In
Saar Roelofs' boek
Niet storen
uit 1997
wordt aan de hand van de vakliteratuur, dossieronderzoek en
eigen observaties (als afdelingshoofd, onderzoeker & gedragstherapeut in de
ggz)
de status quo van de instellingen voor ambulante ggz uit die tijd beschreven
In
Niet storen reikt de auteur (potentiële) cliënten onder meer
middelen aan om te zien of ze bij een bepaalde hulpverlener al dan
niet in goede handen zijn. Cliënten dienen zodanig geïnformeerd te
worden dat ze in staat zijn de hulpverleningsrelatie mede vorm te
geven zodat de relatie een samenwerkingsrelatie wordt die niet
eenzijdig door de hulpverlener wordt gedefinieerd.
Wellicht
kan deze info mensen die in therapie zijn of gaan, aanmoedigen
om niet alleen te af te gaan op de visie van de hulpverlener maar ook
te vertrouwen op hun eigen inzichten in wat
nuttig en zinvol voor hen is.
Uit
een onderzoek van het
Trimbos-instituut getiteld
Riagg en werk
uit 1994
blijkt
dat arbeidsgebonden problemen
in de hulpverlening niet of onvoldoende aan de orde
komen omdat
hulpverleners eenzijdig aandacht
heben
voor puur intrapsychische processen en
bij arbeidsgebonden problemen
niet in staat zijn praktijkgerichte hulpverleningstechnieken
toe te passen.
Dit thema is heden nog steeds actueel.
Zo zegt
Evelien Brouwers,
bijzonder
hoogleraar Psychische gezondheid en Duurzame inzetbaarheid in Arbeid
aan de Tilburg University,
in 2026 in
een
interview
dat hulpverleners doorgaans praten over arbeidsverzuim
door
een depressie of angststoornis, terwijl de klachten vaak op het werk
ontstaan door een onveilige werksfeer, gebrek aan autonomie of te hoge
werkdruk. Omdat de ggz zich voornamelijk richt op individuele
symptomen en de werkvloer niet aanpakt, blijft de werkelijke oorzaak
onbehandeld.
Hierna
volgt twee passages uit Niet
storen:
- Hoe gaan hulpverleners in de regel met arbeidsgebonden klachten
van hun clienten om?
(1)
- Hoe zou een goede arbeidshulpverlening eruit kunnen zien?
(2)
Passage uit deel 2 De hulpverlening
(p. 109)
Het ontbreekt
hulpverleners vaak aan belangstelling voor de dagelijkse
problematiek van hun cliënt. Volgens de auteurs van het
bovengenoemde onderzoek van het Trimbos-instituut
Riagg en werk*
weten de hulpverleners meestal niets over de werksituatie van de
cliënt. Zij vragen er niet naar. Zij hebben geen belangstelling voor
wat arbeid voor mensen betekent, welk zingeving mensen eraan
ontlenen. De behandelafdelingen van de Riagg’s hebben dan ook geen
hulpverleningstechnieken beschikbaar om mensen met arbeidsgebonden
problemen te steunen. De hulpverleners zien arbeidsgebonden
problemen als een uiting van innerlijke psychische conflicten die
uitgeplozen dienen te worden.
*
Bijl, R.V., C.G.L. van Deursen, A. van Gageldonk en R.W.M.
Gründemann (1994). Riagg
en werk. Omvang, aard en behandeling van arbeidsgebonden problemen
bij Riagg-cliënten. Utrecht:
Trimbos-instituut.
Dit beeld
wordt bevestigd door intern onderzoek in een drietal Riagg’s.
Hieronder uit deze onderzoeken een aantal letterlijke uitspraken van
hulpverleners die menen dat de arbeidsproblematiek van hun cliënten
in de behandeling geen aandacht behoeft:
"Cliënten leggen nogal eens de oorzaak van hun problemen buiten
zichzelf, met name in het werk."
"Problemen met arbeid behoren niet tot onze
oplossingsmogelijkheden."
"In de behandeling heb je een werkdoel gesteld. Je richt je altijd
op de persoonlijke mogelijkheden van een cliënt. Je richt je zo min
mogelijk op zaken of personen buiten de cliënt. Tijdens de
aanmelding leggen veel cliënten hun problemen buiten zichzelf. Dus
de werksituatie is meestal niet het terrein waar je in de therapie
daadwerkelijk iets mee doet."
Hierna een fictief voorbeeld van wat er met een cliënt kan gebeuren
wiens arbeidsproblemen niet serieus worden genomen:
Stel, een man
meldt zich in de Riagg wegens een arbeidsconflict met zijn baas. De
man vindt de kwaliteit van zijn producten belangrijker dan de
productiecijfers. Zijn baas denkt daar precies andersom over. De man
is zeer gespannen, heeft last van hoofdpijn, rugpijn en
slaapstoornissen. Iedere dag sleept hij zich naar zijn werk, maar
hij wil het niet opgeven want hij is overtuigd van zijn gelijk. De
hulpverlener meent dat aan het arbeidsconflict een dieper liggende
oorzaak ten grondslag ligt, namelijk dat cliënt moeite heeft met
gezagsverhoudingen in het algemeen en dat dit terug te voeren is op
de relatie met zijn vader. Volgens de hulpverlener is niet het
arbeidsconflict het probleem, maar de manier waarop de cliënt op
gezag reageert.
De cliënt verkeert in de arbeidssituatie
in een ondergeschikte positie. De kans bestaat dat hij het onderspit
delft: dat hij wordt genegeerd, ontslagen of weggepromoveerd.
Wanneer de hulpverlener de cliënt niet steunt, bijvoorbeeld door hem
te leren zich te ontspannen en voor zichzelf op te komen, bevestigt
de hulpverlener de ondergeschikte positie van de cliënt. Als de
cliënt de visie van de hulpverlener overneemt, als hij zelf ook
denkt dat hij niet met gezag kan omgaan, kan hij zich onzeker gaan
voelen en zich gaan afvragen of de oorzaak van het arbeidsconflict
soms uitsluitend bij hemzelf ligt. Door toedoen van de hulpverlening
wordt de positie van de cliënt op zijn werk - in plaats van sterker
- alleen maar zwakker. In zo’n geval raakt de cliënt van de regen in
de drup.
Passage uit deel 3 Vernieuwingen
(p. 138)
Betaalde arbeid neemt in onze samenleving een centrale plaats in.
Arbeid draagt bij aan de existentiële zingeving en de identiteit van
mensen, biedt kans op ontplooiing en op ontwikkeling van kennis en
vaardigheden, schept gelegenheid tot sociale contacten en
structureert de tijd. Juist door de centrale plaats van arbeid komen
negatieve invloeden op het gebied van arbeid hard aan. Het werk zelf
kan slecht zijn voor de psychische gezondheid, bijvoorbeeld wanneer
iemand boven of onder zijn niveau werkt. Slechte
arbeidsomstandigheden, zoals een te hoog werktempo of psychisch te
belastend werk, slechte arbeidsverhoudingen door een ondeugdelijke
stijl van leidinggeven of een ongezonde werksfeer, en slechte
arbeidsvoorwaarden, zoals onzekerheid over het behoud van werk,
kunnen schadelijk zijn voor de geestelijke gezondheid. Te weinig
scholingsmogelijkheden en onderbetaling kunnen eveneens tot
psychische problemen leiden. En tenslotte kan werkeloosheid een
bedreiging voor iemands psychische gezondheid zijn.
Het door de afdelingen Preventie, Innivatie & Onderzoek in de
Riagg's voorgestelde hulpaanbod ziet er als volgt uit.
De hulpverlener is zich ervan bewust hoe hij zelf over arbeid denkt,
welke waarden en normen hij heeft meegekregen uit zijn
maatschappelijke klasse. Is hij van mening dat 'ledigheid des
duivels oorkussen is’ en dat 'rust roest’? Of heeft hij geleerd dat
'de boog niet altijd gespannen kan zijn’? Wanneer hij of zij
zich bewust is van zijn eigen ingeslepen opvattingen over arbeid, is
de kans kleiner dat die het hulpverleningsproces gaan kleuren. Ook
gaat hij/zij na welke waarden en normen zijn cliënt over arbeid
heeft meegekregen en hoe die de houding van de cliënt ten opzichte
van diens problemen bepalen. Omwille van zijn cliënt komt de
hulpverlener zijn of haar behandelkamer uit om kennis te nemen van
de activiteiten in de' arbeidsbuitenwereld’: in de arbeidsbureaus,
de bedrijfsverenigingen, de Arbo-diensten enzovoort. Met deze
instanties legt hij en onderhoudt hij contact.
Veel cliënten hebben last van spanningen op het werk en/of voelen
zich niet zelfverzekerd genoeg tegenover hun collega’s en meerderen.
Die cliënten kunnen gebaat zijn met ontspanningsoefeningen en een
sociale-vaardigheidstraining. Soms is steun bij het maken van nieuwe
keuzes, bijvoorbeeld voor ander werk of voor omscholing, nodig. Voor
cliënten die in de ziektewet lopen, is het onderhouden van contact
met de werkgever belangrijk. De hulpverlener kan hier als
bemiddelaar optreden.
Bij cliënten die na een lange periode van ziekte arbeidsongeschikt
worden verklaard, concentreert de hulpverlener zich op de verwerking
van het verlies van de arbeid en de beroepsidentiteit. Daarna
richten cliënt en hulpverlener zich gezamenlijk op een nieuw
toekomstperspectief.
Meer
praktisch info over de ggz-hulp