Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt  -  Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek?  -  Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd  -  Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen  -  Kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld

 CV 
Saar Roelofs


saar.roelofs@xs4all.nl 

Enter EN
English

© 
Partner 
Productions


ERVARING IN DE GGZ

Inleiding bij dr. Saar Roelofs' boek

WIE IS ER NU GEK?
Over kronkels in de therapeutische relatie
  

 

Scriprum, 2008


PERSOONLIJKE DRIJFVEREN

In de zomer van 1968, na mijn eindexamen gymnasium en voordat ik psychologie zou gaan studeren, nam ik als verpleeghulp alvast een kijkje in de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg. Eerst in de Sinaï Kliniek, een inrichting voor Joodse psychiatrisch patiënten in mijn toenmalige woonplaats Amersfoort, daarna in De Heygraeff, een inrichting voor verstandelijk gehandicapten te Woudenberg.  

Het verplegen in de Sinaï Kliniek bestond uit patiënten wassen, kleden en helpen met eten, bedden opmaken en dweilen. Ik werkte er op de gesloten afdeling waar vrouwen met de meest uiteenlopende ‘gektes’ bij elkaar waren gezet. Zo herinner ik mij een jong meisje, Judith, dat nymfomaan werd genoemd en achter slot en grendel zat omdat zij mannen zou verleiden, een verwarde vrouw van middelbare leeftijd die – zo begreep ik later – leed aan een concentratiekampsyndroom en een aantal oudere dames die voor dement doorgingen. Na het wassen, kleden en eten werden de patiënten in de zogeheten huiskamer geplant waar ze niet mochten praten en lopen. ‘Mevrouw Polak, stil!’ ‘Mevrouw Sanders, zit!’ Alsof het honden waren. Tijdens de middagwandelingen over de smalle paadjes tussen het lage struikgewas in de binnentuin sprak ik soms met hen en dan kwamen er zinnige verhalen en zo nu en dan ook tranen los. Maar dat was lastig voor het vaste personeel. Ik werd bij de directeur op het matje geroepen. Als ik niet mijn mond hield en mij tot het huishoudelijk werk beperkte, kon ik vertrekken.

In mijn tweede baantje die zomer, in De Heygraeff, werd ik aangesteld op een jongensafdeling waar ik de patiënten verzorgde en de zaal moest schoonhouden. Met de jongens werd niet gecommuniceerd. Zij werden lichamelijk verzorgd en met knutselen beziggehouden. Dat was het. Vaak brak mijn hart. Zo was er een jongen van een jaar of zeventien, Theo, die nu misschien autistisch genoemd zou worden. Theo voerde een terugkerend ritueel op. Hij zette de ene voet voor de andere, leunde achterover, hief zijn armen op, zwaaide dan ritmisch met zijn bovenlijf naar voren en weer terug, en riep uit volle borst: ‘Lèkkru, dikke gríesmeelpudding met slágroom en een héééleboel nootjes, dát bedoel ik zuster, dát bedoel ik zuster!’ In een eindeloze herhaling en met een verzaligd gezicht. Niemand die op het idee kwam Theo eens lekkere, dikke griesmeelpudding met slagroom en nootjes te geven. Mijn suggestie dat wel een keer te doen, werd door het vaste personeel met blikken van minachting beantwoord.  

Maar ik zou psychologie gaan studeren en na mijn studie misschien iets aan die misstanden kunnen doen. In mijn studie leerde ik veel over angsten, depressies en psychosen. Over de mensen die ik in mijn baantjes als vakantiehulp was tegengekomen. Maar ik was niet alleen geïnteresseerd in een psychologie van pijn en onvermogen. Mensen hebben ook gezonde, vitale en enthousiaste kanten. Ik verdiepte mij dan ook tevens in de positieve aspecten van het dagelijks leven en schreef scripties over kunst en humor.  

Na mijn doctoraalexamen klinische psychologie en opleiding tot gedragstherapeut werkte ik tijdelijk in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht. Ik deed er psychofysiologisch onderzoek naar paniekstoornissen en fobieën, en behandelde cliënten. Daarna kreeg ik een baan in een alcoholkliniek in Den Haag waar ik les gaf aan het verplegend personeel en cliënten in behandeling nam. Binnen drie weken zag ik dat de droogstaande alcoholisten meer last hadden van paniekstoornissen dan men op basis van toeval zou verwachten. Tot mijn ontsteltenis had de geneesheer-directeur voor al zijn patiënten slechts drie diagnoses in petto: ‘hysterisch’, ‘psychopathisch’ en ‘hystero-psychopathisch’. Hij sprak ze met minachting uit, als scheldwoorden. Tijdens de wekelijkse patiëntenbespreking werd hij niet moe mij van de juistheid van zijn diagnostiek te overtuigen, zijn hand paternalistisch op mijn onderarm. ‘Paniekstoornissen? Ben je gek! Dat is allemaal hysterie.’ Tevergeefs probeerde ik de verpleegkundigen gesprekstechnieken te leren en hen iets over angst en paniek bij te brengen. In een poging als psycholoog bij de psychiatrische opvattingen in de kliniek aan te sluiten bestudeerde ik het werk van de humane fenomenologisch psychiater H.C. Rümke (1893–1967) die het begrip ‘hysterie’ de zinvolle betekenis geeft van ‘uit angst niet in staat zijn zeer pijnlijke gevoelens diep te doorleven’ en die er tevens op wijst dat psychiatrische terminologie het begrijpen van mensen in de weg kan staan. Hierover gaf ik in mijn maandagmorgenlessen tekst en uitleg. Maar dat was aan dovemansoren gericht. Want dan moesten de dames en heren zelf nadenken en dat was te lastig. Ik zocht mijn toevlucht in de ‘huiskamer’ waar de droge alcoholisten mij onder grote hilariteit ‘plaot Haaegs’ leerden. Ten slotte nam ik het besluit met een fulltime opleiding aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten een paar jaar mijn passie voor de kunst uit te leven.

Daarmee loochende ik mijn hartstocht voor de psychologie niet. Die hield onverminderd mijn belangstelling. In mijn promotieonderzoek over alcoholisme aan de Universiteit van Amsterdam rekende ik af met de Haagse kliniek door aan te tonen dat paniekstoornissen niet alleen vaak een aanleiding tot overmatig alcoholgebruik vormen, maar er ook een (biochemisch) gevolg van zijn. Daarna wilde ik weer contact met de werkvloer en zo kwam ik als afdelingshoofd terecht in een Riagg (afkorting van: Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) in Amsterdam Zuidoost.* Wederom werd ik geconfronteerd met een beperkte diagnostiek. Ik constateerde dat de cliënt meteen na het aanmeldingsgesprek, wanneer hij nog maar nauwelijks zijn verhaal had kunnen doen, in een psychiatrische categorie werd ingedeeld. Bekeken, beoordeeld en genummerd. Daarbij werden soms etiketten gebruikt die al jarenlang uit de psychiatrische handboeken zijn geschrapt, zoals ‘hysterie’, ‘masochisme’ en ‘homoseksualiteit’. Alsof er in de ruim twintig jaar die sinds mijn baantjes als vakantiehulp waren verstreken, niets was veranderd.

Na de Bijlmervliegramp van 4 oktober 1992, toen zich op een steenworpafstand van de Riagg Amsterdam Zuidoost een vrachtvliegtuig van El Al in een flatgebouw boorde, signaleerde ik een kentering: door de enorme toestroom van getraumatiseerde cliënten en de grote betrokkenheid bij de naburige ramp lieten de hulpverleners hun hart spreken. Nu stond het verhaal van de cliënt centraal. Zielloze psychiatrische classificaties waren overbodig. De Riagg was trots op een snel van de grond gekomen en adequaat hulpaanbod en stond dan ook graag in de schijnwerpers. Maar deze waren nog niet gedoofd of de hulpverleners keerden terug naar hun oude, vertrouwde werkwijze. 

Voordat het zover was, schreef ik in opdracht van de directrice voor een vaktijdschrift een artikel over de hulpverlening na de ramp. Ik gaf het de titel: De Riagg na de Bijlmervliegramp: een metamorfose. De redactie van het tijdschrift wilde het artikel graag publiceren, maar de directrice gaf geen toestemming voor publicatie omdat er van een metamorfose geen sprake zou zijn. ‘We doen het altijd goed,’ aldus de directrice. Dit was niet mijn eerste ervaring met censuur binnen de Riagg. Eerder had ik op verzoek van een in de Riagg werkzame organisatieadviseur cartoons over het reilen en zeilen in de organisatie gemaakt onder diens motto: ‘Als praatjes niet meer helpen, dan maar plaatjes.’ Ze mochten echter niet in de Riagg worden getoond. In deze baan kon ik mij niet nuttig maken.

(Zie: De Riagg na de Bijlmerramp: een metamorfose)

Een paar jaar later, nadat de cartoons in het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam waren geëxposeerd, schreef ik er – op verzoek van uitgeverij Belvédère – een kritische tekst bij. Tekst en tachtig cartoons werden in 1997 onder de titel Niet storen in boekvorm uitgebracht. Tot op heden ontvang ik reacties van teleurgestelde cliënten die in het boek erkenning en herkenning vinden, hetgeen regelmatig tot therapeutische gesprekken leidt. Dat was onder meer een aanleiding om – op uitnodiging van uitgeverij Scriptum – de pen weer ter hand te nemen en dit boek te schrijven. 

Besprak ik in Niet storen de schaduwzijden van de bureaucratische hulpverlening, in Wie is er nu gek? staat de therapeutische relatie centraal. Voor Wie is er nu gek? heb ik cartoons uit Niet storen gebruikt, die ik opnieuw heb vormgegeven en in veel gevallen van een andere tekst voorzien. Ook is een serie nieuwe prenten ontstaan.

Aldus hoop ik een bijdrage aan de verbetering van de geestelijke gezondheidszorg te leveren, zoals ik mij in de zomer van mijn vakantiebaantjes voornam.

* De Riagg Zuidoost is inmiddels opgegaan in Arkin GGZ Amsterdam.

© copyright: Saar Roelofs , 2007

 

 

Terug naar hoofdpagina Wie is er nu gek?

 


Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Keerpunt  -  Over persoonlijke crises en kansen
Wie is er nu gek?  -  Over kronkels in de therapeutische relatie
Nog altijd  -  Levensverhaal van een Auschwitz-overlevende
Tien componistenportretten in woord en beeld
Niet storen  -  Kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld

 CV 
Saar Roelofs


saar.roelofs@xs4all.nl 

Enter EN
English

© 
Partner 
Productions