Ook de spionagekaart wordt ontdekt.
Als lid van het Geuzenverzet wordt Bill op 7 januari 1941 tijdens de Duitse les door de Grüne Polizei uit zijn schoolklas gehaald en gearresteerd. Hij wordt overgebracht naar het Oranjehotel, de Scheveningse gevangenis, en op 4 maart samen met een aantal andere verzetsstrijders ter dood veroordeeld. Op 13 maart vallen vijftien Geuzen voor het vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte. Wegens zijn jeugdige leeftijd ontsnapt Bill aan deze executie. Op 13 maart wordt zijn doodstraf omgezet in levenslang tuchthuis.
Twee maanden later wordt Bill overgebracht naar het tuchthuis in Untermaßfeld, waar hij zeventien maanden in Einzelhaft - eenzame opsluiting - zit. Wanneer de tuchthuizen - zoals de nazi’s dat satanisch noemen - judenrein worden gemaakt, wordt Bill, die joods is, naar het concentratiekamp Mauthausen gedeporteerd en als dwangarbeider ingezet in de steengroeve. Na anderhalf jaar ontberingen en doodsangst wordt hij, aan het einde van Latijn, op transport gesteld naar het concentratiekamp Auschwitz. Na de hel van Auschwitz en ook de dodenmars naar Dachau te hebben overleefd, wordt hij op 30 april 1945 door de Amerikanen bevrijd.
Op advies van zijn jeugdvriend en latere hoogleraar psychiatrie Sijds Nijdam schrijft Bill zijn ervaringen vrijwel onmiddellijk na de oorlog op. In 1997 publiceert hij dit manuscript onder de titel Koude Voeten - Begenadigd tot levenslang, aangevuld met beschouwingen van recentere datum en geïllustreerd met tekeningen van eigen hand (1). In het hierna weergegeven interview zijn een aantal (cursief gedrukte) passages uit Koude voeten opgenomen.
Bill is nu tweeëntachtig en woont met zijn vrouw Astrid in een kleine stad in het midden van het land. Hun woning ligt aan een meer dat wordt omzoomd door een blonde rietkraag. In de woonkamer hangen kunstwerken in sprankelende kleuren waaronder de Chassidische Vertellingen, een serie prenten van Hendrik Werkman uit 1943. Licht, lucht, ruimte, kleur. Een feest voor het oog. We nemen plaats aan Bill’s bureau dat uitkijkt over het meer. Bill vertelt mij over de oorlogservaringen die hem het diepst hebben geraakt. Over hoe deze hem hebben gevormd. En hoe hieruit de drang ontstond om “samen te binden”. Hij spreekt op rustige toon. Soms relativerend, met humor. Zo nu en dan dwaalt zijn blik peinzend naar de horizon.
1. Bill Minco. Koude voeten Begenadigd tot levenslang. Het relaas van een Joodse scholier in het Geuzenverzet. Orjanheholtel -Unternassfeld - Mauthausen - Auschwitz - Dachau. Nijmegen: SUN, 1997 i.s.m. de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945.
Bill Minco aan het begin van de oorlog (l) en als voorzitter van de Stichting Geuzenverzet (r). ____________________________
“Ik ben driemaal geboren: op 18 mei 1922 toen ik ter wereld kwam, op 13 maart 1941 toen mijn doodstraf werd omgezet in levenslang en op 30 april 1945 toen ik uit de vernietigingskampen werd bevrijd.”
“Mijn opvoeding thuis was, denk ik, beperkt. Mijn vader was vertegenwoordiger en de hele week op reis. Moest hard werken om op een bepaald niveau te kunnen leven. Eten, drinken, vakantie, een eigen kamer. Dat was allemaal perfect in orde. Met liefde. Maar zonder enige inhoud. Die inhoud vond ik bij mijn vrienden Sijds Nijdam en Benno Wissing. We hadden heel diepzinnige gesprekken. Ik keek tegen hen op. Want zij zaten allebei op het gymnasium en hadden door hun klassieke opleiding meer achtergrond. Zelf was ik een enorm succes op de HBS: ik heb bijna alle klassen gedoubleerd. Ik had namelijk helemaal geen belangstelling voor leren. Alleen maar voor exacte vakken. De oorlog heeft mij gevormd. In negatieve en in positieve zin. Ik kan niet bedenken wat ik zonder die ervaringen was geworden.”
“Mijn oorlogservaringen bestaan uit drie delen: de terdoodveroordeling, zeventien maanden Einzelhaft en bijna drie jaar concentratiekamp. In die vierenhalf jaar heb ik een heel leven geleefd. Een leven waar andere mensen nooit aan toekomen. In die tijd heb ik ongelooflijk veel meegemaakt. Mensen naakt gezien, letterlijk en figuurlijk. Gezien waartoe de mens in staat is. Tot welke dieptepunten. En tot welke hoogtepunten. Dat zijn allemaal bouwstenen die mijn leven hebben verrijkt. Want ook negatieve ervaringen kunnen - mits verwerkt - bijdragen aan het wezen van de mens. De mens vormen.”
“Hoe zit de mens in elkaar? Waartoe is de mens in staat? Die vraag ben ik ook na de oorlog interessant blijven vinden.”
“In de Einzelhaft heb ik - achteraf gezien - mezelf leren kennen. Dat kwam door de grote leegte waarin alles tijdloos werd. Ik wist niet meer wat een uur of een dag was. Ik zag alleen dat het licht of donker werd. De tijd glipte tussen mijn vingers door. Ik heb daar ervaringen gehad die ikzelf bijna niet voor mogelijk houd, zoals het uit jezelf treden. Als ik het in 1945 niet meteen had opgeschreven, had ik het nu niet meer geloofd.
En dan opeens, liggend op je harde bed, starend in de volledige leegte; je gedachten en je gevoel staan op nul, opeens stijg je boven jezelf uit en zie je van buiten de cel, van de andere kant van de tralies, je eigen lichaam in die cel liggen. Je denkt er niets bij, je ervaart het, je ondergaat het, het is een onwezenlijk maar vredig gevoel. Een gevoel van gewichtloosheid en toch weer nauw verbonden met je lichaam in de cel. Je bent heel even ontsnapt; weg tussen die muren, weg uit die beklemming, even bevrijd, heel even maar...
Maar je ontkomt niet; je steeds weer in je eigen cirkel terecht! (…) En dan heb je weer een kracht nodig, groter dan die van je eigen ‘zwaartekracht’ om daar uit te komen: namelijk geestkracht! (…) Dan vind je op de puinhopen van jezelf nieuwe en ongekende waarden terug, die in je verdere leven, na je gevangenschap, van ongelooflijke betekenis blijken te zijn.
“Een zeer griezelige ervaring was de vereenzelviging met de vijand.”
Het moet voorjaar 1943 zijn geweest. Ik zat al meer dan een jaar ‘Einzelhaft’ uit. Eenzaam, totaal aan je lot overgelaten, zonder enig houvast, zonder hoop. De cel drukt bovenop je, perst elk menselijk gevoel uit je. Je wordt beïnvloed door het weekblaadje Der Leuchtturm over overwinningen van de nazi-oorlogsmachine op alle ‘fronten’. Je staat onder druk van de ‘Werkmeister’ en de bewaarders. Je hebt honger en je hebt het koud. En dan word je overmeesterd door het enige gevoel dat nog enig houvast lijkt te geven: ik ben één van hen; mijn vijand die me tot nu toe bedreigde, neemt bezit van me, overmeestert mijn gevoelens. En als ik op een keer op de administratie ontboden word, breng ik de Hitlergroet en zeg zacht:‘Heil Hitler’. Later begrijp je niet hoe het zover heeft kunnen komen.
“Die ervaringen hebben een enorme input op je karakter. Ik heb dan ook altijd veel over mezelf nagedacht."
“Een soort houvast is geweest dat ik van de bibliothecaris in de gevangenis vrij regelmatig Duitse literatuur kreeg. De eerste bibliothecaris gaf me alleen nazi-lectuur. Zijn opvolger vroeg wat ik graag wilde hebben. Toen heb ik vaak de Faust van Goethe gekregen. Hele stukken heb ik uit mijn hoofd geleerd. Ik was jong. Ik had geen geestelijke bagage. Ik denk dat de Faust mij gedeeltelijk heeft gevormd. Aan het denken gebracht. Ik vond het een prachtige taal. Schitterende formuleringen. En inhoudelijk... De ene keer kon ik mij meer vinden in der Herr, in God. De andere keer meer in Doctor Faustus, in de mens en zijn innerlijke strijd. En misschien nog wel het meest in Mefistofeles, de duivel. De Faust is een deel van mijn leven geworden. Ik gebruik nog regelmatig citaten uit de Faust. Te pas en te onpas.
Da steh ich nun, ich armer Tor!
Faust zegt: ik heb nu dit gestudeerd en dat gestudeerd. Veel wijsheid opgedaan. Een positie bereikt. Maar toch ben ik ongelukkig. Zit ik met mezelf in de knoop. En dan wordt hij door Mefistofeles in verleiding gebracht. Zoiets heb ik zelf ook zo beleefd. Maar der Herr zegt:
Ein guter Mensch, in seinem dunklen
Drange,
Dus de mens is en blijft - ondanks alle moeilijkheden en verleidingen - in staat te kiezen tussen goed en kwaad. Dat vind je in al mijn voordrachten terug. Hij is zich ècht wel bewust van de rechte weg. Dat geldt ook voor mij persoonlijk. Ik ben me er goed van bewust wat de rechte weg is. Nou ja, ik heb hem zelf natuurlijk niet altijd bewandeld. Want dat kan geen mens.”
“De Faust heeft later, na de oorlog, ook geholpen. Toen kon ik onmogelijk DE Duitsers haten. Want dan moet je Goethe óók haten. En enkele andere Duitsers. Componisten en nog wat schrijvers bijvoorbeeld.”
“In het tuchthuis heb ik niet alleen over mezelf nagedacht. Ik leerde ook de mensen kennen. Ik had namelijk alle tijd om de bewakers te bestuderen. In me op te nemen. Om te kijken hoe ze reageren. Dat leer je automatisch. Binnen een paar seconden moest je kunnen inschatten wat voor iemand je voor je had. Puur uit zelfbehoud. Om te weten hoever je gaan kunt. Want ze waren zeer verschillend, van wreed tot menselijk. Neem nou bijvoorbeeld die vlerk die mij vernederde toen ik tijdens het luchten eens een bloemetje plukte.”
Daar staat-ie al voor me met zijn brede, valse grijns. M’n handen gaan hulpeloos, op bevel, in de hoogte zoals voorschrift is. Hij begint ook nog met m’n rechterzak, waar het bloemetje inzit. Hij heeft het al in zijn handen, kijkt me vragend aan, uitdagend houdt hij het bloemetje voor m’n neus. Hij vertrapt het voor m’n voeten en ik krijg links en rechts een half dozijn oorvegen. Dat is mijn kerstgeschenk. Ik kan wel huilen van woede.
“Zo waren de meeste. Maar er waren ook bewakers die me goed behandelden. Ik zat op de afdeling levenslang met allemaal inbrekers en moordenaars. Boeven zoals ik... Daar kwam nog bij dat ik jood was. Dus ik moest mij steeds melden als jood: Jude Sebil Israel Minco - ik heet helemaal geen Israel - vebußt lebenslänglich und drei Jahren Zuchthaus wegen Feindesbegünstigung und Spionage. Iedere keer als de deur openging, moest ik dat verhaal weer houden. Heel vernederend! Maar er was een oudere bewaker die al halverwege het verhaal zei: stop maar. Dat was een menselijke trek."
“Ik herinner me ook nog goed die bewaker die mij met tranen in de ogen kwam vertellen dat ik naar Mauthausen moest. Terwijl ik op dat moment dacht: nu gaat de hemel open. En pas achteraf begreep waar die tranen vandaan kwamen..."
Het was een geweldige opluchting voor mij toen ik hoorde dat ik de volgende dag naar Mauthausen op transport zou gaan. Op dat ogenblik leek mij alles beter dan nog langer alleen te zijn. (...) ’s Avonds om zes uur werd ik bij de huisvader geroepen. Ik kreeg al mijn kleren terug en verder gaf hij mij alle brieven en een foto van mijn familie die in de loop van anderhalf jaar waren aangekomen en die ze mij niet hadden overhandigd. Hij wist dat ik naar Mauthausen ging en begreep natuurlijk ook wat dat voor mij moest betekenen. Ik vroeg hem of hij wist van het kamp en hij zei mij dat het een Arbeitslager was waar gewerkt moest worden. Hij keek mij daarbij zo vreemd aan, ik zou bijna zeggen weemoedig. (...) Hij zorgde ervoor dat ik die nacht licht kreeg om alle brieven te lezen en verder dat ik genoeg te eten had. Het was de eerste keer in al die tijd dat ik weer eens veel at. Toen hij mij ’s avonds weer in mijn cel sloot, kwam hij even binnen, sloot de deur achter zich, gaf mij een hand, keek mij lang aan en zei toen: ‘Lebe wohl und bleib gesund, Minco’. Ik geloof dat de tranen in zijn ogen stonden. Hij is één van die Duitsers aan wie ik verplicht ben om niet het hele volk over dezelfde kam te scheren.
“Ik beoordeel mensen nog steeds snel. Als ik iemand tegenkom die ik nog nooit eerder heb gezien en ik kijk in zijn ogen dan verbeeld ik mij dat ik weet hoe die in elkaar zit. Globaal. Het vervelende is dat het in negen van de tien gevallen uitkomt.”
“In het concentratiekamp Mauthausen heb ik gezien dat mensen onbeschrijflijk wreed kunnen zijn. En dan heb ik het primair over de SS.”
De SS wist zich in en buiten het Lager op verschillende manieren te amuseren. Een geliefkoosde sport was bijvoorbeeld om een gevangene op een lorrie te leggen, zware stenen bovenop hem te laden en hem dan van een hoge berg te laten rijden zodat hij meestal verbrijzeld beneden aankwam. Een andere tak van sport was om de gevangenen ‘valscherm te laten springen’, wat op een speciale nazi-manier zonder valscherm gebeurde. Ze dreven de gevangenen met een mitrailleur over de rand van een kloof van wel vijftig meter diepte, waarin zij naar beneden stortten. Wie het geluk had als een van de laatste te springen, werd door de lijken van de andere gevangenen als schokbreker opgevangen, met niet teveel pech hield hij zijn nek en benen heel.
“Ik heb me erover verbaasd dat diezelfde SS-ers ’s avonds naar huis gingen - ze woonden in huisjes in de omgeving van het kamp - en een kind in hun armen namen. Dan dacht ik: je hebt bloed aan je handen. Met die handen kun je toch geen kind vasthouden?! Hoe zit zo’n mens dan in elkaar? En als je leest dat gewone Duitse politiemannen werden ingezet om de joden in de getto’s in kuilen achter elkaar af te slachten... Dat ze dan foto’s maakten en die naar huis stuurden... Dan denk ik: waartoe is een mens allemaal in staat?"
"Vrouwen waren soms nog erger dan mannen. Want wreedheid staat in het algemeen verder van vrouwen af. Vrouwen moeten meer overwinnen om de grens van het onmenselijke te passeren. Ze moeten er meer moeite voor doen. En als ze die grens dan uiteindelijk zijn gepasseerd... Ja, dan zijn alle remmen los.”
“Behalve de houding van de SS-ers heeft in Mauthausen nog iets anders achteraf een diepe indruk op mij gemaakt: tot welke dieptepunten mensen gebracht kunnen worden om te overleven. Want het systeem, de beestachtigheid, neemt bezit van iedereen. Ook van de gevangenen. Zo was er een Hollandse jongen het liefje van een SS-er. Dik van eten was hij. Als ik hem vroeg om een stukje brood zei hij: nee, dan loop ik teveel risico. Na de oorlog heeft hij ook nog de gotspe gehad om over zijn ervaringen in Mauthausen een boek te schrijven...”
“Na Mauthausen volgde Auschwitz. De massavernietiging. De inzet van gevangenen zèlf als opzichters oftewel kapo’s. Vaak waren dat Poolse misdadigers. Maar ook joden. Om zelf overeind te blijven waren die kapo’s meestal enorm wreed. In Auschwitz had je ook het zogenaamde Himmelkommando. Dat is een cynische naam voor een groep van gevangenen die de mensen uit de gaskamer haalden en dan hun mond moesten openbreken om er de gouden vullingen uit te halen. Hoe kan iemand die zelf gevangen zit zóiets doen?! Ja, ik weet het antwoord wel: als het om je eigen leven gaat, ben je tot alles in staat. De enige mogelijkheid om te overleven, is vaak ten koste van een ander. Maar dan ben je gezonken tot het diepste dieptepunt in het menselijk bestaan. Of als je daar nog niet bent aangeland, kun je denken: laat ik maar partij kiezen voor de vijand, dan red ik mij. Dat gold overigens niet voor het Himmelkommando want zo’n groep werd na zoveel tijd afgemaakt zodat ze niets zouden kunnen navertellen. Dan werd er weer een nieuw stel ingezet."
“Maar dat is allemaal niet uniek voor Auschwitz of Mauthausen. Zo zit de mens in elkaar, vrees ik. Kijk maar naar wat er gebeurt in Irak met die vier Amerikanen die ze verminkt door de straten slepen. Of eigenlijk in het hele Midden-Oosten. Ik heb een beeld voor ogen - tja, ik ben bij de Israëli’s nou eenmaal meer betrokken dan bij de Palestijnen, hoewel ik het verschrikkelijk vind wat er overal en van beide zijden in dat gebied gebeurt - een beeld dat ze een Israëlische soldaat verminken en uit het raam gooien en erop inhakken terwijl hij nog leeft. Dat beeld... Hoe kunnen mensen zoiets doen?! Aan de ene kant blijft het mij verbazen. En aan de andere kant heb ik het zèlf allemaal gezien. Ik weet dat het kan. En hoe het werkt.”
“In de kampen heb ik ook hoogtepunten meegemaakt. Ik noem er een: Leen Sanders, een ongeletterde bokser uit Rotterdam. Ik denk dat hij niet eens zijn naam kon schrijven. Leen was iemand die ver boven zichzelf uitsteeg. Weliswaar omdat de omstandigheden gunstig waren. Hij kende namelijk een Pool uit de keuken tegen wie hij vroeger had gebokst. Maar zo’n man... We komen met een klein groepje uit Mauthausen in Auschwitz aan. Allemaal met dezelfde ervaringen. Allemaal joden. Een Hollander uit de Schreibstube vertelt Leen dat er een Hollandse jongen met het transport uit Mauthausen is gekomen. Binnen een paar minuten heb ik een brood onder mijn arm. Dát was Leen Sanders!”
“Ik loop met dat brood onder mijn arm. Naast mij staat een jongen, ook uit Mauthausen. Die vraagt: mag ik een stukje? Dan zeg ik: nee. Een héél brood! En toch zeg ik nee. Ik kijk dus niet alleen naar anderen. Ik kijk ook naar mezelf. Na Mauthausen was ik volkómen kapot. En dan krijg je die hebzucht. Dat egoïsme. Dus wat er is gebeurd, is mij niet vreemd. Ik heb het ook zelf ondervonden. In het klein. Of laat ik het zó zeggen: ik weet hoe het werkt.”
Ieder morgen en iedere middag als wij gingen luchten tussen blok acht en blok negen kreeg ik van Leen Sanders te eten en niet alleen dingen die hij goed kon missen, maar ook menigmaal waarvan hijzelf maar een beperkte hoeveelheid bezat. Ik heb het dan ook voor een groot gedeelte aan hem te danken dat ik anderhalf jaar later de ontberingen van de evacuatie kon doorstaan.“
In de oorlog heb ik ieder respect voor opleiding, status of maatschappelijke positie afgeleerd. Rangen, standen, hoog, laag... het zegt me niets. Ik heb alleen respect voor ménsen. Niet voor mensen alleen omdat ze bijvoorbeeld geleerd hebben. Nou ja… wèl voor mensen die mooi cello kunnen spelen. Ik heb alleen respect voor mensen met karakter. Voor mensen met zelfrespect. Voor mensen die - althans naar mijn idee - echt zélf iets hebben bereikt.”
“Achteraf gezien had ik in de Einzelhaft een muur om mezelf gebouwd. In Mauthausen was dat nog veel erger geworden. Want daar werd het een soort zelfbescherming. Letterlijk. In Auschwitz is die muur helemaal afgebrokkeld. Er bleef daar niets meer van me over."
hoe moet je vertellen wat een muzelman is:
Bill blijft leven omdat hij volgens de bizarre, tegenstrijdige regels van de nazi-bureaucratie niet vergast mócht worden. Hij was namelijk een zogenaamde Schutzhäftling, dat is een gevangene met een beschermde status;
... en de Duitsers redeneerden dan als volgt: wie een misdaad begaan heeft, krijgt een straf en wie een straf moet uitzitten, mag dus niet vergast worden anders zou dat een verkorting van de straf zijn.
Anderhalf jaar na Bill’s komst in Auschwitz wordt het kamp geëvacueerd omdat het Russische leger nadert. Dan volgt een dodentocht naar Dachau.
Bij de evacuatie van Auschwitz in de barre winter van ’44-’45 moesten we bijna zonder kleding en schoeisel (alleen klompen met een lap eromheen) en met een deken om die zo vervuild was dat daar geen warmte door ontstond de dodenmars ondergaan. In de sneeuw liepen de uitgemergelde gevangenen, volledig versteend door de kou, als in trance mechanisch voortbewogen, opgejaagd door de SS naar een no-where.
Uiteindelijk volgt de bevrijding door de Amerikanen.
Het was de dertigste april ’s morgens om acht uur toen ik met een voorgevoel van een groot gebeuren op de weg keek. Zonder dat ze zich verraden hadden door motorgeronk of schieten, kwamen plotseling de Amerikaanse tanks om de hoek over de weg gereden. Nauwelijks had ik mij gerealiseerd dat het werkelijk Amerikaanse tanks waren, en keek ik om mij heen; de SS was spoorloos verdwenen. Ik handelde eigenlijk automatisch, zonder na te denken. Ik trok mijn lastige houten schoenen uit, trok mijn dekens vast om mijn schouder en rende, voor zover ik rennen kon, het grasveld af. Ik besefte pas goed dat wij werkelijk bevrijd waren, toen ik een Camel-sigaret en een stukje chocolade in de hand hield. Ik had geen lucifers.
“Ik heb het overleefd. En daarbij heb ik ongelooflijk veel geluk gehad. Maar het is geen verdienste. Het is allemaal over me heen gekomen. Zo is het gelopen. Zo is het gegaan. Mijns ondanks. Ik heb mezelf wel eens vergeleken met een flipperkast, zo’n ding met allemaal belletjes. Iedere keer als dat balletje een stukje verder rolt, komt het tegen een belletje aan. Dat is de geluksdraad die door mijn leven loopt.”
“Na viereneenhalf jaar lichamelijke en geestelijke vernedering kun je natuurlijk niet op 30 april 1945 de knop omdraaien. Ik was uit elkaar geslagen. Ik kwam in brokken terug. Er was helemaal niets meer van me over.” Jeugdvriend Sijds Nijdam over Bill bij zijn terugkeer:
Zijn gelaatsexpressie was gespannen en ook emotieloos, de uitdrukking van zijn ogen kende ik niet, een mengeling van onuitgesproken angst en regressie. Hij kon als een SS-er overeind vliegen, voortdurend heen en weer stappend met het steeds herhaalde commando:“Aufstehen, hinlegen”. Vragen deed ik niets. Ik logeerde een aantal dagen bij hem. De gesprekken draaide nogal eens rond zijn grote deceptie over de ontvangst in Nederland, geestelijk en materieel. Af en toe sijpelde iets van zijn kampervaringen door. Ik adviseerde hem, omdat ik sterk voelde dat ze toch weer steeds op hem afkwamen, zijn ervaringen op, ja, ze van zich af te schrijven.
“Die brokken moesten aan elkaar komen. DAT MOEST! Die geestkracht moest ik opbrengen. De wil om dat te doen! Om te leven! Óf je moest je hoofd in de schoot leggen, zoals zovele... Wakker liggen... kapot gaan..."
“Ik heb er wel tien jaar voor nodig gehad om die brokken weer enigszins aan elkaar te krijgen. Om er cement tussen te voegen. En ik moet altijd oppassen dat dat cement ertussen blijft. Dat is de rode draad in mijn leven. Want brokken blijven brokken. Die voegen blijven er altijd zitten."
"Ik heb hier een prachtige, blauwe Chinese gemberpot staan. Die is nog van mijn moeder geweest. Ik heb die pot laten vallen. Als beeld hoe ik uit de oorlog ben gekomen. Totaal verbrokkeld. Daarna heb ik die pot weer gelijmd. Maar het blíjft een gelijmde pot. Ik ben net als die pot: muurvast gelijmd, maar vol met barsten. En verder klopt het lijmwerk hier en daar niet helemaal. Zo zit ik in elkaar.”
“Haatgevoelens had ik niet. Ik wílde geen haatgevoelens hebben! Ik wilde overeind blijven. De stukken bij elkaar houden. Niet dat ik niet kán haten, hoor. Ik heb altijd gezegd: als ik een SS-er tegenkom die ik herken, bijt ik ’m zijn strot af. Dat is natuurlijk makkelijk praten. Ik zou het niet doen. Maar het belangrijkste is: ik wíl niet haten. Want ik heb aan den lijve ondervonden waartoe haat mensen brengt."
ik
blijf ondanks alles geloven
dat
ze mij als ongedierte
“Dat niet haten is wèl een heel proces geweest... In de eerste jaren na de oorlog had ik trouwens helemaal geen ruimte voor haat. Of voor wat voor gevoelens ten aanzien van de oorlog dan ook. Want ik moest een leven opbouwen."
“Het klinkt raar, maar bij mijn terugkomst in Nederland had ik óók positieve gevoelens: ik leef dus ik moet er wat mee doen. Geen flauw idee wat. Maar ik móet er wat mee doen! Ik heb het niet voor niets overleefd. HET KAN NIET ZINLOOS ZIJN GEWEEST! Ik ben ergens voor bestemd.”
“De Russische schilder Chagall was voor mij na de oorlog een wezenlijke inspiratiebron. Hoe ik met zijn werk in aanraking ben gekomen, weet ik niet meer. Chagall is een jood die zich aan het getto ontworstelt. Aan de armoede, aan de vernederingen. En die dan ook nog iets moois maakt. Die zo mooi met sprankelende lijnen en kleuren kan spelen! Die tot schitterende scheppingen komt. Ja, dat greep mij."
"Hij leefde met z’n verleden en de toekomst in het heden; misschien ook daardoor voel ik me met hem verwant. In hem en mij streden, bewust of onbewust, de oude joodse tradities en de verschrikkingen van de jodenvervolgingen. Chagall liet mij zien dat daartussen en daar doorheen, troost en hoop te vinden is. "
“Kort na de oorlog ben ik door het Verzet uitgezonden om in een Nederlands sanatorium in Zwitserland wegens tuberculose te kuren. Dat werd voor mij betaald. Door de Zwitserse regering of de Nederlandse regering. Of misschien door het Rode Kruis. Ik weet niet door wie. Daar heb ik mijn vrouw leren kennen. De eerste vrouw in mijn leven nadat ik zogenaamd volwassen was geworden. Want ik had wel even vierenhalf jaar van mijn jeugd overgeslagen! Zij was verpleegster in het sanatorium. Heel aardig. Heel lief. Heel geïnteresseerd. Las mijn manuscript dat ik toen bij mij had. We hebben er nooit over gepraat. Met mensen die dichtbij staan, lukt dat namelijk niet. Omdat ze me niet willen beschadigen. Of omdat ze zelf emotioneel worden. Ik weet het niet. Het is veel gemakkelijker om mijn ervaringen aan vreemden te vertellen zoals ik later op scholen vaak heb gedaan.”
“Nadat ik terug was in Nederland heb ik mijn verpleegster met brieven bestookt. Om een lang verhaal kort te maken: we zijn getrouwd. Maar de vrolijke uitstraling die ze als verpleegster had, bleek de buitenkant te zijn. Ze was een volkómen getraumatiseerde vrouw. Haar moeder was heel jong overleden. Ze had een stiefmoeder. Een kenau. Een verschrikkelijk wijf! Haar vader en die kenau kregen samen nog een kind dat werd voorgetrokken. Mijn vrouw en haar broertje werden opzij geschoven. Als er op zondag bezoek kwam, werden ze ’s morgens op straat gezet en mochten ze ’s avonds pas weer binnenkomen. Zo’n jeugd is bijna te vergelijken met Mauthausen. Ik heb het haar dan ook nooit kwalijk genomen."
“Ik had geen opleiding. Ik had geen werk. Ik had alleen een project gedaan voor een gedenkboek. Als een soort journalist verzetsmensen geïnterviewd over hun ervaringen in de oorlog. Op een gegeven moment heb ik me laten testen bij een bureau voor beroepskeuze. Omdat ik niet wist wat ik wilde. Er stond in dat rapport dat ik geschikt was voor bouwkundig tekenaar. Maar daar kon ik toen niets mee. Verder dat ik een hoog IQ had. Dat was voor mij heel positief. Want ik had op dat moment wel een opsteker nodig. In het rapport stond ook: hij is erg op details gericht. Dat heb ik goed in mij opgenomen. Toen moet ik hebben gedacht - want het is achteraf gepraat -: dat is een slechte eigenschap. Dat moet je niet doen. Sindsdien heb ik geprobeerd om een beetje breed te leren denken. Dat is bij mijn cement gaan horen. Het cement om de brokken bij elkaar te houden."
"Die aandacht voor het geheel, het grote verband, is een tweede natuur geworden. Daar heb ik later zakelijk en in de politiek veel plezier van gehad.”
“Om aan de kost te komen, heb ik eerst geprobeerd met twee compagnons een dassenfabriek op te zetten. Omdat mijn vader in de textiel zat, kon hij aan stoffen komen. Dat project is een mislukking geworden. Mijn vrouw en ik woonden toen op de deel van een boerderij bij iemand uit het verzet. Daar werd onze zoon geboren. We noemden hem Victor, want we hadden toch overwonnen. Toen moesten we dus een dak boven ons hoofd hebben. En er moest eten komen. Er moesten kleertjes komen. Maar ik had geen inkomen. Uitkeringen... opvang... dat was er allemaal niet. Ik wist de weg ook niet. Want het laatste waaraan ik dacht was hulp te zoeken. Ik was al blij dat ik er wás!"
"In die tijd las ik in de krant dat er in Hilversum een winkel met dagverblijf ter overname was. Die kon ik huren maar ik moest wel sleutelgeld betalen. Dat had ik dus niet. Maar ik kreeg het van mijn vader. Die had het ook niet want die had in de oorlog al zijn geld moeten uitgeven aan de onderduik. Maar ineens was het er toch. Ik heb me nooit afgevraagd waar dat geld vandaan kwam. Toen hadden we dus een dagverblijf met een keukentje. Als slaapkamer haalde ik een stukje van de winkel af."
"Een oom van mij uit de uitgeroeide familie van moederskant had een klein matrassenfabriekje. Die vroeg: wat moet je nou met een winkel? Ik zei: dat weet ik niet, ik zocht geen winkel, ik zocht onderdak voor mijn zoon en dat heb ik nu. Toen vroeg hij: zal ik je een paar matrassen sturen om te verkopen? Nou, ik had niks te doen, dus ik zei: doe maar. Ik had geen enkel diploma. Geen middenstandsdiploma. Niets. Vestigingseisen? Bonnen? Ik wist van niks. Ik had niet eens het benul dat je meer kon vragen als je zonder bonnen verkocht. Vroeg gewoon de prijs die ervoor stond. Verder had ik er geen enkele behoefte aan me aan regels te houden, want ik had me net viereneenhalf jaar aan regels moeten houden. Ik was dus een zakenman van niks. Ik wist niks van ondernemen. Ik wilde alleen maar leven met mijn gezin."
“In de eerste jaren na de oorlog was ik trouwens heel argwanend. Als ik iemand ontmoette, dacht ik alleen maar: hoe zou jij je in een concentratiekamp hebben gedragen? Of: wat heb jij in de oorlog gedaan? Hoe lang dat geduurd heeft, weet ik niet. Het is gesleten. Ik kan me een collega herinneren, een winkelier. Die was in de oorlog als jood ondergedoken, had zijn hele familie verloren. Die had dat ook. Hij kwam nogal eens mensen tegen van wie hij dacht: dat zit niet goed. Dan vroeg-ie in plat Amsterdams: ook joden geholpen? Verder niks.”
“In de eerste tien jaar na de oorlog heb ik met vallen en opstaan en op de rand van het faillissement de zaak min of meer draaiende gehouden. Op een gegeven moment had ik bij die oom dertigduizend gulden schuld. Die stuurde toen de deurwaarder. Om mij op te voeden. En toen heeft mijn vader dat met hem geregeld. Hoe, dat weet ik niet. Er kwamen ook een keer twee figuren van de economische controledienst. Die zeiden: meneer, wat doet u hier? U hebt helemaal geen vergunning! Uw zaak wordt gesloten. Ik kan mij nog herinneren hoe die twee in mijn winkel voor de toonbank stonden en dat ik zei: ik heb viereneenhalf jaar in een concentratiekamp gezeten en daar heb ik een heleboel geleerd. U moet het eens probéren om mijn winkel te sluiten! Toen heb ik net op tijd de Vereniging van Ex-politieke Gevangenen leren kennen. De Expoge. Er werden toen een aantal schijven in werking gezet waardoor ik ontheffing van alle vergunningen kreeg en ik me kon laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Ik maakte nogal leuke reclame en na zo’n jaar of tien begon de winkel een beetje te lopen. Later is die winkel uitgegroeid tot een grote beddenzaak. Met alles wat erbij hoort: ledikanten, dekens, slaapkamerkleedjes... Later, toen ik full time de politiek inging, heeft mijn zoon de zaak overgenomen. En uitgebouwd met een enorm assortiment. Hij was pas een èchte zakenman.”
“We kregen er nog twee kinderen bij. Want er was toen nog geen televisie en je moest toch wat doen. Mijn vrouw - dat bleek achteraf - was zenuwpatiënt. En ze had een hernia. Ik weet niet in hoeverre dat psychisch was. Ze lag op doktersadvies soms drie maanden op een plank. En dat met drie kleine kinderen. Ik moest haar gedeeltelijk vervangen. Als ik ’s avonds thuiskwam, kon ik het huishouden nog eens gaan doen. Voor de kinderen zorgen, voor de kleertjes, voor het eten. Daar beklaag ik me niet over, hoor. Integendeel. De toestand van mijn vrouw was, denk ik, juist mijn redding. Die beheerste mijn hele leven. Zo had ik helemaal geen tijd voor mijn eigen sores. Voor dat kwetsbare gedeelte. Over die kwetsbaarheid lag in ons gezin wel altijd een zachtheid als een donzen deken. Die deken bracht licht en warmte, ook al werd er nooit over gesproken. Maar dat huwelijk was... Nou ja, we hadden nooit ruzie. Want als je met mij ruzie wil krijgen, moet je van goede huize komen."
“Dat is ook weer een gevolg van mijn ervaringen in de oorlog. Je afschermen tegen pijn. En proberen een ander geen pijn te doen. Ik kan geen ruzie maken en kan het heel moeilijk verdragen als anderen dat in mijn aanwezigheid doen. Ik weet niet of dat een goeie eigenschap is. Want soms kan ruzie maken heel verfrissend zijn. Soms denk ik wel eens achteraf: je had misschien beter lekker ruzie kunnen maken. Maar ik kán het niet. Dat heb ik in de oorlog niet meegemaakt: lekker ruzie maken. Ruzie is levensgevaarlijk."
"Het zal ook wel angst zijn. Angst dat de brokken uit elkaar vallen. Want ik ken mijn eigen grenzen niet. Als ik me zou laten gaan, weet ik niet wat er gebeurt. En daartegen bescherm ik mezelf. Dus dat hoort ook bij het cement: ik wil geen ruzie maken. Als er tegenstellingen zijn probeer ik die in goede banen te leiden. In mijn privé-leven en ook in de posities die ik later heb bekleed.”
“Het heeft zo’n tien jaar geduurd voordat ik weer een beetje mens werd. Ook omdat de dingen thuis en in de zaak zich geleidelijk stabiliseerden. Dus toen alles in een rustiger vaarwater kwam. In die tijd kreeg ik de gedachte: als de overheid zich met mij bemoeit met regels, wetten en voorschriften wil ik me ook met de overheid die de regels maakt, bemoeien. Dan wil ik graag mijn stem laten horen. Zo werd ik voorzitter van de middenstandsvereniging. Eind jaren vijftig werd ik gevraagd voor de gemeenteraad in Hilversum. Dat heb ik vijfentwintig jaar gedaan. Eerst als raadslid, toen als gedelegeerde voor de Gewestraad en daarna als wethouder. Door mijn hartoperatie in 1982 kwam daar een eind aan. Midden jaren tachtig werd ik voorzitter van de Stichting Geuzenverzet 1940-1945. Het doel van de stichting is om het gedachtengoed van de Geuzen over te dragen op de jongere generatie. Dat is in het kort: streven naar respect, naar gelijkwaardigheid van mensen, naar een menswaardiger wereld. Zo kreeg mijn leven geleidelijk meer inhoud.”
“In de jaren zeventig kreeg ik het heel moeilijk. Ik zat toen al een aantal jaren als gedelegeerde ruimtelijk ordening, natuurschoon en recreatie in de Gewestraad Gooi- en Eemland. Dat was een samenwerkingsverband van een aantal gemeenten. Een oud-minister was voorzitter van die Gewestraad. Op een gegeven moment werd die voorzitter opgevolgd door een vooraanstaand lid van de Partij van de Arbeid. Die man, een jongere man, die intrigeerde zó verschrikkelijk in de politiek! Alles wat er aan gemeenheid maar te bedenken is: manipuleren, liegen, mensen tegen elkaar uitspelen, misleiden. Hij wilde iets en dus was hem níets te dol om dat te bereiken. Dat probeerde hij dan te doen - met of zonder zijn collega’s. Ik had niet genoeg ervaring om mij daartegen te verzetten. Wat ik overigens wèl geprobeerd heb. Het gedrag van die man herinnerde me zó aan de ervaringen in de oorlog! Aan de trucs, de gemeenheid. Aan de ervaringen met mensen die me kapot probeerden te maken. Ik dacht: daar heb je het weer! En dat hij ook nog joods was! Daar kon ik op een gegeven niet meer tegenop. Dat was een dieptepunt! Ik klapte helemaal dicht."
“Ik was nooit in psychiatrische
behandeling geweest. De enige die mij
behandeld-tussen-aanhalingstekens heeft, was mijn jeugdvriend
Sijds Nijdam, die psychiater was geworden. Die gaf me zo nu en
dan goede raad. Maar ik kwam toen toch bij professor Bastiaans
terecht. Ik moet mij wel heel geschokt en onmachtig gevoeld
hebben om naar hem toe te gaan. Want dat was niks voor mij!
“Ik ben toen een periode met ziekteverlof gegaan. Maar toen de wethouder van financiën in Hilversum in 1978 aftrad, ben ik gevraagd hem op te volgen en kon ik weer aan het werk. Als wethouder van financiën, economische zaken, sport en recreatie. Zonder enige opleiding, want ik had alleen een Veilig Verkeersdiploma. Maar ja, daarmee kun je wèl de politiek in. Dan weet je namelijk wat links en rechts is. De gemeente was in die tijd bijna failliet. Ik heb toen een nieuwe tak van sport ontdekt: “leunen tegen de overheid”. Je kunt je voorstellen dat ik in die functie – met alleen een beetje gezond verstand - op mijn tenen moest lopen. Ik was dag en nacht bezig, gelukkig wel met goede medewerkers. Anders zou Hilversum financieel in het moeras glijden. Ik ben vier jaar wethouder geweest. Na mijn hartoperatie in 1982 mocht ik van mijn cardioloog niet meer werken. Toen moest ik bedanken.”
“Daarna werd ik voorzitter van de Stichting Geuzenverzet. Met alle verantwoordelijkheden van dien. Tot vorig jaar. Toen werd ik erevoorzitter. In de functie van voorzitter van het Geuzenverzet en van ook andere verzetsorganisaties heb ik altijd over mijn oorlogservaringen verteld. In alle sectoren. In Westerbork, aan universiteiten, voor leerkrachten. Maar vooral heel veel aan kinderen vanaf groep acht op de basisschool. Want die groeien allemaal op naar een of andere verantwoordelijkheid, of dat nou is als huisvader of als zakenman of als politicus. Dat was voor mij ook echt de belangrijkste beweegreden. Als ik voor een groep kinderen stond dan zei ik altijd: waarom doe ik dit? Nou, omdat ik vind dat er niks geleerd is uit de oorlog. Kijk maar naar de televisie. Lees de kranten maar. Dan zie je wat er overal nog steeds gebeurt. Dus moeten wij ons verhaal vertellen. Dan kunnen de mensen horen hoe verschrikkelijk het toen geweest is. En dat het zo niet meer mag worden. En je weet maar nooit of de toekomstige minister-president hier in de klas zit. Dus allemaal goed luisteren! Want later heb je het misschien nodig. Verder heb ik veel interviews gegeven, in kranten, tijdschriften, op de radio en de televisie. Dus lekker druk geweest. Dat hoort bij het cement. Maar door over de oorlog te vertellen en vragen te beantwoorden, kregen mijn ervaringen verder plaats in mijn leven. Als je erover kunt praten, is de helft van het probleem opgelost."
“Sinds 1987 reikt de stichting ieder jaar de Geuzenpenning uit aan iemand die heeft bijgedragen aan een menswaardiger wereld. Dat is altijd op 13 maart, dus dat is meteen een herdenking van die dag in 1941 dat in de duinen bij Scheveningen vijftien Geuzen zijn gefusilleerd. Heel belangrijk voor mij was dat ik in 1990 de Geuzenpenning persoonlijk mocht uitreiken aan de president van Duitsland, Richard von Weizsäcker. Weizsäcker was de eerste naoorlogs Duitse president die erop wees dat de Duitsers hun verleden moeten erkennen. Dat de volkenmoord op de joden zijn weerga niet kent. Dat er zonder die erkenning geen verzoening mogelijk is. In onze eigen kring van het voormalig verzet heerst nog veel onbegrip. Je kunt je misschien voorstellen dat de Geuzen die de concentratiekampen hadden overleefd enórme moeite hadden om die Geuzenpenning aan een Duitser uit te reiken, al is het nog zo’n edele-tussen-aanhalingstekens. Maar als voormalig Geus wilde ik dat juist wel. Op dát moment heb ik - achteraf gezien - de oorlog gewonnen. Dat ik dat kón! Dat vind ik een hoogtepunt! Want het is niet moeilijk om vriendschap te sluiten met je vrienden. Het is veel moeilijker om vriendschap te sluiten met je vijanden. Dat heb ik ook steeds in eigen kring uitgedragen. Als voorbeeld. Mensen kijken tegen me op... ik kan het ook niet helpen... Ter dood veroordeeld, begenadigd, een aantal concentratiekampen achter de rug en weet ik veel. Toch leiding geven aan een proces van verzoening. Van die situatie kun je gebruik van maken om je gedachten over te brengen. Want er wordt naar je geluisterd.”
“In januari 1995 was Auschwitz vijftig jaar bevrijd. Ik wilde ook graag naar de officiële herdenking, maar via het Nederlands Auschwitz Comité lukte dat niet. Toevallig sprak ik een paar weken van tevoren een oud-verzetsman. Die was verbonden aan het Militaire Huis van de koningin. Ik zei toen terloops: ik zou zo graag naar Auschwitz willen. Toen zei hij: de koningin gaat, zal ik vragen of je mee mag? Ik zei: ik vind het prachtig, maar dat lukt natuurlijk nooit. Nou, waar draaide het op uit? Aan boord van het vliegtuig was ik haar énige gast! Onderweg heb ik ook heel veel met prins Claus zitten praten. In 1997 heb ik van de koningin persoonlijk een onderscheiding gekregen. De Huisorde van Oranje-Nassau. Een hele hoge, zegt men. Dat was ook omdat ik zonder haat probeerde te leven. En omdat ik dat in de Nederlandse maatschappij uitdraag. Daar ben ik echt trots op. Ik loop niet naast mijn schoenen, hoor! Maar het was voor mij toch een hoogtepunt.”
“Inmiddels was ik al vijftig jaar getrouwd. Maar mijn vrouw en ik leefden ieder ons eigen leven. Het leven van mijn vrouw was in mijn ogen vrij saai. En het mijne was vol. Met politiek. En met het zoeken naar de zin van het leven. Het enige wat we samen hadden was muziek. Dat kan soms genoeg zijn... Totdat ik tien jaar geleden Astrid leerde kennen. Ik had mijn jeugd overgeslagen. Ook de puberteit. Ik moest menselijke gevoelens terugkrijgen. Misschien werd ik toen wel voor het eerst in mijn leven normaal verliefd. Ik ben bij mijn vrouw weggegaan en met Astrid getrouwd. De vrolijkheid die mijn verpleegster in 1945 als vernisje had, heeft Astrid ècht. Zij heeft ook slechte jeugdervaringen. Maar daaraan heeft zij zich weten te ontworstelen. Het is een natuurlijk optimisme. Een natuurlijke vrolijkheid. Met alle minder goede eigenschappen die ieder mens heeft. Ik heb namelijk nog nooit een mens gezien met alleen goede eigenschappen. Dat zou ook wel erg saai zijn. Ik moet er niet aan dénken! Astrid en ik hebben samen gevoel voor mooie dingen. Zij tekent en schildert ook. En we zijn nu samen op een beeldhouwcursus.”
Bill laat mij een beeld zien dat hij onlangs in klei maakte en in brons heeft laten gieten: een serie van zeven koppen die steeds kleiner worden. De eerste kop staat fier rechtop, de daaropvolgende koppen zakken één voor één steeds verder in de grond. De laatste is bijna helemaal weggezakt. Bill legt uit: “Dit symboliseert de ondergang van de mens in Mauthausen. Maar je kunt het ook omkeren: dan zie je een vertrapt persoon er weer bovenop komen."
“Het enige dat ik in mijn leven betreur, is dat ik geen kunstopleiding heb gehad of geen instrument kan bespelen. Daar had ik geen tijd voor. Hoe dan ook, nu heb ik het erg naar mijn zin! Alleen mijn gezondheid is niet goed. Al zou je het misschien niet zeggen als je me zo ziet zitten.”
“Ik kijk met verwondering om naar hoe mijn leven is verlopen. En ik kan over mijn oorlogservaringen praten alsof het ’t verhaal van een ander is.”
“Ik zit vol met littekens die bij slecht weer pijn doen. Zoals alle littekens. Ik ben in brokken uit de oorlog gekomen. En het blíjven brokken. Ik denk dat ik mijn hele leven bezig ben geweest om te zorgen dat die brokken niet meer uit elkaar gingen. Om dat cement ertussen te houden. Maar ik voel me geen slachtoffer. Integendeel! Tot het cement behoort de wijze waarop ik mij in de maatschappij heb gemanifesteerd. Het bouwsel zit tamelijk goed in elkaar. Als je anderen zou vragen wat ze van mij vinden, denk je dat ze dan zullen zeggen: dat is een man die met cement aan elkaar zit? Nee, hoor, dat geloof ik niet."
“Vorig jaar ben ik om medische redenen uit al mijn functies getreden. Ik mis dat wel omdat besturen een tweede natuur is geworden. En de organisaties missen mij misschien ook omdat ik - zoals ze mij bij mijn afscheid noemden - een bruggenbouwer ben. Het is voor mij een behoefte om mensen bij elkaar te houden. Voor dat samenbinden van andere mensen gebruik ik, denk ik, hetzelfde cement als voor het samenvoegen van mijn eigen brokken. Dat is allebei een gevolg van de oorlog: houdt de boel bij elkaar! Want ik heb gezien hoe het níet moet.”
Een door Bill Minco geautoriseerd levensverhaal.
|
|||||||
|
Zie ook Saar Roelofs' schilderijencyclus Het meisje en de wolf Over een meisje in een concentratiekamp Een verhaal van vele tijden |